Oefentoets Biologie: Immuniteit | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 2

Deze oefentoets bevat 62 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

62

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Immuniteit

Afweer tegen bacteriën.

Hieronder staan drie beweringen over de manier waarop het lichaam van de mens binnengedrongen bacteriën kan bestrijden.

1. De bacteriën worden onschadelijk gemaakt met behulp van antistoffen.
2. De bacteriën worden opgenomen en verteerd door bloedplaatjes.
3. De bacteriën worden opgenomen en verteerd door witte bloedcellen.

Welke beweringen zijn juist?

Immuniteit

Vaccinatie.

In Nederland worden kinderen ingeënt tegen bepaalde ziekten, waardoor langdurige immuniteit ontstaat. Een voorbeeld daarvan is inenting (vaccinatie) tegen mazelen. Mazelen is een kinderziekte die wordt veroorzaakt door een virus.

Wat wordt bij vaccinatie tegen mazelen ingeënt?

Immuniteit

Immuun.

Piet heeft de bof gehad. Hij is nu immuun voor deze ziekte.

Deze immuniteit wordt veroorzaakt door de aanwezigheid in het bloed van

Immuniteit

Antistoffen.

In het bloed van de mens komen antistoffen, rode bloedcellen en witte bloedcellen voor.

Welke hebben een functie bij de afweer tegen infecties?

Immuniteit

Gemeenschappelijke functie.

Bij de mens hebben de opperhuid, antistoffen en witte bloedcellen één functie gemeenschappelijk.

Welke functie hebben ze gemeenschappelijk?

Immuniteit

Infectie.

Hieronder staan drie beweringen over een infectie door bacteriën bij de mens:

1. Na de infectie neemt de hoeveelheid giftige stoffen uit de bacterie af door werking van fibrine;
2. Als gevolg van de infectie gaat het lichaam antistoffen produceren;
3. Als de giftige stoffen onschadelijk gemaakt zijn, blijven er nog antistoffen in het lichaam achter.

Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?

Immuniteit

Antistoffen.

Beschermen antistoffen in het lichaam van de mens tegen bacteriën of tegen de kou?
Komen antistoffen voor in het bloedplasma?

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

Verkoudheid.

Verkoudheid kan worden veroorzaakt door verschillende virussen. Linda is net genezen van een verkoudheid die door een bepaald virus is veroorzaakt. Kort daarna wordt zij opnieuw verkouden als gevolg van een virusinfectie.

Een biologiedocent vraagt aan twee leerlingen wat hiervoor de verklaring kan zijn.

Leerling 1 zegt: "De tweede verkoudheid is veroorzaakt door een ander virus dan de eerste verkoudheid. De antistof die tegen het eerste virus is gevormd, biedt geen bescherming tegen het tweede virus."
Leerling 2 zegt: "Na de eerste verkoudheid is in het lichaam van Linda een hoeveelheid van het verkoudheidsvirus achtergebleven. Door de tweede infectie wordt de totale hoeveelheid verkoudheidsvirus in haar lichaam zo groot, dat ze niet voldoende antistof kan vormen."

Wie geeft een juiste verklaring?

Immuniteit

Afstotingsverschijnselen.

Na een transplantatie van bijvoorbeeld een nier kunnen na enige tijd afstotingsverschijnselen bij de ontvanger optreden.
Twee voorbeelden van een niertransplantatie zijn:

1. transplantatie van een gezonde nier afkomstig van een ééneiige tweelingbroer van de ontvanger,
2. transplantatie van een gezonde nier afkomstig van een neef van de ontvanger.

Bij welke transplantatie is de kans op afstotingsverschijnselen het kleinst?
Of maakt het geen verschil?

Immuniteit

1/3 Infecties met bacteriën.
Zie figuur B 2559 van de bijlage.

Infecties met bacteriën, zoals roodvonkbacteriën en tuberculosebacteriën, veroorzaakten aan het begin van deze eeuw vaak ernstige epidemieën. Als gevolg van de infecties kregen de mensen soms ook andere ziekten als reuma, afwijkingen aan de hartkleppen en nierstoringen.

De afbeelding B 2559 geeft drie tekeningen met elk een cel uit microscopische preparaten weer.
De cellen zijn niet allemaal met dezelfde vergroting getekend. Tekening 3 is van een preparaat met ziekteverwekkende bacteriën.

Bij welk of bij welke van de drie preparaten kun je een celwand aantreffen?

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

2/3 Infecties met bacteriën.

Welke bloeddeeltjes nemen bij een infectie met bacteriën sterk in aantal toe?

Immuniteit

3/3 Infecties met bacteriën.

Als gevolg van een infectie met roodvonkbacteriën kunnen storingen van de nieren optreden. De uitscheiding van stoffen door de nieren wordt dan gehinderd. De mensen krijgen daardoor extra ziekteverschijnselen.

Noem twee stoffen die door de nieren bij gezonde mensen worden uitgescheiden.

Immuniteit

Immuniteit.

De mens kan immuun zijn tegen een ziekte door de aanwezigheid van een bepaalde stof.

Wat voor stof is dit?

Immuniteit

Antistoffen.
Zie figuur B 3532 van de bijlage.

Bij een proefpersoon wordt een hoeveelheid van een bepaalde ziekteverwekker ingespoten.
Deze persoon maakt antistof tegen deze ziekteverwekker. Het verband tussen de hoeveelheid antistof die na de injectie wordt gevormd, en de tijd die nodig is voor deze vorming wordt uitgezet in een diagram.
In diagram 1 van de afbeelding geeft grafiek P dit verband aan.
Zes maanden later wordt deze proefpersoon opnieuw ingespoten met dezelfde hoeveelheid van deze ziekteverwekker. Ook nu wordt het verband tussen de hoeveelheid antistof die na de injectie wordt gevormd en de tijd die nodig is voor deze vorming uitgezet in een diagram.

Welke grafiek van diagram 2 van de afbeelding geeft dit verband juist weer, grafiek Q, grafiek R of grafiek S? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

Antistoffen.
Zie figuur B 3537 van de bijlage.

Bij een proefpersoon wordt een hoeveelheid van een bepaalde ziekteverwekker ingespoten.
Deze persoon maakt antistof tegen deze ziekteverwekker. Het verband tussen de hoeveelheid antistof die na de injectie wordt gevormd, en de tijd die nodig is voor deze vorming wordt uitgezet in een diagram. In diagram 1 van de afbeelding geeft grafiek P dit verband aan.
Zes maanden later wordt deze proefpersoon opnieuw ingespoten met dezelfde hoeveelheid van een andere ziekteverwekker. Ook nu wordt het verband tussen de hoeveelheid antistof die na de injectie wordt gevormd, en de tijd die nodig is voor deze vorming uitgezet in een diagram.

Welke grafiek van diagram 2 van afbeelding 2 geeft dit verband juist weer, grafiek Q, grafiek R of grafiek S? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

Antistoffen.
Zie figuur B 3535 van de bijlage.

In de afbeelding is een ziekteverwekker met antistof P en antistof schematisch getekend.

Welke antistof kan de ziekteverwekker onschadelijk maken? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

Antistoffen.
Zie figuur B 3538 van de bijlage.

In de afbeelding is een ziekteverwekker met antistof P en antistof Q schematisch getekend.

Welke antistof kan de ziekteverwekker onschadelijk maken? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

Een experiment met tiendoorns.
Zie figuur B 4488 en figuur B 4489 van de bijlage.

Er wordt een onderzoek gedaan naar de afweer tegen ziekteverwekkers bij de tiendoornstekelbaars (zie de afbeelding).
Een aantal tiendoorns wordt besmet met een bepaalde ziekteverwekker. De reactie van het afweersysteem van de vissen is zoals bij de mens.

Na de besmetting wordt elke dag het aantal ziekteverwekkers in het bloed van de vissen bepaald. De resultaten worden weergegeven in een diagram (zie de afbeelding).

Tijdens het onderzoek wordt ook de hoeveelheid antistof tegen de ziekteverwekker in het bloed van de vissen bepaald.

Is die hoeveelheid antistof in het bloed van de tiendoorns op dag 8 groter dan, kleiner dan of gelijk aan de hoeveelheid op dag 3? Leg je antwoord uit met behulp van het diagram in figuur B 4489.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Immuniteit

Afweer bij stekelbaarzen.
Zie figuur A 987 van de bijlage.

In Nederland komen twee soorten stekelbaarzen voor: de driedoornstekelbaars en de tiendoornstekelbaars. In een laboratorium worden vissen van beide soorten met dezelfde soort ziekteverwekker besmet. De reactie van het afweersysteem van vissen komt overeen met de reactie bij de mens.
Na de besmetting wordt gedurende acht dagen elke dag het aantal ziekteverwekkers in het bloed van de vissen bepaald. De resultaten worden uitgezet in een diagram (zie de afbeelding A 987).

Er wordt ook onderzoek gedaan naar de vorming van antistoffen bij de vissen.
Vastgesteld wordt, dat beide vissoorten dezelfde soort antistof maken tegen de ziekteverwekker.

Welke vissen maken gedurende de acht dagen de grootste hoeveelheid antistof tegen de ziekteverwekker: de driedoornstekelbaarzen of de tiendoornstekelbaarzen? Of is dat niet te zeggen? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

1/2 Afweer.

Micro-organismen zijn overal aanwezig: in het voedsel dat we eten, in de lucht die we inademen en op bijna alles wat we aanraken. Als micro-organismen het lichaam binnendringen, spreken we van een infectie. Het lichaam beschermt zich op verschillende manieren tegen infectie.

Noem twee groepen micro-organismen die een infectie kunnen veroorzaken.

Immuniteit

2/2 Afweer.

Noem een verteringssap dat stoffen bevat die micro-organismen in voedsel doden.

Dit sap is het [invulveld]

Immuniteit

1/2 Amandelen.

Keel-, neus- en tongamandelen zijn een deel van het lymfestelsel. Door de amandelen stroomt lymfe.

Bevinden zich bloeddeeltjes in lymfe?

Immuniteit

2/2 Amandelen.
Zie figuur A 803 van de bijlage.

De keelamandelen bevinden zich links en rechts van de huig. In de afbeelding is een doorsnede van het hoofd weergegeven.

Welke letter geeft het gebied aan waarin zich de keelamandelen bevinden?

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

1/4 Geen griepprik maar neusspray.

Griep wordt veroorzaakt door bepaalde ziekteverwekkers die griepvirussen genoemd worden.
Om griep te voorkomen kan men zich laten inenten met een zogenaamde griepprik. Veel mensen zien op tegen het krijgen van die griepprik. Daarom ontwikkelt men ook een neusspray tegen griep. De neusspray lijkt nog beter te werken dan de griepprik.
De griepprik en de neusspray bevatten delen van griepvirussen. Die delen komen bij het gebruik van de neusspray in het slijmvlies van de neus terecht. Het lichaam maakt vervolgens antistoffen tegen de griepvirussen. Komt het echte griepvirus via het neusslijmvlies het lichaam binnen, dan wordt het virus onschadelijk gemaakt door de antistoffen.
Het neusslijmvlies beschermt het lichaam tegen ziekteverwekkers.

Noem twee andere functies van het neusslijmvlies.

Immuniteit

2/4 Griepprik.

Door de aanwezigheid van griepantistoffen kan je lichaam sneller op een infectie van een griepvirus reageren.
Je wordt niet ziek of de ziekte duurt korter. Dat lijkt gunstig voor iedereen. Toch krijgt niet iedereen het advies om zich tegen griep te laten inenten.
De meeste ouderen krijgen dit advies wel.

Twee beweringen over dit advies zijn:

1. Ouderen krijgen dit advies omdat ze geen antistoffen tegen griepvirussen kunnen vormen.
2. Ouderen krijgen dit advies omdat ze een verminderde afweer hebben tegen griepvirussen.

Welke van deze beweringen is of welke van deze beweringen zijn juist?

Immuniteit

3/4 Geen griepprik maar neusspray.

De griepprik en de neusspray bevatten delen van griepvirussen.

Leg uit waarom er geen complete griepvirussen in de griepprik en de neusspray mogen voorkomen.

Immuniteit

4/4 Geen griepprik maar neusspray.

Het lichaam maakt antistoffen.

Zijn antistoffen eiwitten, koolhydraten of vetten?

Immuniteit

1/2 Wespensteek.

Als je door een wesp gestoken wordt, doet dat even pijn. De huid wordt dan rood en zwelt wat op. Dit wordt veroorzaakt door het gif dat de wesp in de huid brengt.
Na de wespensteek gaat het lichaam ook antistoffen maken.

Hoe heten de bloeddeeltjes die antistoffen maken?

Immuniteit

2/2 Wespensteek.

Sommige mensen zijn zeer gevoelig voor het gif. Na een wespensteek kan dan een zeer ernstige reactie optreden, de zogenaamde anafylactische shock. Hierbij daalt de bloeddruk sterk. Door de verlaagde bloeddruk stroomt er onder andere minder bloed door de haarvaten van de hersenen en kan de patiënt bewusteloos raken.

Leg uit waardoor iemand bewusteloos kan raken als er plotseling minder bloed naar de hersenen wordt gevoerd.

Immuniteit

Bescherming tegen infecties.

De mens wordt beschermd tegen infecties door

Immuniteit

Bescherming.

Enkele organen van het lichaam van de mens beschermen onder andere tegen:

1. uitdroging,
2. infecties,
3. temperatuurverandering.

Tegen welke van bovenstaande processen beschermt de huid en tegen welk(e) beschermen de lymfeknopen (lymfeklieren) het lichaam van de mens?

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

1/4 Pneumokokken.

Pneumokokken zijn eencellige ziekteverwekkers die bij veel mensen in de slijmvliezen van neus- en keelholte voorkomen. Meestal veroorzaken ze geen ziekteverschijnselen, maar soms hebben ze ernstige ziekten tot gevolg zoals hersenvliesontsteking of longontsteking.
Pneumokokken hebben wel een celwand, maar geen celkern.

Tot welke groep behoren deze organismen?

Immuniteit

2/4 Pneumokokken.
Zie figuur A 1025 van de bijlage.

Sinds 1999 worden kinderen in de Verenigde Staten ingeënt tegen zeven typen pneumokokken. Om na te gaan of deze vaccinaties goed beschermen, zijn gegevens verzameld over het aantal ziektegevallen bij kinderen jonger dan vijf jaar (zie het diagram A 1025).

Hoeveel procent was het aantal ziektegevallen in 2003 minder dan in 1999? Leg je antwoord uit met een berekening.

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

3/4 Pneumokokken.

In 2006 is ook in Nederland begonnen met het inenten van kinderen tegen pneumokokken. Hiervoor wordt hetzelfde vaccin gebruikt als in de Verenigde Staten. In dit vaccin bevinden zich delen van de zeven typen pneumokokken waartegen het beschermt. Deze delen verschillen onderling in de stoffen waaruit ze zijn opgebouwd.

Bevat dit pneumokokkenvaccin antigenen?

Immuniteit

4/4 Pneumokokken.

In de Verenigde Staten worden alleen jonge kinderen ingeënt.
Toch blijkt het aantal gevallen van pneumokokkenziekten onder mensen boven de vijftig jaar sinds 1999 afgenomen te zijn met ongeveer 25 procent.

Leg uit waardoor inenting van kinderen tot gevolg kan hebben dat minder ouderen die ziekten oplopen.

Immuniteit

1/2 Rodehond.

Rodehond is een zeer besmettelijke ziekte die wordt veroorzaakt door het zogenaamde rubellavirus. Het virus wordt door speeksel- en slijmdruppeltjes overgedragen. De verschijnselen lijken op griep en meestal is er ook een uitslag van rode vlekjes op de huid.
Sinds 1987 worden kinderen in Nederland tegen rodehond ingeënt als ze veertien maanden oud zijn, tegelijk met de inenting tegen bof en mazelen.
Deze gecombineerde inenting wordt de BMR-vaccinatie genoemd.
De BMR-vaccinatie wordt op negenjarige leeftijd herhaald. Door inenting ontstaat levenslange immuniteit.

Hoeveel verschillende soorten antigenen bevat een BMR-vaccin minimaal?

Immuniteit

2/2 Rodehond.
Zie figuur C 405 van de bijlage.

Sinds de invoering van de inenting tegen rodehond komt de ziekte haast niet meer voor in Nederland. Eind 2004 traden er toch weer meerdere gevallen van de ziekte op. Tussen 1 september 2004 en 13 september 2005 werden 387 gevallen gemeld.

In de afbeelding C 405 is de verdeling van deze gevallen over Nederland weergegeven. Daarnaast is weergegeven hoeveel procent van de inwoners in verschillende gebieden was ingeënt met een BMR-vaccin.

In de afbeelding C 405 is te zien dat onder andere in het midden van het land veel gevallen van rodehond voorkwamen.

Geef met behulp van de rechter afbeelding een mogelijke verklaring voor het uitbreken van de ziekte in dit deel van het land.

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

Beroepsziekten.

Werknemers in de gezondheidszorg worden ingeënt tegen hepatitis B.

Welke reactie treedt op in het lichaam als gevolg van zo'n inenting?

Immuniteit

Beroepsziekten.
Zie figuur B 2969 van de bijlage.

Martin heeft in de vakantie op een boerderij gewerkt. Hij voelt zich al weken niet lekker. De huisarts laat onderzoeken of zich in zijn bloed leptospirosen bevinden. In het laboratorium worden twee druppels bloed op een glaasje gelegd: druppel P en druppel Q. Aan beide bloeddruppels wordt wat vloeistof toegevoegd: aan druppel P vloeistof met antistoffen tegen melkerskoorts en aan druppel Q vloeistof met antistoffen tegen modderkoorts (zie de afbeelding).
Naar aanleiding van de uitslag van dit bloedonderzoek wordt vastgesteld dat Martin besmet is met melkerskoorts.

In welke druppel hebben de antistoffen een reactie veroorzaakt?

afbeeldingafbeelding

Ziekten

1/10 Beroepsziekten.

INFORMATIE 1 ONDERZOEK NAAR BEROEPSZIEKTEN IN NEDERLAND
Zie figuur B 4545 hieronder.
afbeeldingafbeelding

Een beroepsziekte is een ziekte of aandoening die hoofdzakelijk het gevolg is van arbeid of arbeidsomstandigheden.
Er is in drie bedrijfstakken een onderzoek gedaan naar vier groepen beroepsziekten. Men heeft onderzocht hoe groot het percentage zieke werknemers is dat te maken heeft met een beroepsziekte uit zo'n groep (zie afbeelding).
De tabel hieronder geeft een overzicht van het aantal meldingen van beroepsziekten in enkele bedrijfstakken in het jaar 2000.

afbeeldingafbeelding

Zie volgende scherm



-

Ziekten

2/10 Beroepsziekten.
Zie figuur B 4546 hieronder.

INFORMATIE 2 LONGZIEKTEN
Zie figuur B 4546 hieronder.
afbeeldingafbeelding

Als mensen op hun werk veel in aanraking komen met stoffen waarvoor ze overgevoelig zijn, kunnen ze een longziekte oplopen. Zulke stoffen veroorzaken dan een allergische reactie van de bronchiolen (zie de afbeelding hierboven). Bronchiolen zijn de kleinste vertakkingen van de luchtwegen in de longen.
De paprikalong is zo'n beroepsziekte en wordt veroorzaakt door stuifmeel van paprikaplanten. Deze aandoening komt veel voor bij werknemers in de paprikateelt.
In de voedingsmiddelenindustrie wordt veel met enzymen gewerkt. Zo wordt in bakkerijen een bepaald enzym aan het meel toegevoegd. Dit enzym blijkt na inademing bij sommige werknemers ook een allergische reactie van de ademhalingsorganen op te wekken.
Een andere longziekte is tuberculose. Mensen die in de gezondheidszorg werken, lopen het risico besmet te raken met de bacterie die deze ziekte veroorzaakt. Zo'n bacterie kan door hoesten worden overgebracht.

Zie volgende scherm

Ziekten

3/10 Beroepsziekten.

INFORMATIE 3 LEVERZIEKTEN
Zie figuur B 4547 hieronder.
afbeeldingafbeelding

Hepatitis is een verzamelnaam voor verschillende soorten ontstekingen van de lever. Vooral mensen die door hun werk veel in aanraking komen met bloed, lopen het risico besmet te raken met een virus dat hepatitis B veroorzaakt. Sinds 1981 bestaat er een vaccin tegen hepatitis B, waarmee onder andere werknemers in de gezondheidszorg ingeënt worden. In een brochure van de GGD staat weergegeven hoe besmetting met hepatitis B kan plaatsvinden (zie de afbeelding).

INFORMATIE 4 BESMETTING MET ZIEKTEVERWEKKERS UIT DIEREN

Leptospirosen zijn bacteriën die in het lichaam van verschillende soorten dieren kunnen voorkomen. Soms worden de dieren er ziek van, maar meestal hebben ze er geen last van. Als mensen in contact komen met besmette dieren, kunnen leptospirosen via wondjes het lichaam binnendringen. Ze verspreiden zich met het bloed naar de organen en kunnen ernstige ziekten veroorzaken.
De ziekte van Weil wordt door zo'n bacterie uit ratten veroorzaakt. Mensen die werken aan de riolering of als rattenvanger, lopen het risico ermee besmet te worden.
Koeien kunnen aan mensen bacteriën overdragen die "melkerskoorts" veroorzaken. Werknemers op boerderijen lopen ook de kans om besmet te worden met bacteriën die "modderkoorts" veroorzaken. Deze bacteriën worden onder andere overgebracht door veldmuizen.
Het is niet eenvoudig om aan te tonen welke soort leptospirose zich in het bloed van een besmet persoon bevindt. Om dit vast te stellen wordt bloed in een laboratorium onderzocht.

Zie volgende scherm

Ziekten

4/10 Beroepsziekten.

INFORMATIE 5 RSI

RSI, ook wel "muisarm" of "toetsenbordziekte" genoemd, is de afkorting van Repetitive Strain Injury. Mensen met RSI hebben vaak pijn in de polsen, de nek en de schouders. Bij langdurig werken op een toetsenbord worden door de handen en de vingers steeds dezelfde bewegingen gemaakt. Door wrijving tussen pezen, botten en spieren bij zulke bewegingen kunnen ontstekingen in de vingers en de polsen ontstaan. Als iemand bij dit soort werk in een verkeerde houding zit, zijn de spieren in de nek en de schouders voortdurend aangespannen. Doordat afvalstoffen dan onvoldoende met het bloed worden afgevoerd, ontstaat pijn in deze spieren. Om RSI-problemen bij computergebruik te voorkómen, moet onder andere gelet worden op de werkhouding.

Immuniteit

Plasmaferese.

Is de toediening van antistoffen actieve of passieve immunisatie? Leg je antwoord uit.

Immuniteit

1/5 Orgaantransplantatie.
ORGAANTRANSPLANTATIE

Hart
Een patiënt komt in aanmerking voor een harttransplantatie als er sprake is van een chronisch hartfalen, waarbij de levensverwachting kleiner is dan één jaar en andere behandelingen niet (meer) mogelijk zijn.
Bij een harttransplantatie is een snelle transplantatie is van essentieel belang. Het hart is vier tot acht uur buiten het lichaam houdbaar, maar hoe sneller de operatie, hoe groter de kans op succes.
Het hart is het eerste orgaan dat uit een donor wordt genomen. Harttransplantatie geldt niet als de moeilijkste van alle orgaantransplantaties. Een operatie duurt gemiddeld zo'n drie tot vier uur. Een bijkomend nadeel is dat in verband met de geboden snelheid donor en ontvanger op bloedgroep op elkaar worden afgestemd. Afstemming op weefseltypering is in verband met de tijdsdruk niet mogelijk. Gevolg is dat in 5 tot 15 procent van de transplantaties het donorhart niet goed op gang komt.
De overlevingskans voor een persoon met een donorhart ligt op ruim 90 procent na één jaar; 84 procent leeft na vijf jaar nog.

Lever
De lever heeft verschillende functies, stoornissen hieraan kunnen aanleiding zijn tot transplantatie. Als een van de twee leverfuncties niet goed werkt, betekent het nog niet dat automatisch tot transplantatie wordt besloten. Er mag niets mis zijn met het hart en de longen van de patiënt.
De leverziekte dient ook zó ernstig te zijn dat andere behandelingen geen nut meer hebben. Een leveraandoening wordt meestal veroorzaakt door een erfelijke ziekte, een virusinfectie, medicijngebruik of overmatig alcoholgebruik. In het laatste geval is de aandoening vaak te behandelen met medicijnen en door te stoppen met drinken. Soms is transplantatie noodzakelijk, maar alcoholisten komen daarvoor in beginsel pas in aanmerking wanneer zij minimaal zes maanden ‘droog staan'.
De levertransplantatie is wellicht de moeilijkste van alle orgaantransplantaties. Veel patiënten verkeren ten tijde van de operatie in een slechte conditie door een gebrek aan eiwitten. De operatie duurt zeven tot acht uur. Er is ook haast geboden bij een transplantatie: tussen het moment van uitname en transplantatie mag maximaal twaalf uur zitten. Ook hier geldt: hoe sneller, hoe beter.
Afstoting bij levertransplantaties is een reële kans. Zo'n 30 tot 40 procent van de patiënten heeft te maken met acute afstotingsverschijnselen (tussen 7 en 21 dagen na de transplantatie). De kans op overleving is ongeveer 85 procent na één jaar en 50 procent na vijf jaar.

Uit: http://www.nrc.nl/W2/Lab/Profiel/Orgaandonatie/weefsels.html

Zie volgende scherm

Immuniteit

2/5 Orgaantransplantatie.

Tegen welk type stoffen wordt een afweerreactie opgeroepen?

Immuniteit

3/5 Orgaantransplantatie.

Voorafgaande aan de afstoting vindt antigeenpresentatie plaats.

Waar wordt het gepresenteerde antigeen vandaan gehaald?

Immuniteit

4/5 Orgaantransplantatie.

Waarom is het zo moeilijk om een ontvanger te vinden met dezelfde weefseltypering (weefselgroep) als die van het donororgaan?

Immuniteit

5/5 Orgaantransplantatie.

Welk type cellen zal het vreemde orgaan als eerste ‘opmerken'?

Immuniteit

Vleermuizen.

Na een beet van een laatvlieger (soort vleermuis) krijgt iemand dezelfde dag nog een serum en een vaccin toegediend tegen rabiës.

Welke vloeistof geeft meteen bescherming tegen een ziekteverwekker, een serum of een vaccin? Leg je antwoord uit.

Immuniteit

1/3 Vogelgriep.

Vogelgriep wordt veroorzaakt door een virus dat in verschillende vormen voorkomt. Het wordt overgedragen door poep van besmette vogels.
Sommige vormen zijn zeer besmettelijk en zeer schadelijk voor pluimvee, zoals kippen, eenden en kalkoenen.
In 2003 veroorzaakte zo'n virus een epidemie op pluimveebedrijven in Nederland. Om vast te stellen of kippen besmet waren, werd hun bloed onderzocht op antistoffen tegen dit virus.
Hoewel er een vaccin tegen het virus bestond, werden de kippen niet ingeënt.
Ingeënte kippen konden namelijk niet verkocht worden aan het buitenland, omdat door bloedonderzoek niet vastgesteld kon worden of een kip besmet was met het virus, of dat de kip was ingeënt.

Leg uit waardoor met bloedonderzoek geen verschil aangetoond kon worden tussen een besmette kip en een ingeënte kip.

Immuniteit

2/3 Vogelgriep.

Er zijn vormen van het virus die ook ziekteverschijnselen bij mensen veroorzaken na besmetting door een vogel. Besmette personen kunnen zo'n virus meestal niet op andere mensen overdragen.
Pas als er een vorm van het virus ontstaat die tussen mensen overgedragen kan worden, bestaat de kans dat veel mensen de ziekte oplopen. Zo'n vorm kan ontstaan als het vogelgriepvirus in het lichaam van iemand terechtkomt die ook besmet is met het menselijk griepvirus. Er is dan een kans dat er een soort mengvorm ontstaat van beide virussen die wél van mens naar mens kan worden overgedragen.
Een inenting tegen het menselijk griepvirus levert geen goede bescherming op tegen het vogelgriepvirus. Toch wordt mensen die bijvoorbeeld door hun werk in aanraking komen met besmet pluimvee, geadviseerd zich te laten inenten tegen het menselijk griepvirus.

Leg uit waarom dit advies gegeven wordt.

Immuniteit

3/3 Vogelgriep.

Leg uit waardoor een inenting tegen een menselijk griepvirus geen goede immuniteit oplevert tegen een andere griep zoals vogelgriep.

Immuniteit

1/3 Dierentuindieren en de gezondheid.

In een dierentuin is er veel contact tussen de dieren en hun verzorgers.
Een groepje leerlingen krijgt van de biologiedocent de opdracht om te onderzoeken of dit contact gevaar oplevert voor de gezondheid van de verzorgers of van de dieren. De leerlingen zoeken hierover informatie op internet. Ook houden ze interviews met verschillende dierverzorgers.

In hun onderzoekverslag schrijven ze onder andere het volgende:
"Sommige ziekteverwekkers zijn zowel voor mensen als voor dieren schadelijk. Zo kunnen apen ziek worden na een infectie met het mazelenvirus of het poliovirus, net als mensen. Maar de kans dat mensen door dierentuindieren besmet worden met een ziekteverwekker is heel klein. De dieren in de dierentuin worden goed gecontroleerd op ziektes. Ze komen ook niet in contact met andere dieren. En de verzorgers zijn als kind al tegen veel ziektes ingeënt.
Wel bestaat het gevaar dat een verzorger gebeten wordt door een giftig dier, zoals een slang of een schorpioen. Daarom heeft een dierentuin een voorraad van veel verschillende soorten serum. Een serum bevat stoffen die het gif onschadelijk maken. Zo'n serum wordt gemaakt door bijvoorbeeld een paard in te spuiten met een kleine hoeveelheid gif. Na enige tijd wordt dan bloed afgenomen bij het paard. Uit dit bloed wordt het serum gemaakt."

Leg uit dat het voor de gezondheid van de dierentuindieren belangrijk is dat hun verzorgers zijn ingeënt tegen verschillende ziektes.

Immuniteit

2/3 Dierentuindieren en de gezondheid.

Om serum tegen een gif te maken, wordt bij een paard wat van dat gif ingespoten.

Werkt dat gif dan als een antigeen?
En werkt het als een antistof?

Immuniteit

3/3 Dierentuindieren en de gezondheid.

Een verzorger die door een slang gebeten is, wordt behandeld met een serum.

Is dit actieve immunisatie of is dit passieve immunisatie? Leg je antwoord uit.

Immuniteit

1/2 Duinen.

De konijnenziekte VHS kan door wilde konijnen overgedragen worden op tamme konijnen. Zieke konijnen sterven snel. Antibiotica helpen niet en er bestaan geen andere geneesmiddelen. Wel kunnen konijnen door de dierenarts ingeënt worden tegen VHS.

Waardoor kan VHS niet genezen worden door antibiotica toe te dienen?

Immuniteit

2/2 Duinen.

Jonge konijntjes van ingeënte moederkonijnen zijn tot op een leeftijd van ongeveer 50 dagen immuun voor VHS. Voor de geboorte zijn via de placenta antistoffen van de moeder overgebracht in het bloed van de konijnenbaby.

Leg uit waardoor zulke jonge konijnen slechts korte tijd immuun zijn.

Immuniteit

Tyfus-Mary.

In het begin van deze eeuw leefde in de VS een kokkin (Mary) die tussen 1901 en 1906 minstens 25 gevallen van tyfus ‘veroorzaakte'. De veroorzaker van tyfus, de bacterie Salmonella typhi, bleek zich in haar darmen te bevinden zonder dat Mary zelf de symptomen van deze ziekte vertoonde.

Noem een oorzaak waardoor tyfus-Mary zelf geen tyfus kreeg.

Immuniteit

Bron van viezigheid.

Volgens sommigen leidt een beetje viezigheid tot meer weerstand.

Leg uit hoe dat dan in zijn werk gaat.