Oefentoets Biologie: Genetica - dihybried | HAVO 4/HAVO 5 | variant 5

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Genetica

Vliegen kruisen.

Bij Drosophila is het allel voor lange vleugels dominant over dat voor korte vleugels. Het allel voor een grijs lichaam is dominant over dat voor een zwart lichaam. De genen voor vleugellengte en lichaamskleur erven gekoppeld over; deze koppeling wordt niet verbroken.
Een kortvleugelig zwart mannetje wordt gekruist met een homozygoot vrouwtje met lange vleugels en grijze lichaamskleur. Daarna wordt een mannelijke nakomeling gekruist met een kortvleugelig, zwart vrouwtje.

Hoe ziet een talrijke nakomelingschap van deze laatste kruising er waarschijnlijk uit?

Genetica

Welke gameten?
Zie figuur B 2078 van de bijlage.

Een bepaald diploïd organisme wordt gekenmerkt door het genotype EeffGg. In de tekening zijn de twee betrokken chromosomenparen weergegeven. Aangenomen wordt dat er geen mutaties optreden en dat gekoppelde genen gekoppeld blijven.

Hoeveel verschillende typen voortplantingscellen kunnen door dit organisme met betrekking tot de genoemde genen worden gevormd?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Blauwzuur bij klaver.

Sommige klaverplanten bevatten blauwzuur, waardoor zij tegen vraat beschermd worden. Voor de productie van blauwzuur is het noodzakelijk dat twee dominante allelen A en B aanwezig zijn.
Er worden twee klaverplanten gekruist, die geen van beide blauwzuur kunnen maken. De helft van de F1 -individuen blijkt wel blauwzuur te kunnen maken, de andere helft niet.

Wat waren de genotypen van de beide ouders?

Genetica

Bloemkleuren.

Bekend is dat bij een bepaalde plantensoort de bloemkleur bepaald wordt door twee genen A en B die niet op eenzelfde chromosoom liggen.
Als in een plant van één van beide genen één of meer dominante allelen voorkomen, is de bloemkleur rood.
Alleen de dubbel homozygoot recessieve planten hebben witte bloemen.
Bij een kruising tussen een plant met rode bloemen en één met witte bloemen ontstaat een F1 die ook bestaat uit planten met rode en planten met witte bloemen, en wel in de verhouding rood : wit = 1 : 1

Welke van de onderstaande mogelijkheden geeft het genotype van de ouders weer?

Genetica

Bladgroen bij variëteiten van maïs.

Twee variëteiten van maïs worden onderzocht. Het genotype van planten van variëteit 1 is QQRr en van variëteit 2 QqRR.
Zelfbestuiving bij planten van variëteit 1 en zelfbestuiving bij planten van variëteit 2 leveren zaden op waarvan 75% zich ontwikkelt tot normale groene kiemplanten en 25% tot witte kiemplanten die het bladgroen missen.
Planten van variëteit 1 worden nu gekruist met planten van variëteit 2. De nakomelingen van deze kruising ontwikkelen zich voor 100% tot normale groene kiemplanten. Onder deze nakomelingen bevinden zich planten met het genotype QqRr. Zelfbestuiving van planten met dit genotype levert een nieuwe generatie waaruit zich groene 9/16 kiemplanten en 7/16 witte kiemplanten ontwikkelen.

Welke genotypen kunnen bij het deel groene kiemplanten voorkomen?

Genetica

1/3 Cavia's kruisen.

Gegeven een kruising van cavia's:

- zwart, gladharig x wit, ruwharig.

De F1 -dieren zijn alle zwart, ruwharig.

Hoe erven de eigenschappen over?

Genetica

2/3 Cavia's kruisen.

Werk de genotypen uit tot en met de F2 .

Genetica

3/3 Cavia's kruisen.

Wat is de verhouding van de fenotypen in de F2 ?

Genetica

1/3 Een kruising.

Gegeven een kruising van cavia's: zwart, gladharig x wit, ruwharig.

De F1 -dieren zijn alle zwart, ruwharig.

Hoe erven de eigenschappen over?

Genetica

2/3 Een kruising.

Werk de genotypen uit tot en met de F2 .

Genetica

3/3 Een kruising.

Wat is de verhouding van de fenotypen in de F2 ?

Genetica

1/3 Een kruising.

Men kruist een erwtenplant met gele, ronde zaden met een plant met groene kantige zaden.
Er ontstaan in de F1 vier verschillende fenotypen in de zaden.
Geel en rond zijn dominant.

Wat is het genotype van de ouderplant met gele, ronde zaden?

Genetica

2/3 Een kruising.

Welke andere genotypen kunnen planten met gele, ronde zaden hebben?

Genetica

3/3 Een kruising.

Wat is het resultaat (fenotype) van de terugkruising van planten met gele, ronde zaden met de dubbelrecessieve ouder?

Genetica

Maïs kruisen.

Bij maïsplanten bestaat de bloeiwijze uit een bloeikolf in de oksel van een blad en waarop de vrouwelijke bloemen zitten. De mannelijke bloemen bevinden als een bloeipluim in de top van de plant.
Men kruist twee maïsplanten waarvan de maïskorrels zijn:

- zwart, geschrompeld en geel, glad.

In de F1 ontstaan planten waarvan de kolven geheel uit zwarte en geschrompelde korrels bestaan.

Geef met een kruisingsschema aan hoe de maïskolven in de F2 er uit zullen zien?

Genetica

Koeien kruisen.

Bij runderen bestaat het zogenaamde 'blaarkop'-type uit een dier met een egale lichaamskleur en een witte kop.
Gekruist worden twee homozygote runderen:

- rode, blaarkop koe x zwart, bonte stier.

Alle F1 -dieren zijn zwart en blaarkop.
Na onderlinge kruising van de F1 -dieren ontstaat een F2 met:

zwart, blaarkop,
zwart, bont,
rood, blaarkop,
rood, bont.

Hoe erven de kleur en het kleurpatroon bij runderen over? Verklaar deze uitspraak met een snelrekenschema.

Genetica

1/2 Leeuwenbekjes.

Gegeven een kruising van leeuwenbekjes:

- rode, onregelmatige bloemen x witte, regelmatige bloemen.

De F2 ziet er als volgt uit:

119 rose, onregelmatig,
61 rode, onregelmatig,
21 rode, regelmatig,
62 witte onregelmatig,
39 rose, regelmatig,
18 witte, regelmatig.

Wat is het genotype van de ouders?

Genetica

2/2 Leeuwenbekjes.

Wat zijn de geno- en fenotypen van de F1 -planten?

Genetica

7/11 Oogkleur volgens www.biodoen.nl
Zie figuur B 7122 van de bijlage.

Zoals je kunt verwachten, zijn niet alle websites het met elkaar eens. Hadden ze het op www.biodoen.nl over een overerving met multipele allelen bij oogkleur van de mens, de website www.erfelijkheid.nl gaat uit van twee genen, met elk twee allelen. Er is een gen voor bruine (B) of blauwe (b) ogen, en een gen voor groene (G) of blauwe (g) ogen. Een complicerende factor is dat het dominante bruine allel van het eerste gen tevens het dominante groene allel uit het tweede gen overheerst, zodat groen alleen tot uiting komt in het fenotype bij een homozygoot recessief genotype voor het eerste gen (bb). Dit geeft de volgende mogelijkheden:
afbeeldingafbeelding
Er van uitgaande dat deze theorie over de overerving van oogkleur juist is, moet je de volgende vragen beantwoorden.

Zie volgende scherm

Genetica

8/11 Oogkleur volgens www.biodoen.nl
Zie figuur B 7122 van de bijlage.

Bij de onderstaande kruising is alleen het fenotype van de ouders bekend, en dus niet het genotype:

afbeeldingafbeelding x afbeeldingafbeelding (groen x bruin)

Welke bewering is juist? Je kunt meerdere antwoorden aanklikken.

afbeeldingafbeelding