Plantenanatomie en -fysiologie
3/3 Een wortel.
Twee typen transportprocessen zijn actief transport en diffusie.
Door welk of door welke van deze processen komen zouten vanuit het bodemwater in de houtvaten?
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 5, VWO 6
NVON
cc-by-sa-40
3/3 Een wortel.
Twee typen transportprocessen zijn actief transport en diffusie.
Door welk of door welke van deze processen komen zouten vanuit het bodemwater in de houtvaten?
1/2 Een uitlopende eindknop.
Zie figuur A 336 van de bijlage.
De tekeningen in de afbeelding geven verschillende doorsneden van een uitlopende eindknop van een zaadplant weer. Tekening 1 is een lengtedoorsnede, tekening 2 is een dwarsdoorsnede ter hoogte van P en tekening 3 is een dwarsdoorsnede ter hoogte van Q. Enkele processen die bij de ontwikkeling van een jonge stengel optreden zijn: celdeling, celstrekking en specialisatie van de cellen.
Welke van deze processen zijn in deze eindknop opgetreden tijdens de ontwikkeling van het weefsel ter hoogte van Q uit weefsel zoals dat in tekening 2 is weergegeven?
afbeelding
2/2 Een uitlopende eindknop.
Zie figuur A 336 van de bijlage.
Wordt met pijl R bast, cambium of hout aangeduid?
afbeelding
1/3 Plantenanatomie.
Zie figuur B 1418 van de bijlage.
Tekening 1 in de afbeelding geeft schematisch een dwarsdoorsnede van een stengel van een plant met bladgroen weer. Tekening 2 in de afbeelding geeft een dwarsdoorsnede van een deel van deze stengel weer. Tekening 3 in de afbeelding geeft een lengtedoorsnede van een deel van deze stengel weer.
In tekening 1 wordt het cambium met E aangegeven.
Bevinden zich de laatst gevormde houtvaten bij F, G of H?
afbeelding
2/3 Plantenanatomie.
Zie figuur B 1418 van de bijlage.
Is tekening 3 gemaakt van een lengtedoorsnede van het deel dat in tekening 2 met P, Q of R is aangegeven?
afbeelding
3/3 Plantenanatomie.
Zie figuur B 1418 van de bijlage.
Enkele stoffen die in plantaardige weefsels kunnen voorkomen zijn: eiwitten, cellulose en pectine.
Welke van deze stoffen kunnen in een levende stengel voorkomen binnen het omcirkelde gedeelte S in tekening 3?
afbeelding
1/2 Plantenanatomie.
Zie figuur C 173 van de bijlage.
De afbeelding stelt schematisch een deel van de weefsels in een tak van een struik voor.
Wordt het cambium aangegeven met cijfer 1, 2 of 3?
afbeelding
2/2 Plantenanatomie.
Zie figuur C 173 van de bijlage.
Welke van de zijden P, Q of R ligt het dichtst bij het centrum van de tak?
afbeelding
1/2 Auxine.
Zie figuur B 2989 van de bijlage.
Hormonen verzorgen de communicatie tussen cellen. Het bekendste plantenhormoon is auxine. Auxine bevordert onder meer de lengtegroei van bovengrondse delen van planten.
Auxine kan zowel geïoniseerd als niet-geïoniseerd voorkomen. De molecuulstructuur van auxine, indol-3-acetyl-zuur ofwel IAA, is in de afbeelding weergegeven.
Voor de productie van auxine nemen planten, naast water, stikstofhoudende en koolstofhoudende verbindingen op.
Welke stikstofhoudende en koolstofhoudende verbindingen nemen planten hiervoor op?
afbeelding
2/2 Auxine.
Zie figuur A 736 van de bijlage.
Transport van auxine vindt onder andere plaats van cel naar cel in de vorm van het ion (A-) of als molecuul (AH). Vanuit de groeipunten in de stengel verplaatst auxine zich in de richting van de wortels van de plant. Dit proces is schematisch weergegeven in de afbeelding.
Enkele processen die bij dit transport een rol spelen zijn in de afbeelding weergegeven:
1. transport van AH door de celwanden;
2. transport van AH door het celmembraan aan de bovenzijde van de cel;
3. het ioniseren van AH tot A- in het celplasma;
4. het handhaven van een pH-gradiënt tussen de celwand en het celplasma;
5. het transport van A- door het celmembraan aan de onderzijde van de cel.
Bij welk of bij welke van deze processen wordt ATP verbruikt?
afbeelding
2/2 Huidmondjes.
Zie figuur B 2391 van de bijlage.
Zal situatie Q zich voordoen in een blad met turgor, in een verwelkt blad zonder turgor of in beide gevallen?
afbeelding
1/4 Stofwisseling.
Zie figuur A 267 van de bijlage.
Een onderzoeker bepaalt over een periode van één etmaal hoeveel CO2
de bladeren van een bepaalde plant per minuut opnemen uit en afgeven aan de lucht. Zijn resultaten zijn weergegeven in diagram 1 van de afbeelding. Diagram 2 in de afbeelding geeft de CO2
-productie van de bladeren van deze plant per minuut gedurende dezelfde periode weer. Aangenomen wordt dat door de plant alleen glucose wordt gedissimileerd en dat deze dissimilatie aëroob plaatsvindt. De verlichtingssterkte heeft geen invloed op de intensiteit van de aërobe
dissimilatie van deze plant.
De CO2
-productie per minuut bij de aërobe dissimilatie blijkt niet constant te zijn. Drie factoren zijn:
1. de temperatuur;
2. de hoeveelheid O2
die de plant per minuut tijdens de fotosynthese produceert;
3. de hoeveelheid CO2
die de plant per minuut opneemt.
Van welke van deze factoren is de intensiteit van de aërobe dissimilatie vooral afhankelijk?
Vooral van
-
afbeelding
2/4 Stofwisseling.
Zie figuur A 267 van de bijlage.
In welke van de volgende perioden nam de hoeveelheid organische stof in deze plant steeds toe?
afbeelding
3/4 Stofwisseling.
Zie figuur A 267 van de bijlage.
Was er gedurende het etmaal van het onderzoek een periode waarin de intensiteit van de optredende fotosynthese constant bleef?
Zo ja, in welke periode was dat?
afbeelding
4/4 Stofwisseling.
Zie figuur A 267 van de bijlage.
Bij deze plant zijn om 3.00 uur de huidmondjes van de bladeren bijna geheel gesloten; om 11.00 uur zijn deze huidmondjes geheel geopend.
Is de turgor in de sluitcellen van één van deze huidmondjes om 3.00 uur lager dan, gelijk aan of hoger dan de turgor in deze sluitcellen om 11.00 uur?
afbeelding
1/4 Stofwisseling van planten.
Bij planten wordt tijdens de donkerreactie van de fotosynthese CO2
gebonden. Dit gebeurt bij de meeste planten via de zogenoemde C3-route, waarbij als product een C3-verbinding ontstaat (glyceraldehydefosfaat). Er zijn enkele soorten planten die CO2
binden aan fosfo-enolpyruvaat, waardoor C4-verbindingen ontstaan: de C4-route. Het verloop van de lichtreacties is bij C3- en C4-planten hetzelfde.
Gebruiken C3-planten in de donkerreactie ATP en/of NADPH?
2/4 Stofwisseling van planten.
In de tabel hieronder is een aantal kenmerken van C3- en C4-planten gegeven.
afbeelding
De aërobe dissimilatie van een C3-plant onder optimale omstandigheden wordt vergeleken met de aërobe dissimilatie van een C4-plant, onder optimale omstandigheden.
Aangenomen wordt dat bij beide planten eenzelfde hoeveelheid weefsel deelneemt aan de dissimilatie.
Gebruikt een gemiddelde C3-plant voor de aërobe dissimilatie minder, evenveel of meer O2
dan een C4-plant?
-
3/4 Stofwisseling van planten.
Gelet op de kenmerken van C3- en C4-planten is het niet verwonderlijk dat deze planten van nature in verschillende gebieden op aarde voorkomen.
Aan welk klimaat zijn C4-planten beter aangepast dan C3-planten?
4/4 Stofwisseling van planten.
Zie figuur E 36 van de bijlage.
Vier leerlingen schetsen op grond van gegevens in de tabel hieronder grafieken die het verband moeten weergeven tussen de mate van fotosynthese, per dm2
bladoppervlak per uur, van een gemiddelde C3-plant en van een gemiddelde C4-plant bij verschillende temperaturen (zie de afbeelding). De overige omstandigheden zijn optimaal voor de desbetreffende planten.
Welke van deze leerlingen heeft grafieken geschetst die dit relatieve verband het beste weergeven?
afbeelding
1/3 Stofwisseling.
Zie de figuur B 3877 van de bijlage.
In de afbeelding is de uitwisseling van stoffen tussen de atmosfeer en een cel van een plant sterk vereenvoudigd weergegeven.
In de afbeelding zijn twee groepen van processen te onderscheiden:
1. processen die alleen in de chloroplast plaatsvinden;
2. processen die alleen in het mitochondrium plaatsvinden.
Organismen kunnen worden onderverdeeld in consumenten, producenten en reducenten.
Welke van deze groepen van processen vindt of welke vinden plaats in cellen van consumenten en welke in cellen van producenten?
afbeelding
afbeelding