Osmose
Stevigheid bij planten en dieren.
Zowel in het plantenrijk als in het dierenrijk wordt in de stevigste organen de stevigheid ontleend aan
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 4, VWO 5, VWO 6
NVON
cc-by-sa-40
Stevigheid bij planten en dieren.
Zowel in het plantenrijk als in het dierenrijk wordt in de stevigste organen de stevigheid ontleend aan
Vleermuis zijn winterslaap gestoord.
Indien een vleermuis in zijn winterslaap wordt gestoord en ontwaakt, gaat deze een ander plekje zoeken en zet daar zijn winterslaap voort.
Door deze activiteit worden de glycogeenvoorraad en de waterafgifte beïnvloed.
Op welke wijze?
afbeelding
Veldonderzoek onder koolmezen.
Bij een veldonderzoek onder koolmezen werd er een bepaald verband gevonden tussen groei, voedselconsumptie en warmteproductie bij verschillende broedselgroottes (zie tabel)
afbeelding
Over dit verband worden vier beweringen gedaan:
1. de warmteproductie per jong per uur is onafhankelijk van de broedselgrootte;
2. de groei per jong wordt nauwelijks beïnvloed door de broedselgrootte;
3. de voedselconsumptie per jong en de warmteproductie per jong per uur zijn beide gekoppeld aan de broedselgrootte;
4. de voedselconsumptie voor het gehele broedsel is onafhankelijk van de broedselgrootte.
Welke beweringen zijn juist?
-
Een kikker en een komkommer.
Een kikker en een komkommerplant worden met elkaar vergeleken. Over deze organismen worden drie uitspraken gedaan:
1. beide organismen absorberen een deel van het op hen vallende licht;
2. bij beide organismen speelt ATP een rol bij de stofwisseling;
3. bij beide organismen speelt de stofwisseling zich voor een deel in mitochondriën af.
Welke uitspraken zijn juist?
Een orgaan van de mens.
Zie figuur B 1461 van de bijlage.
De afbeelding is een schematische tekening van een deel van een orgaan van de mens.
Hierover worden de volgende uitspraken gedaan:
1. het zuurstofgehalte van het bloed in bloedvat R is hoger dan dat in bloedvat S;
2. in cel P kunnen impulsen ontstaan;
3. in deel Q komen cellen voor die ontstaan zijn uit het entoderm.
Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn juist?
afbeelding
Woestijndieren en water.
Hoe kunnen sommige woestijndieren wekenlang zonder te drinken de hoeveelheid water waarover zij beschikken vergroten ten behoeve van de uitscheiding van zouten en stofwisselingsproducten?
Een 'black box'.
Organismen kunnen wat de energiestroom betreft beschouwd worden als een "doorgangshuis", zoals in het schema is weergegeven:
afbeelding
Er kan energie worden opgenomen (Ein
) in de vorm van onder andere licht, voedsel en warmte. Er kan energie worden afgegeven (Euit
) in de vorm van onder andere afscheidingsproducten en warmte. Bij de volgende organismen wordt voor een periode van twee maanden onder de daarbij vermelde omstandigheden de energiestroom bepaald:
1. een baby die borstvoeding krijgt;
2. een beer in "winterslaap";
3. een volwassen persoon in de zomer;
4. een zonnebloemplant die hard groeit;
In een van deze gevallen is gedurende de genoemde periode Ein
ongeveer gelijk aan Euit
.
In welk geval?
Vogels.
Sommige vogels kunnen zeker 1000 km aan een stuk vliegen zonder onderweg te eten. Voordat een vogel aan zo'n vlucht begint, bestaat het lichaamsgewicht voor 40 - 50% uit vet. Tijdens de vlucht wordt de benodigde energie vooral geleverd door dissimilatie van vet. De dissimilatie van vet is voor deze vogels onder genoemde omstandigheden gunstiger dan de dissimilatie van glycogeen.
Hierover worden de volgende beweringen gedaan:
1. vet wordt alleen anaëroob gedissimileerd en glycogeen zowel aëroob als anaëroob;
2. dissimilatie van 1 gram vet levert meer energie dan dissimilatie van 1 gram glycogeen;
3. voor dissimilatie van 1 gram vet wordt minder O2
verbruikt dan voor dissimilatie van 1 gram glycogeen;
4. bij dissimilatie van 1 gram vet komt minder energie als warmte vrij en wordt minder energie vastgelegd in de vorm van ATP dan bij dissimilatie van 1 gram glycogeen.
Welke van deze beweringen is juist?
Energiebehoefte.
Zie figuur B 1676 van de bijlage.
In het diagram van de afbeelding is de energieproductie in rust, de basale energie-omzet (B.E.) weergegeven van mannen en vrouwen op verschillende leeftijden. De B.E. wordt bepaald onder gestandaardiseerde omstandigheden, waarbij de onderzochte persoon in rust verkeert bij een behaaglijke temperatuur. De energieproductie wordt uitgedrukt in kJ per m2
lichaamsoppervlak per uur.
Mannen van 30 jaar worden vergeleken met vrouwen van 30 jaar.
Er bestaan onder andere de volgende verschilpunten:
1. verschil in percentage vetweefsel: bij vrouwen gemiddeld ongeveer 25% en bij mannen gemiddeld ongeveer 12% van het totale lichaamsgewicht; het vetweefsel bevindt zich bij vrouwen vooral onder de huid;
2. verschil in O2
-gehalte per 100 ml bloed in rust: bij vrouwen gemiddeld 17,3 ml O2
/100 ml bloed, bij mannen gemiddeld 20 ml O2
/100 ml bloed.
Welk van de genoemde verschilpunten is of welke zijn mede oorzaak van het verschil in energieproductie in rust tussen een man van 30 jaar en een vrouw van 30 jaar?
-
afbeelding
Glucosefosfaat.
Alle cellen van de mens bevatten een enzym X, dat glucose en fosfaat omzet in glucosefosfaat. Glucosefosfaat kan geen celmembranen passeren. Sommige cellen van de mens bevatten ook een enzym Y, dat glucosefosfaat weer omzet in glucose en fosfaat. Deze glucose kan dan de cellen die beschikken over enzym Y, weer verlaten.
Drie typen cellen worden genoemd:
1. levercellen;
2. dekweefselcellen van de nierkanaaltjes;
3. dekweefselcellen van het darmslijmvlies.
Is het waarschijnlijk dat enzym Y in een van deze typen cellen afwezig is?
Zo ja, in welke typen cellen zal enzym Y afwezig zijn?
Glucosestofwisseling.
In de stofwisseling van organismen neemt glucose een belangrijke plaats in. Hieronder staan vier uitspraken over de stofwisseling van glucose:
1. glucose kan worden gevormd uit aminozuren;
2. glucose kan worden gevormd uit koolstofdioxide en water;
3. glucose kan worden gevormd uit melkzuur;
4. glucose kan worden omgezet in vetzuren.
Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn van toepassing op de glucosestofwisseling bij de mens?
Stoppen met zware lichamelijke inspanning.
Zie figuur B 700 van de bijlage.
Gedurende vijf kwartier werd bij een proefpersoon het aantal hartslagen per minuut bepaald.
De resultaten zijn uitgezet in het diagram.
Op een bepaald moment stopte de proefpersoon met een zware lichamelijke inspanning.
In welk kwartier stopte hij waarschijnlijk daarmee?
afbeelding
Temperatuur water en rugspieren van een tonijn.
Zie figuur B 289 van de bijlage.
In het diagram is het verband weergegeven tussen de temperatuur van het water en die van de rugspieren van een tonijn (een vis).
De volgende beweringen worden gedaan:
1. de temperatuur van de rugspieren van de tonijn wordt beïnvloed door de omgevingstemperatuur;
2. de afkoeling van de rugspieren wordt in zekere mate tegengegaan;
3. bij een watertemperatuur van 10°C is de warmte-afgifte kleiner dan bij een watertemperatuur van 20°C.
Welke beweringen zijn op grond van het diagram juist?
afbeelding
Aanpassingen van een ijsbeer.
Een van de aanpassingen van een ijsbeer aan het leven in het poolgebied is de lichte kleur van zijn vacht.
Als voordelen die deze vachtkleur hem biedt worden genoemd:
1. als de beer op jacht is, valt deze niet erg op,
2. door de lichte vachtkleur koelt de beer niet zo sterk af door uitstraling.
3. door de lichte vachtkleur kan de beer goed van de zonnewarmte profiteren.
Welk(e) daarvan is(zijn) juist?
Energieverbruik bij dieren.
Zowel bij koudbloedige als bij warmbloedige dieren varieert het energieverbruik in de loop van het jaar.
Het energieverbruik is relatief hoog bij
Temperatuur en zuurstof.
Aangenomen wordt dat een zeehond en een kikker zich elk in water van 10°C bevinden, waarvan de temperatuur in vrij korte tijd tot 20°C stijgt. Bovendien wordt aangenomen dat beide dieren voor, gedurende en na de temperatuurstijging in rust zijn.
Van welk dier stijgt de lichaamstemperatuur gedurende de temperatuurverhoging van het water het meest?
Welk dier verbruikt bij een watertemperatuur van 20°C meer zuurstof dan bij een watertemperatuur van 10°C?
afbeelding
Energieverbruik bij dieren.
Zowel bij koudbloedige als bij warmbloedige dieren verandert het energieverbruik in de loop van het jaar.
Het energieverbruik is hoog bij
Zeehond en een kikker vergeleken.
Aangenomen wordt dat een zeehond en een kikker zich elk in water van 10°C bevinden, waarvan de temperatuur in vrij korte tijd tot 20°C stijgt.
Bovendien wordt aangenomen dat beide dieren voor, gedurende en na de temperatuurstijging in rust zijn.
Van welk dier stijgt de lichaamstemperatuur gedurende de temperatuurverhoging van het water het meest?
Welk dier heeft bij een watertemperatuur van 10°C een hoger zuurstofverbruik dan bij een watertemperatuur van 20°C?
afbeelding
Minder licht en voedsel.
Veel dieren kunnen in volledige duisternis geen voedsel vinden, zodat ze bij korte daglengte kunnen verhongeren.
In een experiment wordt bij een temperatuur van 20°C geleidelijk het aantal uren licht per etmaal verminderd.
Welke van de volgende categorieën van dieren zal het eerst verschijnselen van voedselgebrek vertonen?
Dieren in poolgebieden.
In poolgebieden leven bepaalde diersoorten met een constante lichaamstemperatuur.
Bij deze dieren komen aanpassingen voor waardoor zij hun lichaamstemperatuur op peil kunnen houden en in het poolklimaat kunnen overleven.
Er worden de volgende beweringen gedaan over het quotiënt van lichaamsoppervlak en lichaamsvolume (= O/V) van deze dieren in relatie tot hun lichaamsgewicht.
1. Deze dieren overleven in poolgebieden wanneer hun lichaamsgewicht laag is en het quotiënt O/V klein.
2. Deze dieren overleven in poolgebieden wanneer hun lichaamsgewicht laag is en het quotiënt O/V groot.
3. Deze dieren overleven in poolgebieden wanneer hun lichaamsgewicht hoog is en het quotiënt O/V klein.
4. Deze dieren overleven in poolgebieden wanneer hun lichaamsgewicht hoog is en het quotiënt O/V groot.
Welke van deze beweringen is juist?