Deze oefentoets bevat 13 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Aantal vragen
13
Vak(ken)
Biologie
Kerndoel(en)
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
Leerniveau(s)
VWO 4, VWO 5, VWO 6
Uitgever
NVON
Copyright
cc-by-sa-40
Dissimilatie
Aërobe en anaërobe dissimilatie.
Twee organismen verbruiken gedurende een bepaalde tijd eenzelfde hoeveelheid glucose; het ene door alcoholische gisting en het andere door aërobe dissimilatie.
Hoe zullen de hoeveelheden vrijgekomen CO2
zich verhouden bij aërobe dissimilatie en alcoholische gisting?
Dissimilatie
Kooldioxidevorming & organellen.
In welke van de hieronder genoemde organellen ontstaat bij aërobe dissimilatie kooldioxide?
Dissimilatie
Bodemademhaling.
In de bodem wordt door heterotrofe micro-organismen en wortelcellen van planten koolstofdioxide gevormd door dissimilatie met zuurstof. Dit proces wordt bodemademhaling genoemd. Op een bepaalde bodem (bosgrond) bloeit een beukenbos en op een andere bodem (akkergrond) groeien tarweplanten. In de bosgrond komen per cm3
minder actieve wortelcellen voor dan in de akkergrond. De hoeveelheid koolstofdioxide die bij de bodemademhaling per hectare in de bosgrond wordt geproduceerd, is ongeveer vier maal zo groot. Over de bosgrond en de akkergrond worden twee uitspraken gedaan:
1. in de bosgrond komen per cm3
meer heterotrofe micro-organismen voor dan in de akkergrond; 2. in de bosgrond wordt per tijdseenheid per cm3
meer zuurstof verbruikt dan in de akkergrond.
Is uitspraak 1 juist? En uitspraak 2?
afbeelding
Dissimilatie
Zuurstoftekort in een werkende spier.
Een plotselinge zuurstoftekort in een werkende spier heeft tot gevolg een verhoging van
Dissimilatie
Droge zaden van planten.
Droge zaden van planten nemen bijna geen zuurstof op uit hun omgeving.
Wat is hiervoor de beste verklaring?
Dissimilatie
Dissimilatie en zuurstofverbruik. Zie figuur B 79 van de bijlage.
Bij een proef met een dier dat zijn lichaamstemperatuur onder normale omstandigheden constant kan houden, wordt de omgevingstemperatuur langzaam verhoogd. De lichaamstemperatuur van dit dier en de hoeveelheid verbruikte zuurstof per tijdseenheid worden gemeten. De resultaten zijn in de diagrammen uitgezet. De verbruikte zuurstof is een maat voor de dissimilatie-activiteit. Naar aanleiding van de diagrammen worden de volgende beweringen gedaan:
1. bij omgevingstemperaturen tussen P en Q speelt de mate van dissimilatie een rol bij het constant houden van de lichaamstemperatuur; 2. wanneer de omgevingstemperatuur hoger wordt dan R, stijgt de lichaamstemperatuur onder andere doordat de dissimilatie stijgt; 3. wanneer de omgevingstemperatuur lager wordt dan P, daalt de lichaamstemperatuur onder andere doordat veel warmte aan de omgeving wordt afgegeven; 4. bij omgevingstemperaturen tussen Q en R geeft het dier geen warmte aan de omgeving af.
Welke bewering is strijdig met de gegevens uit de diagrammen?
afbeelding
Dissimilatie
Zuurstoftransport.
Het transport van zuurstof door een celmembraan van een plantencel berust alleen op diffusie. Bij een bepaald organisme wordt voor een aantal temperaturen het zuurstoftransport door het celmembraan vastgesteld en het blijkt dat bij een temperatuur van ongeveer 30°C het grootste aantal zuurstofmoleculen per minuut door het celmembraan gaat en zo in het cytoplasma terechtkomt.
Ter verklaring van het bestaan van dit temperatuuroptimum worden twee uitspraken gedaan:
1. het zuurstofverbruik door dissimilatie in dit organisme is bij deze temperatuur het grootst; 2. de warmtebeweging van zuurstofmoleculen is bij deze temperatuur het grootst.
Is uitspraak 1 juist? En uitspraak 2?
afbeelding
Dissimilatie
Hayley rent. Zie figuur B 4863 van de bijlage.
Hayley Yelling liep op 12 juni 2004 in Utrecht een 10 km in 31:45.14. Haar VO2
was 60 mL O2
/kg/min. Hayley woog toen 55 kg. Voor een 10 km in haar tempo is 120 L O2
nodig.
- Bereken de gemiddelde snelheid van Hayley in km/h (rond af op 1 decimaal). - Bereken of en zo ja hoeveel, zij aan L O2
tekort komt. - Welk percentage van haar energie komt dus uit anaërobe dissimilatie? (rond af op 1 decimaal).
afbeelding
Dissimilatie
VO2
-max.
De VO2
-max wordt gedefinieerd als het maximale vermogen om zuurstof via de longen op te nemen in het bloed, te transporteren en te gebruiken in de spieren.
Er zijn hardlopers die de marathon even snel afleggen en toch een verschil vertonen in hun VO2
-max.
Twee mogelijke verklaringen daarvoor zijn:
1. Hardlopers zetten niet allemaal even efficiënt energie om in loopsnelheid. 2. De VO2
-max van hardlopers verschilt tijdens zo’n langdurige loop.
Welke van deze verklaringen kan of welke kunnen juist zijn?
Dissimilatie
Gaelle fietst. Zie figuur B 4865 van de bijlage.
Bij een onderzoek naar het energieverbruik tijdens inspanning wordt het O2
-verbruik van een leerling bepaald, terwijl zij 10 minuten snel fietst op een fietsergometer. Dat O2
-verbruik wordt berekend met de formule:
O2
-verbruik (L/min) = (% O2
in buitenlucht x 0.94 - % O2
uitgeademd) x volume uitgeademd ----------------------------------------------------- 100
Het energiegebruik in kJ is gelijk aan het 20 x het O2
-verbruik in L. Na 10 minuten wordt gemeten: % O2
in buitenlucht = 20,8% % O2
uitgeademd = 16,1% volume uitgeademd = 557 L.
Bereken het energiegebruik in kJ/min (afgerond op twee decimalen).
afbeelding
Dissimilatie
Productie.
Een groep planten staat in het donker. Per uur verbruiken ze (onder normale omstandigheden van temperatuur en druk) 1,92 g zuurstofgas.
Wat zullen deze planten na 10 uur hebben gedaan?
Dissimilatie
1/2 Gist.
Sandra, een onderzoeker, kweekte gist (Saccharomyces cerevisiae) in een eenvoudige voedingsoplossing, waarin gelabelde 14
C-atomen in glucose voorkwamen. Ze wilde uitzoeken of de glucose volledig werd geoxideerd.
Van welk molecuul bepaalde zij de radioactiviteit om dit vast te stellen?
Dissimilatie
1/2 Pissebedden. Zie figuur A 1087 van de bijlage.
Een groep leerlingen heeft de CO2
-afgifte bij pissebedden gemeten bij twee verschillende temperaturen. De resultaten zijn weergegeven in een diagram dat hiernaast is afgebeeld. Naar aanleiding van deze gegevens worden drie beweringen gedaan:
1. Verlaging van de omgevingstemperatuur van 19ºC naar 13ºC remt de stofwisseling van pissebedden; 2. Bij een mens zou de grafieklijn bij 19ºC lager dan die van 13ºC liggen; 3. Bij de meting vindt aërobe dissimilatie plaats.