Oefentoets Biologie: Voortplanting | HAVO 4/HAVO 5 | variant 5

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voortplanting

Aardappelplanten uit knollen.

Aardappelplanten worden meestal geteeld uit knollen in plaats van uit zaden

Voortplanting

Voortplantingsstadia bij vier organismen.
Zie figuur B 658 van de bijlage.

In de figuur staan van vier organismen, van links naar rechts, enkele elkaar opeenvolgende voortplantingsstadia aangegeven.

Ongeslachtelijke voortplanting wordt afgebeeld in

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Zaadplanten met ongeslachtelijke voortplanting.

Bij bepaalde zaadplanten ontstaan nakomelingen door ongeslachtelijke voortplanting uit één individu. Er treden geen mutaties op.

Welke van onderstaande uitspraken over de fenotypen en genotypen van deze nakomelingen is juist?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Kruisingen met suikerriet.

Een bepaald ras van suikerriet levert veel suiker op, maar is erg vatbaar voor ziekten. Een ander ras van suikerriet levert minder suiker op, maar is veel minder vatbaar voor ziekten. Beide rassen worden met elkaar gekruist. De nakomelingen leveren alle veel suiker op en zijn goed bestand tegen ziekten.

Hoe moeten deze planten verder worden gekweekt om zoveel mogelijk te profiteren van deze gunstige combinatie van eigenschappen?

Voortplanting

Een plant met een uitloper.
Zie figuur B 22 van de bijlage.

De tekening stelt een uitloper van een plant voor. Op de plaatsen 1 en 2 wordt de stengel doorgesneden. De delen P en Q ontwikkelen zich tot zelfstandige planten. Aangenomen wordt dat er geen mutaties optreden.

Is dit een voorbeeld van geslachtelijke of van een ongeslachtelijke voortplanting?
Hebben P en Q hetzelfde genotype?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Kruisbestuiving.

Bij kruisbestuiving is het stuifmeel - dat tot bevruchting leidt - afkomstig van

Voortplanting

Een stuifmeelkorrel in een bepaald ontwikkelingsstadium.
Zie figuur B 356 van de bijlage.

In de tekening is een stuifmeelkorrel afgebeeld in een bepaald ontwikkelingsstadium.

Wordt dit stadium vóór of ná de bestuiving aangetroffen?
Bedraagt in dit stadium het aantal kernen dat zich erin bevindt, 1 of meer?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Een peul met zes zaden.

In een bepaalde peul bevinden zich zes zaden.

Hoeveel stuifmeelbuizen zijn er minstens gegroeid door de stijl van de stamper waaruit deze peul is ontstaan?

Voortplanting

Kruisbestuiving.

Een bloem van een plant wordt door middel van kruisbestuiving bestoven.
Er volgt bevruchting.

Is het stuifmeel waarmee dit gebeurde afkomstig van een bloem van dezelfde plant, of van een bloem van een andere plant van dezelfde soort?
Hoeveel kernen uit de stuifmeelkorrel versmelten met kernen in een zaadbeginsel?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Rafflesia arnoldii.
zie figuur B 448 van de bijlage

Voor zover bekend is Rafflesia arnoldii de plantensoort met de grootste bloemen ter wereld. De plant bestaat uit kleine, dunne draden in de wortels van een gastheerplant. Op de wortels van de gastheerplant vormt Rafflesia jaarlijks één bloemknop. Na het uitkomen bloeit de bloem slechts één dag. De rode bloem heeft een diameter van ongeveer 1 meter en verspreidt een doordringende geur van rottend vlees. In een bloem worden òf stuifmeelkorrels òf eicellen gevormd.

Welke vorm van bestuiving kan bij Rafflesia arnoldii optreden?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Bestuiving bij sleutelbloemen.
Zie figuur B 446 van de bijlage.

Bij een sleutelbloemsoort komen twee typen planten voor. De bloemen van planten van type 1 hebben andere stempels, een andere stijl en andere stuifmeelkorrels dan de bloemen van type 2.
De stempels en stuifmeelkorrels zijn sterk vergroot schematisch weergegeven. Het verschil in bouw van de bloemen heeft invloed op de bestuiving. De kleine stuifmeelkorrels van type 2 passen tussen de uitsteeksels van de stempels van type 1 en 2, de grote stuifmeelkorrels van type 1 passen alleen tussen de uitsteeksels van een stempel van type 2.

Wordt door de speciale bouw van de bloemen bij deze sleutelbloemsoort modificatie, selectie of kruisbestuiving bevorderd?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Appels.
Zie figuur A 153 van de bijlage.

Bij bepaalde appelrassen kan een stuifmeelkorrel die op de stempel van een bloem van dezelfde boom valt, geen stuifmeelbuis vormen. Het gevolg hiervan is dat zo'n appelboom, wanneer hij alleen staat, geen appels vormt.

Om van een alleenstaande appelboom toch appels te krijgen, zijn exemplaren in de handel gebracht waarbij takken van twee verschillende appelrassen (ras l en ras 2) door middel van enten op een gemeenschappelijke onderstam zijn geplaatst. Van beide rassen wordt in dat geval een goede oogst verkregen. Er wordt aangenomen dat geen mutaties optreden.

Hoeveel verschillende genotypen kunnen voorkomen in de celkernen die aanwezig zijn in de alleenstaande boom en in de appels, zoals is weergegeven in figuur A 153?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Bloeiende planten.
Zie figuur B 659 van de bijlage.


In de figuur staan drie bloeiende planten afgebeeld.
Met pijltjes (I, II en III) wordt aangegeven in welke richting stuifmeel wordt overgebracht.

Kruisbestuiving wordt voorgesteld door

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Bestuiving met insecten.

Bij een bloem die uitsluitend via insecten bestoven wordt, kan men verwachten dat

Voortplanting

Bestuiving voltooid.

Bij bloemen is de bestuiving voltooid als

Voortplanting

De inhoud van één stuifmeelbuis.

Hoeveel eicellen worden bij bedektzadigen door de inhoud van één stuifmeelbuis bevrucht?

Voortplanting

Een zaadplant met vruchten na kruisbestuiving.
Zie figuur B 2495 van de bijlage.

De figuur stelt voor een zaadplant met vruchten die zijn ontstaan na kruisbestuiving.

Is het waarschijnlijk dat in een vrucht (1) cellen voorkomen met allelen die niet in de cellen van een blad (3) voorkomen?
Is het waarschijnlijk dat in een stengel (2) cellen voorkomen met allelen die niet in de cellen van een blad (3) voorkomen?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Een vrucht met acht zaden.

Een vrucht bevat acht zaden. Er wordt beweerd dat deze vrucht kan zijn ontstaan uit een vruchtbeginsel met:

1. één zaadknop met acht eicellen;
2. twee zaadknoppen met elk vier eicellen;
3. vier zaadknoppen met elk twee eicellen;
4. tien zaadknoppen met elk één eicel.

Welke van de vier ontstaanswijzen kan of kunnen juist zijn?

Voortplanting

Een zaad.

Wat bevindt zich in een zaad?

Voortplanting

Een jong zaadje.
Zie figuur B 49 van de bijlage.

De afbeelding toont een doorsnede van een deel van een bloem, enige tijd nadat daarin een bevruchting en het begin van de ontwikkeling van het embryo heeft plaatsgevonden.

Op welke van de aangegeven plaatsen bevinden zich in de celkernen genen uit de stuifmeelkorrel die voor deze bevruchting heeft gezorgd?

afbeeldingafbeelding