Prooi-predatorrelaties en visstandbeheer
1/2 Visstand verbeteren.
Zie de figuren B 5216 en B 5217 van de bijlage.
Hoe meer prooidieren, hoe meer predatoren die daar van leven, zegt het aloude prooi-predatormodel. Dit hoeft echter niet waar te zijn. Bij veel vissoorten geldt dat als er minder prooidieren zijn, de overgebleven prooidieren veel sneller groeien. Dit leidt tot meer seksueel volwassen dieren wat weer leidt tot meer jonge dieren. En daar hebben predatoren vaak een voorkeur voor. Paradoxaal genoeg leidt het eten van prooidieren dus tot een toename van het aantal (gewenste) prooidieren. Als er nu teveel predatoren worden weggevangen (overbevissing), gebeurt het tegenovergestelde en zal het aantal prooidieren afnemen. Lennart Persson van de universiteit van Umeå in Noord-Zweden (zie afbeelding 1) heeft dit bewezen in een 26 jaar durend onderzoek bij vissen.
Afbeelding 2 geeft vier verschillende modellen voor een prooi-predatorrelatie, aangegeven met de letters a t/m d: + betekent toename en - betekent afname.
Welke van nevenstaande grafieken geeft de prooi-predatorrelatie weer die in de tekst aangegeven wordt met "het aloude prooi-predatormodel"?
Dat is model
afbeelding
afbeelding












