Ecologie
4/5 De Kleine zwaan en het Schedefonteinkruid.
Zie afbeelding B 4502 van de bijlage.
Om de ondergrondse tubers te bereiken, trappelen de Kleine zwanen met hun poten grote kuilen in de bodem, waarna ze met de snavel er de tubers uit halen (zie de afbeelding). Een door Kleine zwanen bezocht fonteinkruidveld wordt zo volledig omgeploegd. Toch wordt op dezelfde plek ieder jaar opnieuw weer volop fonteinkruid aangetroffen. Dit omploegen schaadt een populatie Schedefonteinkruid blijkbaar niet. Eén tuber kan per groeiseizoen liefst 22 nieuwe tubers vormen. Op plekken waar ieder jaar zwanen grazen, maakt Schedefonteinkruid grotere knolletjes dan op onbegraasde plaatsen.
Zie afbeelding C 395 van de bijlage.
In het diagram van de afbeelding is de relatie weergegeven tussen de diepte waarop de tubers in de bodem van twee plassen worden aangetroffen en de tubergrootte, gemeten in oktober en nogmaals in april.
Wat is het verband tussen de diepte waarop de tubers in de bodem voorkomen, en de tubergrootte? Leg uit dat dit verband voordelig is voor het voortbestaan van de soort Schedefonteinkruid in een door de Kleine zwaan bezochte plas.
afbeelding
afbeelding





