Deze oefentoets bevat 17 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Een hond ligt in zijn mand te slapen. In de keuken wordt zijn eten klaargemaakt. De hond spitst zijn oren (1), springt op (2) en loopt naar de keuken (3). Bij het zien van zijn eten begint hij te kwijlen (4).
Welke van de aangegeven gebeurtenissen behoren tot het gedrag van de hond?
Gedrag
Gedrag.
Twee leerlingen doen een uitspraak over gedrag. Sara zegt dat een kind dat ligt te slapen gedrag vertoont. Ton zegt dat een koe die gras eet gedrag vertoont.
Wie heeft (hebben) gelijk?
Gedrag
Broedzorg.
Bepaalde vissen houden hun jongen dicht bij elkaar door middel van een opvallende zigzaggende manier van zwemmen. Deze manier van zwemmen zet de jongen aan tot volgen. Als de ene ouder de andere aflost, moeten beide op een bepaalde manier zwemmen om te verhinderen dat de jongen uit elkaar gaan.
Moet de ouder die uit de groep vertrekt in rechte lijn zwemmen of zigzaggend? En moet de ouder die de groep binnenkomt in rechte lijn zwemmen of zigzaggend?
afbeelding
Gedrag
1/2 Duiven. Zie figuur B 3647 van de bijlage.
In de afbeelding is gedrag van duiven weergegeven. Het mannetje buigt en maakt een koerend geluid. Het vrouwtje reageert hierop.
Hoe noemen we zo'n handeling die als prikkel werkt voor een soortgenoot? een [invulveld]
afbeelding
Gedrag
2/2 Duiven.
Bij het gedrag van duiven volgen de handelingen elkaar in een bepaalde volgorde op.
Hoe noemen we een opeenvolging van handelingen, waarbij het effect van de ene handeling leidt tot een volgende handeling? een [invulveld]
Gedrag
2/3 Een gedragsonderzoek.
Tijdens het onderzoek wordt van het gedrag van één van beide dieren een protocol gemaakt met behulp van een ethogram. Hieronder is een deel van het ethogram en een deel van het protocol weergegeven. afbeelding
afbeelding
Zie volgende scherm
Gedrag
3/3 Een gedragsonderzoek.
Is in dit protocol het gedrag beschreven van het konijn of van de eekhoorn? Leg je antwoord uit.
Gedrag
1/3 Zwartvoetkatten. Zie figuur B 4666 van de bijlage.
Zwartvoetkatten komen voor in droge streken in zuidelijk Afrika. Ze leven meestal alleen. Ze jagen op kleine dieren zoals muizen, vogels, hagedissen en insecten.
Uit onderzoek is gebleken dat grote katachtigen zoals leeuwen en tijgers in gevangenschap door bepaalde geuren aangezet kunnen worden tot meer actief gedrag. Onderzoekers doen een experiment om na te gaan of dit ook geldt voor zwartvoetkatten. Ze gebruiken hiervoor doeken met de geur van kattenkruid. Eerst wordt een lijst gemaakt met verschillende gedragingen van zes zwartvoetkatten in een dierentuin (zie de tabel).
afbeelding
Hoe wordt zo'n tabel met beschrijvingen van verschillende gedragingen genoemd? dit noemt men een [invulveld]
afbeelding
Gedrag
2/3 Zwartvoetkatten. Zie figuur A 1032 van de bijlage.
Voor het experiment worden de zwartvoetkatten gedurende twee weken elk alleen in een kooi geplaatst. In de eerste week wordt bij elke kat op de dagen 1, 3 en 5 een doek zonder geur in de kooi gelegd. Op deze drie dagen wordt 48 keer per dag het gedrag van elk dier genoteerd. In de tweede week wordt dit herhaald met doeken met de geur van kattenkruid. In de afbeelding worden de resultaten van het experiment weergegeven.
Typ een conclusie uit de resultaten die past bij de onderzoeksvraag.
afbeelding
Gedrag
3/3 Zwartvoetkatten.
Kan op de beschreven manier ook het sociale gedrag van de dieren onderzocht worden? Leg je antwoord uit.
Gedrag
1/4 Agapornissen. Zie figuur B 4354 van de bijlage.
Het gedrag van agapornissen wordt mede bepaald door het geslacht. Zo blijkt uit onderzoek dat de mannetjes de jongen vaker voeren dan de vrouwtjes en dat mannetjes met hun pootjes dichter bij elkaar zitten. Er is ook een verschil in bijtgedrag. In de tabel staan de resultaten van een onderzoek naar het bijten van de vogels als mensen ze vastpakken. Het onderzoek werd gedaan met 29 vogels.
In de tabel hieronder staan de resultaten van een onderzoek naar bijtgedrag bij agapornissen. afbeelding
Op de uitwerkbijlage is een stuk grafiekpapier afgebeeld.
Maak van de gegevens uit de tabel een staafdiagram waarin het verschil in bijtgedrag tussen mannetjes en vrouwtjes te zien is.
afbeelding
Gedrag
2/4 Agapornissen.
Schrijf een conclusie op uit de resultaten van dit onderzoek naar het verband tussen het bijten en het geslacht van een agapornis.
afbeelding
Gedrag
3/4 Agapornissen.
Noem een verbetering of een aanvulling van dit onderzoek waardoor de resultaten betrouwbaarder worden.
Gedrag
4/4 Agapornissen.
Noem twee vormen van sociaal gedrag die in de informatie worden genoemd.