Oefentoets Biologie: Ecologie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 25

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

1/3 Mulita's.
Zie figuur B 5218 van de bijlage.

Een groep onderzoekers wil de populatiegrootte van mulita's (zie afbeelding hiernaast) op een grote grasvlakte en een uitgestrekte plantage met maïs met elkaar vergelijken. Er werden 130 dieren gevangen in beide gebieden. Zij werden allemaal gemerkt en weer losgelaten. Enige tijd later werd een nieuwe vangst gedaan. Op de maïsakker was van de 125 dieren 72% gemerkt. Van de grasvlakte was van 144 dieren 45% dieren gemerkt.

- In welk gebied (grasvlakte of maïsakker) was de populatie mulita's het grootst?

In de [invulveld].

- Hoe groot was deze populatie ongeveer (afgerond op een geheel getal)?

Ongeveer [invulveld].

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Vissen.
Zie figuur B 5223 van de bijlage.

Verweij ontdekte dat jonge gemerkte schoolmeester snappervissen (Lutjanus apodus, zie afbeelding) zich naarmate zij naar volwassenheid groeiden, verplaatsten van hun 'kraamkamer' in mangroves naar het koraalrif.

Welk aantrekkelijk aspect heeft de 'kraamkamer' voor deze vissen?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Eikelmuis.
Zie figuur B 5224 van de bijlage.

De eikelmuis is in de Rode Lijst van 2006 als ernstig bedreigd opgenomen. Er is op zeer korte termijn actie noodzakelijk om de eikelmuizen voor uitsterven in Nederland te behoeden.
Wetenschappers pleiten voor het behoud en uitbreiding van kleine landschapselementen. Dat zijn o.a. boomgaarden, volkstuintjes en soortenrijke bosranden. De eikelmuizen worden door hun leefwijze in deze landschapselementen ook wel 'fruitdiefjes' genoemd. Eikelmuizen zijn kwetsbaar door het feit dat de dieren zeven maanden per jaar grotendeels slapend doorbrengen. Naast de effecten van de grootschalige ruilverkaveling vanaf 1979 zijn ook de zachte winters een oorzaak van het bijna uitsterven van de eikelmuis in Zuid-Limburg.
Over de zachte winters als oorzaak van het bijna uitsterven van de eikelmuis in Nederland worden vier uitspraken gedaan.

Welke uitspraak is juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

De 17-jaarskever.

De 17-jaarskever heeft een vreemde levenscyclus. De larven leven 17 jaar ondergronds, waarna ze allemaal tegelijk verpoppen en uitkomen. Een van de vragen daarbij is: "Waardoor een cyclus van -nota bene- 17 jaar?"
Enkele uitspraken hierover zijn:

1. Deze cyclus ligt vast in het erfelijk materiaal van de kevers.
2. Deze cyclus wordt van ouders op jongen via een leerproces doorgegeven.
3. Deze cyclus is evolutionair gezien gunstig, want de kans dat een predator specialiseert en dezelfde cyclus krijgt, is minimaal.
4. Alle 17-jaarskevers hebben waarschijnlijk een gemeenschappelijke voorouder.

Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn juist?

Ecologie

Kweldervegetatie.
Zie figuur A 470 van de bijlage.

Er is onderzoek gedaan naar de primaire productie van natuurlijke kweldervegetaties op Terschelling en Schiermonnikoog. Daarbij is ook nagegaan welke de invloed is van begrazing op de plantaardige biomassa.
Door een omheining te plaatsen wordt een gebied afgesloten en daardoor beschermd tegen konijnenvraat. De netto primaire productie blijkt op zo’n terrein dan 10 ton/ha te zijn.
De figuur geeft een beeld van de bovengrondse biomassa in natuurlijk open terrein (aangeduid als: open veld, ongestoord), in afgesloten terrein (aangeduid als: omheind, ongestoord) en in afgesloten terrein waarin werd bemest en drie maal gemaaid (aangeduid als: omheind, voorgemaaid, bemest en bij ¯ gemaaid).
Naar aanleiding van deze gegevens worden drie beweringen gedaan over deze kweldervegetatie:

1. In natuurlijk, omheind ongestoord terrein is, over een jaar genomen, de ondergrondse biomassa groter dan de bovengrondse biomassa.
2. In natuurlijk, omheind, ongestoord terrein is de bruto primaire productie ongeveer 1½ maal groter dan de netto primaire productie.
3. De totale bovengrondse productie in omheind gebied is na bemesten (en drie maal maaien) bijna 2½ maal zo groot als zonder bemesten (en dan ook zonder maaien).

Kruis het nummer of de nummers van de bewering(en) die hij op grond van de gegevens kan doen.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Weerribben.
Zie figuur B 7144 van de bijlage.

In de tabel hieronder zijn gemiddelde waarden gegeven van een aantal kenmerken van de Weerribben, een natuurgebied in Nederland. Gegevens zijn uitgedrukt op de zogenoemde Ellenberg-schaal volgens welke planten worden ingedeeld als indicatorplanten voor bepaalde milieufactoren.
afbeeldingafbeelding

Op deze schaal krijgen sterk zuurminnende planten de waarde 1, sterk basisch minnende planten de waarde 9 en daartussen liggen de waarden voor steeds minder zuur en meer basisch.
Op deze schaal krijgen sterk droogte minnende planten de waarde 1, onderwaterplanten de waarde 12 en daartussen liggen de waarden voor steeds minder droge bodem.
Op de schaal krijgen planten die groeien op zeer stikstofarme bodem de waarde 1, planten die groeien op een zeer stikstofrijke bodem de waarde 9 en daartussen liggen de waarden voor steeds meer stikstof in de bodem.
De gegevens met betrekking tot de stikstofgehaltes in de tabel hieronder en die hiernaast komen niet overeen. Mogelijke verklaringen daarvoor zijn:
1. De tabel hiernaast bevat cijfers van metingen aan planten in het laboratorium, de tabel hieronder bevat gemiddelde waarden in de natuur.
2. De stikstofgehaltes in oude en jonge bladeren zijn in de tabel hiernaast gescheiden weergegeven en in de tabel hieronder niet.

Welk van deze verklaringen kan of welke kunnen juist zijn?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Relatie.

Welke relatie is er tussen respectievelijk weideplanten en vogels en de twee vogelsoorten onderling?

Ecologie

Bio-industrie.

In de bio-industrie is de voederconversie van een groep dieren in een stal een belangrijk gegeven.
Een manier om de voederconversie weer te geven is de voedselopname (in kg) per dier gedeeld door de gewichtstoename (in kg).

Kies het nummer van de juiste bewering of de nummers van de juiste beweringen over deze voederconversie.

1. Bij een optimale stal kan een voederconversie gelijk aan 1 worden bereikt.
2. De voederconversie is afhankelijk van het eiwitgehalte van het voer dat de dieren in een stal krijgen.
3. Tegen de tijd dat dieren op stal volwassen worden, stijgt de waarde van de voederconversie.
4. De voederconversie is een grootheid zonder eenheid.
5. Bij varkens die vooral ten behoeve van vet spek worden gehouden, is bij gelijke stalcondities de voederconversie een groter getal dan bij varkens die ten behoeve van mager vlees worden gehouden.

Ecologie

Weiland langs de kust.

Een deel (A) van een weiland langs de kust van de Waddenzee wordt regelmatig overstroomd met zeewater. Een ander deel (B) van het weiland wordt door een dijkje beschermd tegen overstroming.
Over deel A en deel B van het weiland worden de volgende beweringen gedaan:

1. De osmotische waarde van de cellen van de kruidachtige planten in deel A is lager dan de osmotische waarde van de cellen van de kruidachtige planten in deel B.
2. Gemiddeld zal het aantal huidmondjes per cm2 bladoppervlak bij de planten in deel A groter zijn dan dat aantal in B.
3. Zowel in deel A als in deel B komen bloeiende planten voor.

Kruis het nummer van de juiste bewering of de nummers van de juiste beweringen aan.

Ecologie

1/2 Ganzen.
Zie figuur B 5225 van de bijlage.

Bij de ganzenfokkerij wordt een bepaald voedingsmengsel gebruikt dat alle noodzakelijke voedingsstoffen bevat voor een optimale groei van de ganzen. In een onderzoek volgde men die groei door ganzen dit voedingsmiddel toe te dienen en hen regelmatig te wegen. Tegelijkertijd werd steeds de totale hoeveelheid opgenomen voedingsmengsel gemeten. De resultaten van dit onderzoek zijn weergegeven in de tabel hieronder.
afbeeldingafbeelding
De energie-inhoud van een gans is gemiddeld 800 kJ/100 g gans.
Slechts een deel van het voedsel wordt gebruikt voor de gewichtstoename.
Drie mogelijke oorzaken hiervan zijn:
1. de ganzen verbranden een deel;
2. de ganzen poepen een onverteerd deel uit;
3. de ganzen benutten een deel bij de vorming van eieren.

Welk van deze drie oorzaken is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Ganzen.

afbeeldingafbeelding

Hoeveel % van het opgenomen voedsel wordt in de periode van dag 9 tot dag 12 omgezet in biomassa gans? Geef je antwoord afgerond op één decimaal.