Gedrag bij dieren
Een gemotiveerd dier.
Wanneer een etholoog spreekt van een dier dat gemotiveerd is, dan bedoelt hij daarmee dat het dier
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 3, HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
Een gemotiveerd dier.
Wanneer een etholoog spreekt van een dier dat gemotiveerd is, dan bedoelt hij daarmee dat het dier
Bedelen bij zilvermeeuwen.
Tijdens een proef om de aard van de signaalprikkels voor de bedelreactie van zilvermeeuwenkuikens te analyseren, werden snavelvlekken in de tinten wit, lichtgrijs, middelgrijs, donkergrijs en zwart in dezelfde positie aangebracht op grijze snavelmodellen. De snavelmodellen werden aan kuikens aangeboden en de volgende percentages pikreacties waren hiervan het resultaat:
tint snavelvlek percentage pikreacties van de kuikens
wit 71
lichtgrijs 52
middelgrijs 39
donkergrijs 44
zwart 50
Wat is de meest juiste conclusie van deze proef?
1/3 Mestkever.
Vrouwelijke mestkevers verzamelen een hoeveelheid mest en maken daar een mestbal van. Daarna stoppen zij deze bal onder de grond.
Wat is de functie van het onder de grond stoppen van de mestbal door het vrouwtje?
2/3 Mestkever.
Onder de grond maakt de mestkever een halsje boven aan de mestbal en legt daar een eitje in.
- Is dit gedrag erfelijk vastgelegd of aangeleerd?
- Leg je antwoord uit.
3/3 Mestkever.
Het is opvallend met hoeveel zorg de mestkever een halsje vormt en na het leggen van een ei dit weer afsluit. Een leerling denkt hiervoor een verklaring te weten. Hij meent dat de mestkever daarmee voorkomt dat een andere mestkever, die een holletje graaft en toevallig de mestbal ontdekt, ook een eitje daarin zal leggen.
Geef het argument uit de gedragsbiologie waaruit blijkt dat deze verklaring onjuist is.
Sjirpende krekels.
Zie figuur B 5387 van de bijlage.
Hiernaast zie je het sjirppatroon van twee krekels.
Sjirpen is het geluid dat mannetjes maken om vrouwtjes aan te trekken en andere mannetjes op een afstand te houden.
Welke uitspraak over het sjirppatroon is juist?
afbeelding
Japanse oesters.
De Japanse oester is bewust geïntroduceerd in de Oosterschelde. In de strenge winter van 1963 stierf de platte Zeeuwse oester bijna uit. Op advies van het RIVO (Rijks Instituut voor Visserij Onderzoek) werd de Japanse oester als alternatief binnengehaald. Aanvankelijk dacht men dat de Japanse oester zich niet in de koude wateren zou voortplanten. Toch werden in 1976 de eerste broedjes, larven van de oester, aangetroffen. Na die tijd is het aantal Japanse oesters alleen maar toegenomen.
In de Oosterschelde heerste een evenwicht tussen algen en mosselen. Sinds 1998 is dit aan het veranderen.
Misschien speelt de nieuwkomer daarin een kwalijke rol. De Japanse oester is groot en eet ongeveer een derde van de algenpopulatie in de Oosterschelde op. De vrees is verder dat de Japanse oesters de larven van mosselen opeten.
Andere organismen in de Oosterschelde die gevaar lopen zijn onder andere de scholekster en de eidereend. Deze vogels leven van mosselen, die mogelijk het veld moeten ruimen voor de Japanse oester. De scholekster en de eidereend hebben nog geen truc gevonden om de Japanse oester open te krijgen. Dit in tegenstelling tot de zilvermeeuw. Die laat oesters van grote hoogte op een dijk vallen zodat de oesterschelp breekt.
Een tweetal waarnemingen met betrekking tot dit gedrag zijn:
1. Niet alle meeuwen in een populatie vertonen het gedrag;
2. In sommige populaties meeuwen komt dit gedrag helemaal niet voor.
Welke van de volgende verklaringen over het ontstaan en de verspreiding van dit gedrag is juist?
De Groote Peel.
In het voorjaar leeft in een sloot een populatie driedoornige stekelbaarsjes. Mannetjes van deze stekelbaarzen krijgen in de voortplantingstijd een rode buik. Een mannetje verdrijft andere mannetjes met een rode buik uit een bepaald gebied in de sloot en bouwt daar zijn nest. Vrouwtjes zwemmen door de gehele sloot. Na de voortplantingstijd zwemmen driedoornige stekelbaarsjes naar zee. Ze blijven daar tot het volgend voorjaar.
Geef de biologische term voor het deel van de sloot waaruit een mannetje de andere mannetjes verdrijft.
Dit deel heet zijn [invulveld]
Ganzen worden een plaag.
In een ganzennest liggen gewoonlijk 4 tot 6 eieren. Als een aantal eieren wordt weggehaald, legt de gans net zoveel nieuwe eieren, tot het oorspronkelijke aantal weer bereikt is. Als ze worden doorgeprikt en daarna teruggelegd, blijft de gans op de eieren zitten.
Wat is de sleutelprikkel voor de gans om eieren bij te leggen?
1/2 Vlinders.
Zie figuur B 6818 van de bijlage.
afbeelding
Twee vlindersoorten die in Nederland verdwenen waren, zijn sinds 30 juli 1990 weer terug: het Pimpernelblauwtje (Maculinea teleius) en het Donker pimpernelblauwtje (Maculinea nausithous).
Vlinderliefhebbers lieten op die datum 156 exemplaren los in een natuurgebied, 86 Pimpernelblauwtjes en 70 Donker pimpernelblauwtjes. Sindsdien verschijnen deze blauwtjes elke zomer weer in behoorlijke aantallen, niet verspreid over het gehele natuurgebied, maar alleen op de plek waar ze uitgezet zijn.
De moeilijkheid om zich te verspreiden over een groter gebied, zit hem vooral in het tweegangenmenu van de rupsen van deze blauwtjes. De vrouwtjes leggen hun eitjes op de bloemen van de Grote pimpernel en de rupsen leven enkele weken van de zaden van deze plant. Daarna willen ze andere kost, te weten mierenlarven. Maar die mierenlarven worden door agressieve werksters uit de mierenkolonie bewaakt.
De rupsen hanteren geraffineerde trucs om veilig in die nesten te komen. Ze laten zich op de grond vallen en scheiden geurstoffen af die lijken op de geurstoffen van mierenlarven. Elke blauwtjessoort is daarbij gespecialiseerd in een eigen gastheersoort: de rups van het Pimpernelblauwtje legt zich toe op de Ruwknoopmier, de rups van het Donker pimpernelblauwtje belaagt de Rode steekmier. De rupsen hebben het formaat en het gedrag van een mierenlarf. Op hun rug zit een zoete stof. Daar komen de mieren op af, betasten de rupsen en brengen ze daarna naar hun nest. In het nest zijn de rupsen beschermd tegen kou en vijanden.
Bovendien hebben ze daar volop voedsel.
De rupsen hebben huidplooien om hun kop, waardoor ze kunnen eten zonder dat de werksters iets in de gaten hebben. De rupsen groeien als kool, verpoppen en de nieuwe vlinders verlaten de volgende zomer vroeg op een ochtend het mierennest, vóór de werksters actief zijn.
Het Pimpernelblauwtje nam vanaf 1990 de eerste drie jaar in aantal toe, daarna ging het snel bergafwaarts. In 1996 was de stand zelfs terug bij het uitgangspunt van 1990 om uiteindelijk in 2001 een stabiele omvang te bereiken van driehonderd exemplaren.
bewerkt naar: Willy van Strien, 'Kieskeurige vlinder vliegt niet uit', de Volkskrant, 6 oktober 2001
Zie volgende scherm
2/2 Vlinders.
Noem twee prikkels die bij de mier broedzorggedrag opwekken.
afbeelding
Parasieten.
Welke term wordt in de gedragsleer gebruikt voor een prikkel die een bepaald gedrag opwekt zoals gal dat bij deze rondworm doet?
Met de term [invulveld]
Aalscholvers.
Zie figuur B 2277 van de bijlage.
Aalscholvers zijn viseters die bij het jagen op vis afhankelijk zijn van een flinke kijkdiepte in helder water. In het IJsselmeer, waar veel aalscholvers hun voedsel zoeken, is alleen de bovenste laag water van 1 - 1,5 meter helder. De aalscholvers uit de kolonies rond het
IJsselmeer hebben hun vismethode daarbij aangepast.
Zij vissen niet meer individueel, maar in groepsverband.
De vismethode is weergegeven in de afbeelding B 2277.
Welke leerprocessen hebben een rol gespeeld bij het totstandkomen van de vismethode van de aalscholvers die in de afbeelding is weergegeven?
afbeelding
Berberapen in Algiers.
Wat is volgens de tekst de mogelijke uitwendige prikkel voor het onderdrukken van de agressie bij de mannetjesapen van deze soort?
Opgepast, hermelijnen!
Zie figuur B 6823 van de bijlage.
Tekst:
De Nieuw-Zeelandse vliegenvanger is een vogelsoort die voorkomt in Nieuw-Zeeland en op enkele eilanden in de buurt van Nieuw-Zeeland. Zo'n 120 jaar geleden werd de hermelijn, een Europese roofdiersoort, in Nieuw-Zeeland ingevoerd. Er vielen aanvankelijk veel slachtoffers onder de vogels. Tegenwoordig zijn de vogels in Nieuw-Zeeland zeer waakzaam. Kort geleden belandden er ook hermelijnen op het dichtbij Nieuw-Zeeland gelegen eiland Motuara.
Om te voorkomen dat de vrij kleine populatie van de vliegenvanger op dit eiland uitsterft, geeft een groep biologen de vogels een 'survival training': nagemaakte hermelijnen met een dode vliegenvanger in hun bek worden aan een touw over de grond getrokken. Daarbij wordt de alarmkreet van de vogels ten gehore gebracht. Deze biologen gaan er blijkbaar vanuit dat waakzaamheid ontwikkeld kan worden door een leerproces.
bron: Vogels, mei 1996, p. 6
Van welk leerproces bij vliegenvangers proberen deze biologen gebruik te maken?
-
afbeelding