Oefentoets Biologie: Plantenanatomie - Plantenanatomie | VWO 1/VWO 2/VWO 3 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 1, VWO 2, VWO 3

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenfysiologie

Celstrekking in een wortel.
Zie figuur A 26 van de bijlage.

De groeistof indolazijnzuur (IAA) heeft invloed op de celstrekking. De invloed van verschillende IAA-concentraties op de celstrekking in wortels van een bepaalde plant kan afgeleid worden uit het afgebeelde diagram.
Nadat een groene plant op de aangegeven wijze (zie tekening) is neergelegd, groeit de worteltop naar beneden.

De IAA-concentratie in ppm in de wortelcellen op de plaatsen P (bovenkant) en Q (onderkant) kan dan geweest zijn:

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Groei van kiemplantje.

Een kiemplantje van een eik wordt in een oplossing met voedingszouten geplaatst. Na een jaar is de plant 200 gram zwaarder geworden.
De plant heeft 2 gram van de zouten opgenomen.

Hoeveel water en CO2 heeft de plant opgenomen?
Is er water gebruikt bij de celgroei?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Stengeltop.

In de top van een stengel bevindt zich delingsweefsel.

Door welk proces worden nieuw gevormde cellen even groot als een oorspronkelijke cel vóór de deling?

Plantenfysiologie

Wortelgroei van kiemende boon.
Zie figuur B 228 van de bijlage.

Van een kiemende boon wordt de wortel met streepjes gemarkeerd, zoals in tekening 1 is weergegeven.
Na enige dagen van groei wordt de boon opnieuw bekeken. Er is dan een verandering in de onderlinge afstand van de streepjes opgetreden.

In welke tekening is de nieuwe toestand juist weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Rijping van appels.

Het plantenhormoon indolazijnzuur (IAA) dat in een appelboom wordt gevormd, heeft tijdens het rijpingsproces van appels een antagonistische werking ten aanzien van het gas ethyleen dat de vruchtrijping bevordert. Ethyleen wordt in de vruchten gevormd in aanwezigheid van zuurstof.
Rijping is een verouderingsverschijnsel waarbij kleur, geur en smaak van de appel veranderen en de appel zachter wordt.
Bij sommige appelrassen rijpen de appels nauwelijks zolang ze nog aan de boom hangen. Pas na het plukken komt de rijping van de appels goed op gang. Ter verklaring van dit verschil in rijpingssnelheid tussen een afgeplukte en een aan de boom hangende appel worden vier beweringen gedaan:

1. Zolang de appel aan de boom hangt, wordt IAA uit andere delen van de boom naar de appel gevoerd.
2. Zolang de appel aan de boom hangt, wordt IAA verbruikt in de groeipunten.
3. Zolang de appel aan de boom hangt, is in de appel geen zuurstof aanwezig voor de vorming van ethyleen.
4. Zolang de appel aan de boom hangt, vindt wateropname in de appel plaats waardoor de ethyleenconcentratie afneemt.

Welke van deze beweringen geeft een verklaring voor het verschil in rijpingssnelheid?

Plantenfysiologie

Groei van planten.
Zie figuur B 1121 van de bijlage.

In een experiment bestudeert een onderzoeker de groei van planten uit kiemende erwten. Hij meet de groei door regelmatig het drooggewicht van enkele erwtenplanten te bepalen.
Het drooggewicht is het gewicht van alle delen nadat al het water eruit is verwijderd. Als maat voor de groei van de erwtenplanten is de toename van het drooggewicht genomen die bij deze metingen wordt gevonden. Deze groei is gelijk aan de nettoproductie.
Tijdens het experiment worden alle omstandigheden constant gehouden. De resultaten van het experiment zijn weergegeven in het diagram van de figuur.

De onderzoeker ziet dat de bladeren gaan vergelen en dat de groei van de erwtenplanten in de tiende week tot stilstand komt. Voor het tot stilstand komen van de groei bedenkt hij twee verklaringen:

I. De nettoproductie wordt lager doordat de hoeveelheid weefsel van de erwtenplanten dat aan de fotosynthese bijdraagt, in verhouding tot de totale hoeveelheid weefsel van de plant afneemt.
II. De nettoproductie wordt lager doordat de dissimilatie in de cellen van de erwtenplanten afneemt.




-

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Topmeristeem en lengtegroei van stengel.

Om na te gaan of bij planten met bladgroen het topmeristeem van de stengel invloed heeft op de lengtegroei door middel van een hormoon, worden de volgende vier proeven uitgevoerd.

1. De top van de stengel wordt afgesneden. De stengel groeit dan niet meer.
2. De afgesneden top wordt teruggeplaatst op de stengel met een stukje zilverpapier ertussen. De groei wordt dan niet hervat.
3. De afgesneden top wordt op agar-agar geplaatst. Dit agar-agar wordt daarna op de toploze stengel gezet. Deze hervat dan de lengtegroei.
4. Agar-agar dat niet met een top in aanraking is geweest, wordt op een toploze stengel gezet. Deze gaat dan niet groeien.

Welke combinatie van twee van deze proeven toont aan, dat het meristeem uit de top de lengtegroei door middel van een hormoon beïnvloedt?

Plantenfysiologie

Groeirichting stengel.

Een plantenstengel wordt horizontaal opgehangen en in het donker geplaatst; de top groeit omhoog.
Een andere stengel van dezelfde plant wordt horizontaal opgehangen en in het donker langzaam om zijn lengte-as gedraaid; de top groeit horizontaal.

Welke conclusie uit deze waarnemingen is juist?

Plantenfysiologie

Transport van auxine.
Zie de figuren B 3868 en B 3869 van de bijlage.

Planten groeien mede onder invloed van het groeihormoon auxine. Auxine bevordert de celstrekking en wordt onder andere in de stengeltop van een plant geproduceerd. In een onderzoek naar het transport van auxine worden vier experimenten gedaan.

In experiment 1 wordt een stukje stengel van een plant in drie delen verdeeld: de stengeltop, het middelste deel en het onderste deel. Vervolgens worden de delen weer in dezelfde positie op elkaar gezet. Hierna groeit de stengel door (zie de afbeelding B 3868-links).
In experiment 2 wordt een stukje stengel op dezelfde manier in drie delen verdeeld. Vervolgens wordt het middelste deel omgekeerd teruggeplaatst. Hierna groeit de stengel niet door (zie de afbeelding B 3868-rechts).

Op grond van de resultaten van de experimenten 1 en 2 worden twee vervolgonderzoeken opgezet, de experimenten 3 en 4. In deze experimenten wordt het middelste deel van een overeenkomstig stukje stengel tussen twee blokjes agar geplaatst. Agar is een stof die auxine doorlaat. Aan het bovenste blokje is auxine toegevoegd, aan het onderste blokje niet (zie de afbeelding B 3869-links).
In experiment 3 wordt het stengeldeel rechtop geplaatst. Na enkele uren blijkt auxine in het onderste blokje agar te zijn gekomen.
In experiment 4 wordt het stengeldeel omgekeerd geplaatst. Nu komt geen auxine in het onderste blokje terecht (zie de afbeelding B 3869-rechts).

Formuleer een onderzoeksvraag die met de resultaten van de experimenten 3 en 4 kan worden beantwoord.




-

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Transport van auxine.
Zie de figuren B 3868 en B 3869 van de bijlage.

Planten groeien mede onder invloed van het groeihormoon auxine. Auxine bevordert de celstrekking en wordt onder andere in de stengeltop van een plant geproduceerd. In een onderzoek naar het transport van auxine worden vier experimenten gedaan.

In experiment 1 wordt een stukje stengel van een plant in drie delen verdeeld: de stengeltop, het middelste deel en het onderste deel. Vervolgens worden de delen weer in dezelfde positie op elkaar gezet. Hierna groeit de stengel door (zie de afbeelding B 3868-links).
In experiment 2 wordt een stukje stengel op dezelfde manier in drie delen verdeeld. Vervolgens wordt het middelste deel omgekeerd teruggeplaatst. Hierna groeit de stengel niet door (zie de afbeelding B 3868-rechts).

Op grond van de resultaten van de experimenten 1 en 2 worden twee vervolgonderzoeken opgezet, de experimenten 3 en 4. In deze experimenten wordt het middelste deel van een overeenkomstig stukje stengel tussen twee blokjes agar geplaatst. Agar is een stof die auxine doorlaat. Aan het bovenste blokje is auxine toegevoegd, aan het onderste blokje niet (zie de afbeelding B 3869-links).
In experiment 3 wordt het stengeldeel rechtop geplaatst. Na enkele uren blijkt auxine in het onderste blokje agar te zijn gekomen.
In experiment 4 wordt het stengeldeel omgekeerd geplaatst. Nu komt geen auxine in het onderste blokje terecht (zie de afbeelding B 3869-rechts).

Drie leerlingen trekken op grond van de resultaten van de experimenten 1, 2, 3 en 4 de volgende conclusies:

leerling 1: het transport van auxine vindt plaats door de bastvaten;
leerling 2: het transport van auxine vindt plaats van de top van de stengel naar het onderste deel van de stengel;
leerling 3: het transport van auxine vindt plaats van de top van de stengel naar het onderste deel van de stengel door diffusie.

Welke van deze leerlingen trekt een juiste conclusie uit de experimenten 1, 2, 3 en 4?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

Groeistof en celstrekking.

In een experiment wordt de invloed van groeistof onderzocht op de celstrekking van een stengel en een wortel van een bepaalde plant. Het blijkt dat bij P mg/l groeistof de celstrekking in de stengel even snel plaats vindt als die in de wortel.
Wordt er minder dan P mg/l groeistof gegeven, dan is de celstrekking in de stengel geringer, maar die in de wortel groter.
De volgende beweringen worden hierover gedaan:

1. P mg/l groeistof ligt voor de stengel tussen optimum en maximum.
2. P mg/l groeistof ligt voor de wortel tussen minimum en optimum.
3. De hoeveelheid groeistof die een optimale groei veroorzaakt, is voor de stengel anders dan die voor de wortel.

Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?

Plantenanatomie en -fysiologie

Processen in een aardappel.
Zie figuur A 3 van de bijlage.

Vier processen zijn:

- celstrekking,
- differentiatie,
- plasmagroei,
- specialisatie.

Welk van deze processen heeft vooral de grote lengtegroei van de stengel van de afgebeelde aardappelplant P veroorzaakt?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Een boom.
Zie figuur B 1513 van de bijlage.

In de afbeelding is een deel van een boom met takken getekend naar de situatie in december 1988. Twee delen zijn aangegeven met de letters Q en R. De boom groeit in 1989 verder zonder dat er takken afvallen. In december 1989 wordt de boom omgezaagd.

Zal één van de delen Q en R in 1989 in lengte zijn toegenomen?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Een boom.
Zie figuur B 1514 van de bijlage.

De afbeelding stelt een stuk voor van deel R na het omzagen van de boom in 1989.

Welke van de delen E, F en G zijn geheel in 1989 gevormd?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/5 Groei en ontwikkeling van planten.
Zie figuur A 366 van de bijlage.

Van het Zonneroosje komt een bepaald fenotype voor in het laagland en een ander fenotype hoog in de Alpen. Beide fenotypen zijn weergegeven in de afbeelding.
Het volgende experiment werd gedaan. Zaden van Zonneroosjes werden gezaaid hoog in de Alpen: daar ontwikkelde zich uit deze zaden een groep Zonneroosjes met het alpiene fenotype. Deze Zonneroosjes werden geplaatst in het laagland: daar ontwikkelde een deel van de planten zich tot het laagland-fenotype en een deel behield het alpiene fenotype. Er zijn tijdens het experiment geen mutaties opgetreden.

Waardoor behield een deel van deze Zonneroosjes in het laagland toch een alpien fenotype?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/5 Groei en ontwikkeling van planten.
Zie figuur A 366 van de bijlage.

Noem twee uiterlijke kenmerken waarin het laagland fenotype en het alpiene fenotype van elkaar verschillen.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/5 Groei en ontwikkeling van planten.
Zie figuur A 366 van de bijlage.

Noem vier abiotische factoren die deze verschillen in uiterlijke kenmerken kunnen veroorzaken.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

4/5 Groei en ontwikkeling van planten.
Zie figuur A 367 van de bijlage.

Planten groeien onder invloed van het groeihormoon auxine. Over de invloed van auxine werden enkele experimenten gedaan.
In experiment 1 werd de eindknop van een plant verwijderd. Vervolgens bleken de okselknoppen uit te lopen.
In experiment 2 werd ook de eindknop van een plant verwijderd. Vervolgens werd op de afgesneden stengel een agarblokje met auxine geplaatst. In experiment 2 bleken de okselknoppen niet uit te lopen (zie de afbeelding).

Geef met behulp van bovenstaande gegevens een verklaring voor de resultaten van de experimenten 1 en 2.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

5/5 Groei en ontwikkeling van planten.
Zie figuur A 367 van de bijlage.

Planten groeien onder invloed van het groeihormoon auxine. Over de invloed van auxine werden enkele experimenten gedaan.
In experiment 1 werd de eindknop van een plant verwijderd. Vervolgens bleken de okselknoppen uit te lopen.
In experiment 2 werd ook de eindknop van een plant verwijderd. Vervolgens werd op de afgesneden stengel een agarblokje met auxine geplaatst. In experiment 2 bleken de okselknoppen niet uit te lopen (zie de afbeelding).

In bovenstaande gegevens is geen controle voor experiment 2 beschreven.

Beschrijf een controle voor experiment 2. Voor dit controle-experiment heb je dezelfde materialen ter beschikking als in de experimenten 1 en 2.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Auxine.
Zie figuur B 2989 van de bijlage.

Hormonen verzorgen de communicatie tussen cellen. Het bekendste plantenhormoon is auxine. Auxine bevordert onder meer de lengtegroei van bovengrondse delen van planten.
Auxine kan zowel geïoniseerd als niet-geïoniseerd voorkomen. De molecuulstructuur van auxine, indol-3-acetyl-zuur ofwel IAA, is in de afbeelding weergegeven.
Voor de productie van auxine nemen planten, naast water, stikstofhoudende en koolstofhoudende verbindingen op.

Welke stikstofhoudende en koolstofhoudende verbindingen nemen planten hiervoor op?

afbeeldingafbeelding