Oefentoets Biologie: Ecologie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 25

Deze digitale toets richt zich op de prooi-predatorrelaties, visstandbeheer en ecosysteeminteracties, en is bedoeld voor studenten biologie en milieuwetenschappen die hun kennis over ecologische principes en populatiedynamiek willen toetsen. - 20 vragen

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Prooi-predatorrelaties en visstandbeheer

1/2 Visstand verbeteren.
Zie de figuren B 5216 en B 5217 van de bijlage.

Hoe meer prooidieren, hoe meer predatoren die daar van leven, zegt het aloude prooi-predatormodel. Dit hoeft echter niet waar te zijn. Bij veel vissoorten geldt dat als er minder prooidieren zijn, de overgebleven prooidieren veel sneller groeien. Dit leidt tot meer seksueel volwassen dieren wat weer leidt tot meer jonge dieren. En daar hebben predatoren vaak een voorkeur voor. Paradoxaal genoeg leidt het eten van prooidieren dus tot een toename van het aantal (gewenste) prooidieren. Als er nu teveel predatoren worden weggevangen (overbevissing), gebeurt het tegenovergestelde en zal het aantal prooidieren afnemen. Lennart Persson van de universiteit van Umeå in Noord-Zweden (zie afbeelding 1) heeft dit bewezen in een 26 jaar durend onderzoek bij vissen.
Afbeelding 2 geeft vier verschillende modellen voor een prooi-predatorrelatie, aangegeven met de letters a t/m d: + betekent toename en - betekent afname.

Welke van nevenstaande grafieken geeft de prooi-predatorrelatie weer die in de tekst aangegeven wordt met "het aloude prooi-predatormodel"?
Dat is model

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Visstand en terugkoppeling in ecosystemen

2/2 Visstand verbeteren.
Zie figuur B 5217 van de bijlage.

Is dit "oude" model een voorbeeld van negatieve of van positieve terugkoppeling?

Van terugkoppeling.

En wat is in eerste instantie de door Persson aangetoonde relatie?

Een terugkoppeling.

afbeeldingafbeelding

Vergelijking van mulitapopulaties

1/3 Mulita's.
Zie figuur B 5218 van de bijlage.

Een groep onderzoekers wil de populatiegrootte van mulita's (zie afbeelding hiernaast) op een grote grasvlakte en een uitgestrekte plantage met maïs met elkaar vergelijken. Er werden 130 dieren gevangen in beide gebieden. Zij werden allemaal gemerkt en weer losgelaten. Enige tijd later werd een nieuwe vangst gedaan. Op de maïsakker was van de 125 dieren 72% gemerkt. Van de grasvlakte was van 144 dieren 45% dieren gemerkt.

- In welk gebied (grasvlakte of maïsakker) was de populatie mulita's het grootst?

In de [invulveld].

- Hoe groot was deze populatie ongeveer (afgerond op een geheel getal)?

Ongeveer [invulveld].

afbeeldingafbeelding

Voedselweb en rol van de mulita

2/3 Mulita's.
Zie figuur B 5219 van de bijlage.

Nevenstaand diagram laat een voedselweb zien met de mulita, het gordeldier. De cijfers geven andere soorten aan en de pijlen laten de energiestroom zien.

De mulita is een .

afbeeldingafbeelding

Voedselketens en Mulita's

3/3 Mulita's.
Zie figuur B 5219 van de bijlage.

Welke lange voedselketen is juist?

.

afbeeldingafbeelding

Trofische cascade en ecosysteemverandering

Poema (Puma concolor).
Zie de figuren B 5220 en B 5221 van de bijlage.

Het effect dat poema’s (zie afbeelding 1) in Zion National Park (NP) hebben, is uitgebreid bestudeerd (Ripple & Beschta, 2006). Er blijkt door poema’s een zogenaamde trofische cascade in werking gesteld te zijn.
Bezoekersaantallen zijn toegenomen sinds het park is opengesteld.
Muildierherten komen op opengestelde plekken meer voor dan op gesloten plekken. Muildierherten eten jonge populieren die langs de kant van de beek groeien. Door gebrek aan jonge bomen langs de beek verandert de vorm van de beek (verhouding breedte/diepte). In afbeelding 2 wordt deze trofische cascade weergegeven.

Kies het juiste woord bij de zinnen I t/m IV.
I. Door het openstellen van het park zijn er poema’s.
II. Hierdoor zijn er muildierherten.
III. Daardoor komen er populieren langs beken.
IV. Hierdoor worden de beken .

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Relaties tussen mariene ecosystemen

1/2 Vissen.
Zie figuur B 5222 van de bijlage.

Marieke Verweij deed in en rond het Spaanse Water bij Curaçao onderzoek naar interacties tussen koraalriffen, mangroves en zeegrasvelden.

Naar welk type relaties deed Verweij onderzoek?

Naar relaties tussen .

afbeeldingafbeelding

Voordelen van de kraamkamer voor vissen

2/2 Vissen.
Zie figuur B 5223 van de bijlage.

Verweij ontdekte dat jonge gemerkte schoolmeester snappervissen (Lutjanus apodus, zie afbeelding) zich naarmate zij naar volwassenheid groeiden, verplaatsten van hun 'kraamkamer' in mangroves naar het koraalrif.

Welk aantrekkelijk aspect heeft de 'kraamkamer' voor deze vissen?

afbeeldingafbeelding

Oorzaken van het uitsterven van de eikelmuis

Eikelmuis.
Zie figuur B 5224 van de bijlage.

De eikelmuis is in de Rode Lijst van 2006 als ernstig bedreigd opgenomen. Er is op zeer korte termijn actie noodzakelijk om de eikelmuizen voor uitsterven in Nederland te behoeden.
Wetenschappers pleiten voor het behoud en uitbreiding van kleine landschapselementen. Dat zijn o.a. boomgaarden, volkstuintjes en soortenrijke bosranden. De eikelmuizen worden door hun leefwijze in deze landschapselementen ook wel 'fruitdiefjes' genoemd. Eikelmuizen zijn kwetsbaar door het feit dat de dieren zeven maanden per jaar grotendeels slapend doorbrengen. Naast de effecten van de grootschalige ruilverkaveling vanaf 1979 zijn ook de zachte winters een oorzaak van het bijna uitsterven van de eikelmuis in Zuid-Limburg.
Over de zachte winters als oorzaak van het bijna uitsterven van de eikelmuis in Nederland worden vier uitspraken gedaan.

Welke uitspraak is juist?

afbeeldingafbeelding

Levenscyclus van de 17-jaarskever

De 17-jaarskever.

De 17-jaarskever heeft een vreemde levenscyclus. De larven leven 17 jaar ondergronds, waarna ze allemaal tegelijk verpoppen en uitkomen. Een van de vragen daarbij is: "Waardoor een cyclus van -nota bene- 17 jaar?"
Enkele uitspraken hierover zijn:

1. Deze cyclus ligt vast in het erfelijk materiaal van de kevers.
2. Deze cyclus wordt van ouders op jongen via een leerproces doorgegeven.
3. Deze cyclus is evolutionair gezien gunstig, want de kans dat een predator specialiseert en dezelfde cyclus krijgt, is minimaal.
4. Alle 17-jaarskevers hebben waarschijnlijk een gemeenschappelijke voorouder.

Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn juist?

Invloed van omgevingsfactoren op kreeftjes

Pekelkreeftjes.

Het pekelkreeftje (soort P) komt over de gehele wereld voor bij rotskusten in poeltjes stilstaand zeewater op de stenen. Een ander soort kreeftje (soort Q) komt alleen voor in de Waddenzee, in de Dollard en in de rivier de Eems.

Twee mogelijke beperkende factoren voor het ontwikkelen van een grote populatie kreeftjes zijn:

1. schommelingen in de temperatuur van de omgeving;
2. het gehalte aan organische stoffen in het water.

- Welk kreeftje zal vaker de invloed van beperkende factor 1 ondervinden?

Dat is soort .

- En welk kreeftje zal vaker de invloed van beperkende factor 2 ondervinden?

Dat is soort .

Invloed van Begrazing op Kweldervegetatie

Kweldervegetatie.
Zie figuur A 470 van de bijlage.

Er is onderzoek gedaan naar de primaire productie van natuurlijke kweldervegetaties op Terschelling en Schiermonnikoog. Daarbij is ook nagegaan welke de invloed is van begrazing op de plantaardige biomassa.
Door een omheining te plaatsen wordt een gebied afgesloten en daardoor beschermd tegen konijnenvraat. De netto primaire productie blijkt op zo’n terrein dan 10 ton/ha te zijn.
De figuur geeft een beeld van de bovengrondse biomassa in natuurlijk open terrein (aangeduid als: open veld, ongestoord), in afgesloten terrein (aangeduid als: omheind, ongestoord) en in afgesloten terrein waarin werd bemest en drie maal gemaaid (aangeduid als: omheind, voorgemaaid, bemest en bij ¯ gemaaid).
Naar aanleiding van deze gegevens worden drie beweringen gedaan over deze kweldervegetatie:

1. In natuurlijk, omheind ongestoord terrein is, over een jaar genomen, de ondergrondse biomassa groter dan de bovengrondse biomassa.
2. In natuurlijk, omheind, ongestoord terrein is de bruto primaire productie ongeveer 1½ maal groter dan de netto primaire productie.
3. De totale bovengrondse productie in omheind gebied is na bemesten (en drie maal maaien) bijna 2½ maal zo groot als zonder bemesten (en dan ook zonder maaien).

Kruis het nummer of de nummers van de bewering(en) die hij op grond van de gegevens kan doen.

afbeeldingafbeelding

Optimale pH voor Grote Waterzuring en Vlinders

Vlinders.

In de tabel hieronder is de invloed van de pH op de Grote Waterzuring en op de groei van de Grote Vuurvlinder in laboratoriumomstandigheden gegeven. De Grote Waterzuring is de voedselplant voor de rups van de Grote Vuurvlinder. Van de Grote Waterzuring is gegeven de groei (maximale groei is 100%) en de stikstof- en watergehaltes van jonge en oude bladeren. Van de Grote Vuurvlinder is het gewicht van de poppen (waaruit de vlinders komen) gegeven.
afbeeldingafbeelding

Wat is volgens bovenstaande gegevens de optimale pH voor de groei van de Grote Waterzuring in verband met het voortplantingssucces van de Grote Vuurvlinder?

Verklaringen voor afwijkende stikstofgehaltes

Weerribben.
Zie figuur B 7144 van de bijlage.

In de tabel hieronder zijn gemiddelde waarden gegeven van een aantal kenmerken van de Weerribben, een natuurgebied in Nederland. Gegevens zijn uitgedrukt op de zogenoemde Ellenberg-schaal volgens welke planten worden ingedeeld als indicatorplanten voor bepaalde milieufactoren.
afbeeldingafbeelding

Op deze schaal krijgen sterk zuurminnende planten de waarde 1, sterk basisch minnende planten de waarde 9 en daartussen liggen de waarden voor steeds minder zuur en meer basisch.
Op deze schaal krijgen sterk droogte minnende planten de waarde 1, onderwaterplanten de waarde 12 en daartussen liggen de waarden voor steeds minder droge bodem.
Op de schaal krijgen planten die groeien op zeer stikstofarme bodem de waarde 1, planten die groeien op een zeer stikstofrijke bodem de waarde 9 en daartussen liggen de waarden voor steeds meer stikstof in de bodem.
De gegevens met betrekking tot de stikstofgehaltes in de tabel hieronder en die hiernaast komen niet overeen. Mogelijke verklaringen daarvoor zijn:
1. De tabel hiernaast bevat cijfers van metingen aan planten in het laboratorium, de tabel hieronder bevat gemiddelde waarden in de natuur.
2. De stikstofgehaltes in oude en jonge bladeren zijn in de tabel hiernaast gescheiden weergegeven en in de tabel hieronder niet.

Welk van deze verklaringen kan of welke kunnen juist zijn?

afbeeldingafbeelding

Relaties tussen Planten en Vogelsoorten

Relatie.

Welke relatie is er tussen respectievelijk weideplanten en vogels en de twee vogelsoorten onderling?

Concurrentie tussen vinkensoorten op eiland

Competitie.

Twee zaadetende vinkensoorten leven op dezelfde eilandengroep. Soort P heeft een grote stevige bek en eet vooral zaden tussen de 10 en 50 mm. Soort Q heeft een kleinere bek en eet alleen zaden tussen 2 en 20 mm.
Men onderscheidt interspecifieke concurrentie (tussen verschillende soorten) en intraspecifieke concurrentie (binnen de eigen soort).
Op een van de eilanden varieren de zaden in grootte tussen de 10 en 30 mm.

Is op dit eiland bij de vinkenpopulaties alleen sprake van interspecifieke concurrentie, van intraspecifieke concurrentie of van beide?

Er is sprake van .

Voederconversie in de bio-industrie

Bio-industrie.

In de bio-industrie is de voederconversie van een groep dieren in een stal een belangrijk gegeven.
Een manier om de voederconversie weer te geven is de voedselopname (in kg) per dier gedeeld door de gewichtstoename (in kg).

Kies het nummer van de juiste bewering of de nummers van de juiste beweringen over deze voederconversie.

1. Bij een optimale stal kan een voederconversie gelijk aan 1 worden bereikt.
2. De voederconversie is afhankelijk van het eiwitgehalte van het voer dat de dieren in een stal krijgen.
3. Tegen de tijd dat dieren op stal volwassen worden, stijgt de waarde van de voederconversie.
4. De voederconversie is een grootheid zonder eenheid.
5. Bij varkens die vooral ten behoeve van vet spek worden gehouden, is bij gelijke stalcondities de voederconversie een groter getal dan bij varkens die ten behoeve van mager vlees worden gehouden.

Osmose en huidmondjes in kustplanten

Weiland langs de kust.

Een deel (A) van een weiland langs de kust van de Waddenzee wordt regelmatig overstroomd met zeewater. Een ander deel (B) van het weiland wordt door een dijkje beschermd tegen overstroming.
Over deel A en deel B van het weiland worden de volgende beweringen gedaan:

1. De osmotische waarde van de cellen van de kruidachtige planten in deel A is lager dan de osmotische waarde van de cellen van de kruidachtige planten in deel B.
2. Gemiddeld zal het aantal huidmondjes per cm2 bladoppervlak bij de planten in deel A groter zijn dan dat aantal in B.
3. Zowel in deel A als in deel B komen bloeiende planten voor.

Kruis het nummer van de juiste bewering of de nummers van de juiste beweringen aan.

Oorzaken van gewichtstoename bij ganzen

1/2 Ganzen.
Zie figuur B 5225 van de bijlage.

Bij de ganzenfokkerij wordt een bepaald voedingsmengsel gebruikt dat alle noodzakelijke voedingsstoffen bevat voor een optimale groei van de ganzen. In een onderzoek volgde men die groei door ganzen dit voedingsmiddel toe te dienen en hen regelmatig te wegen. Tegelijkertijd werd steeds de totale hoeveelheid opgenomen voedingsmengsel gemeten. De resultaten van dit onderzoek zijn weergegeven in de tabel hieronder.
afbeeldingafbeelding
De energie-inhoud van een gans is gemiddeld 800 kJ/100 g gans.
Slechts een deel van het voedsel wordt gebruikt voor de gewichtstoename.
Drie mogelijke oorzaken hiervan zijn:
1. de ganzen verbranden een deel;
2. de ganzen poepen een onverteerd deel uit;
3. de ganzen benutten een deel bij de vorming van eieren.

Welk van deze drie oorzaken is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Energieomzetting bij Ganzen

2/2 Ganzen.

afbeeldingafbeelding

Hoeveel % van het opgenomen voedsel wordt in de periode van dag 9 tot dag 12 omgezet in biomassa gans? Geef je antwoord afgerond op één decimaal.