Oefentoets Biologie: Assimilatie-dissimilatie - Algemeen | VWO 5/VWO 6 | variant 1

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Assimilatie

1/5 Halobacterium halobium.

Er zijn organismen die een wel zeer bijzondere niche kunnen innemen. Zo kan in zoutpannen een roodkleuring optreden door de aanwezigheid van de bacterie Halobacterium halobium die een aantal verrassende eigenschappen heeft.
Deze bacterie is beweeglijk, dag en nacht, bij zoutconcentraties tot wel 5 mol per liter (ca. zeven maal de normale concentratie van zeewater). De benodigde energie krijgt de bacterie overdag door fotofosforylering: ATP-vorming onder invloed van lichtenergie. Hiervoor zijn in het celmembraan op diverse plaatsen opeenhopingen van een pigment, het bacteriorhodopsine, dat onder invloed van licht protonen buiten de celmembraan brengt. In een kweek van deze bacterie die belicht wordt, daalt de pH dan ook merkbaar.
In de bijgevoegde afbeelding bij de volgende vragen zijn enkele eigenschappen -wel genoemde en ook niet genoemde- weergegeven. Zo is op een plaats te zien hoe een protonengradiënt er voor zorgt dat een membraangebonden ATP-synthetase zorgt voor ATP-synthese.

Zie volgende scherm

Assimilatie

2/5 Halobacterium halobium.
Zie figuur A 1077 van de bijlage.

Wat is de betekenis van de golflijntjes zonder pijlpunt?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Stofwisseling bij algen.

Bij sommige soorten eencellige algen komen, al naar omstandigheden, individuen voor met of zonder bladgroen.
Bij individuen met bladgroen is bij verlichtingssterkte R (compensatiepunt) de mate van assimilatie gelijk aan de mate van dissimilatie.

Welke vorm zich ontwikkelt, hangt af van de verlichtingssterkte en de aanwezigheid van opneembare koolhydraten in het water.

De meeste individuen met bladgroen zullen zich ontwikkelen bij en als

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Slaplanten.
Zie figuur A 234 van de bijlage.

In een experiment wordt de opbrengst van slaplanten bestudeerd onder verschillende klimaatomstandigheden. Daartoe worden slaplanten in klimaatkamers gekweekt waarin licht en temperatuur worden gevarieerd. De andere omstandigheden blijven steeds gelijk.
Bij het begin van het experiment is de massa van de slaplanten in elke kamer gelijk. In de afbeelding is weergegeven hoe de verlichtingssterkte en de temperatuur gedurende een etmaal worden gevarieerd. Bovendien is weergegeven wat de opbrengst aan sla aan het eind van het experiment is.
Over de resultaten van dit experiment worden twee beweringen gedaan:

I. In dit experiment leidt de gekozen constante temperatuur tot een lagere opbrengst aan sla dan de wisselende temperatuur.
II. In dit experiment leidt de gekozen constante verlichtingssterkte tot een lagere opbrengst aan sla dan de wisselende verlichtingssterkte.

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Deelreacties van langere reactieketens.

Voor de volgende omzettingen geldt dat zij deelreacties zijn van langere reactieketens:

1. nitriet + zuurstof ® nitraat + energie.
2. pyrodruivenzuur + NADH + H+ ® melkzuur + NAD+ .

Van welke reactieketen (aërobe dissimilatie anaërobe dissimilatie of chemosynthese) is omzetting 1 een deelreactie?
En omzetting 2?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Autotrofe organismen.

Kan chemosynthese voorkomen bij autotrofe organismen?
En aërobe dissimilatie?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Organellen.

Chloroplasten en mitochondriën worden met elkaar vergeleken.
Naar aanleiding hiervan worden vier uitspraken gedaan:

1. chloroplasten en mitochondriën kunnen in dezelfde cel voorkomen;
2. zowel bij chloroplasten als bij mitochondriën diffundeert CO2 door het membraan heen;
3. zowel bij chloroplasten als bij mitochondriën wordt glucose door het membraan heen getransporteerd;
4. zowel in chloroplasten als in mitochondriën ontstaan ATP-moleculen.

Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn juist?

Assimilatie_dissimilatie

Kiemende gerstekorrels
Zie figuur B 1727 van de bijlage.

Gerstekorrels worden in het licht te kiemen gelegd. Dit proces gaat gepaard met wateropname en verandering van het drooggewicht van korrels en kiemplanten. In het afgebeelde diagram staat aangegeven de verandering van het drooggewicht van

1. het endosperm (reservevoedsel);
2. het embryo;
3. het totaal (1 + 2).

Welke van de onderstaande conclusies is juist op grond van deze resultaten?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Bruine bonen.

In een experiment met jonge bruine bonenplanten wordt gemeten hoeveel de planten gedurende twee weken na het begin van het experiment in lengte toenemen. De planten zijn in vier groepen verdeeld die onder verschillende omstandigheden worden gekweekt. In de tabel hieronder is vermeld onder welke omstandigheden de planten worden gekweekt. De tabel hieronder geeft tevens de gemiddelde lengtetoename per groep weer.
afbeeldingafbeelding

Van welke van deze groepen bevatten de planten na deze twee weken gemiddeld de grootste hoeveelheid organische stoffen?

Assimilatie_dissimilatie

Vorming van ATP.

Bij welke van onderstaande reactieketens wordt ATP gevormd?

Assimilatie_dissimilatie

Vorming van ATP.

Enkele reacties in organismen zijn:

1. de lichtreacties van de fotosynthese in planten met bladgroen,
2. de oxidatie van ammoniak door nitrietbacteriën,
3. de oxidatie van nitriet door nitraatbacteriën,
4. de omzetting van pyrodruivenzuur in alcohol in gistcellen,
5. de reductie van pyrodruivenzuur tot melkzuur in spiervezels van de mens.

Bij welke van bovenstaande reacties wordt ATP gevormd?

Assimilatie_dissimilatie

ATP-vorming.

Enkele onderdelen van cellen van organismen zijn:

1. de bladgroenkorrels in een plantencel;
2. het cytoplasma in een gistcel, uitgezonderd de celorganellen;
3. de mitochondriën in een gistcel;
4. de vacuole in een plantencel.

In welke van deze onderdelen vindt gewoonlijk de volgende reactie plaats?

ADP + Pi + energie ® ATP?

Assimilatie_dissimilatie

De werking van een enzymoplossing.

Een onderzoeker bestudeert de werking van een enzymoplossing.
Hij constateert dat na toevoeging van glucose er pyrodruivenzuur er NADH + H+ ontstaat.

Kan door de werking van de enzymoplossing ook ATP ontstaan?
Kunnen de enzymen van de oplossing een rol spelen bij de anaërobe dissimilatie?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Glucoseproductie en -verbruik.
Zie figuur B 2528 van de bijlage.

Met Veenmos (een plant met bladgroen) worden enkele proeven gedaan. Bij de eerste serie proeven bevinden de planten zich in het donker. Bij verschillende temperaturen wordt gemeten hoeveel CO2 deze planten aan hun milieu afgeven.
De resultaten zijn weergegeven in diagram 1.
Dezelfde planten worden vervolgens optimaal belicht. Nu wordt bij verschillende temperaturen gemeten hoeveel CO2 ze uit hun milieu opnemen. De resultaten zijn weergegeven in diagram 2.
Aangenomen wordt dat deze planten voor de aërobe dissimilatie alleen glucose gebruiken en dat de verlichtingssterkte geen invloed heeft op de dissimilatie-activiteit. Uit de gegevens kunnen dan conclusies worden getrokken over de hoeveelheden glucose die geproduceerd en verbruikt worden.
P is de hoeveelheid glucose die per uur door de planten bij optimale verlichtingssterkte en 30°C bij de fotosynthese wordt geproduceerd. Q is de hoeveelheid glucose die onder dezelfde omstandigheden per uur bij de dissimilatie wordt verbruikt. R is de hoeveelheid glucose die bij 10°C per uur bij de fotosynthese wordt geproduceerd.

Is P groter dan Q?
Is P groter dan R? Zie verder onder

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Opname van CO2 bij verschillende verlichtingssterkten
Zie figuur A 416 van de bijlage.

In een experiment wordt bij een plant de opname van CO2 bij verschillende verlichtingssterkten gemeten. De resultaten van deze metingen zijn in het diagram van de afbeelding weergegeven. De plant staat in een omgeving met een hoge luchtvochtigheid en heeft de beschikking over voldoende water.
Aangenomen wordt dat de intensiteit van de dissimilatie bij dit experiment niet door de verlichtingssterkte wordt beïnvloed.
Naar aanleiding van de resultaten worden de volgende beweringen gedaan:

1. bij verlichtingssterkte P is per tijdseenheid de diffusie van CO2 uit de cellen naar de intercellulaire ruimten groter dan die in de omgekeerde richting,
2. bij verlichtingssterkte R zijn de huidmondjes van het blad gesloten,
3. bij verlichtingssterkte R wordt per tijdseenheid meer ATP gevormd dan bij verlichtingssterkte P.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Chloroplast en mitochondrium.

Chloroplasten en mitochondriën worden met elkaar vergeleken. De volgende uitspraken worden over deze organellen gedaan:

1. in beide organellen bevinden zich eiwitten;
2. in beide organellen bevinden zich co-enzymen die waterstof kunnen binden;
3. in beide organellen kan ATP ontstaan;
4. in beide organellen kan zuurstof ontstaan.

Welke van deze uitspraken zijn juist?

Assimilatie_dissimilatie

O2 -uitwisseling bij verschillende verlichtingssterkten.
Zie figuur B 101 van de bijlage.

In het diagram is de O2 -uitwisseling van een plant met het milieu bij verschillende verlichtingssterkten weergegeven.

Zal de hoeveelheid organische stof van de plant bij verlichtingssterkte P toenemen of gelijk blijven?
Zal de hoeveelheid organische stof bij verlichtingssterkte Q toenemen of afnemen?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Dissimilatie en drooggewicht bij een toendra-plant
Zie figuur B 182 van de bijlage.

Bij een toendra-plant wordt bij twee verschillende temperaturen de invloed onderzocht van de verlichtingssterkte op de CO2 -opname en de CO2 -afgifte per uur per gram drooggewicht. De resultaten zijn weergegeven in het diagram.
Aangenomen wordt dat de dissimilatiesnelheid per gram drooggewicht bij dezelfde temperatuur onafhankelijk is van de verlichtingssterkte.

Is bij verlichtingssterkte P de fotosynthese per gram drooggewicht het grootst bij 0°C of bij 20°C?
Zal bij verlichtingssterkte P de hoeveelheid organische stof van de plant toenemen bij 0°C of bij 20°C?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding