Oefentoets Biologie: Voortplanting - mens_kunstmatige zwangerschap | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 14 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

14

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voortplanting

1/6 Voortplanting.
Zie figuur A 677 van de bijlage.

ICSI is de afkorting van Intra Cytoplasmic Sperm Injection (sperm = spermacel). Bij deze techniek van geassisteerde voortplanting' wordt met een micro-injectienaald één spermacel geïnjecteerd in een secundaire oöcyt (= eicel, zie de afbeelding) waarvan aangenomen kan worden dat deze in de metafase-II verkeert. De cel wordt daartoe gefixeerd met een pipet.
P is het eerste bloedlichaampje.

De diameter van een secundaire oöcyt is ongeveer 100 µm.

Wat is de vergrotingsfactor van de afbeelding?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

2/6 Voortplanting.
Zie figuur A 677 van de bijlage.

In een microscopisch preparaat van een cel kunnen soms chromosomen zichtbaar worden gemaakt door kleuring.

Zijn in een secundaire oöcyt in het stadium zoals dat in de afbeelding is weergegeven, na kleuring chromosomen zichtbaar? Verklaar je antwoord.

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

3/6 Voortplanting.

Als een ICSI-behandeling levensvatbare embryo's oplevert, worden er, net als bij andere vormen van in-vitrofertilisatie, enkele in de baarmoeder geplaatst. Dit gebeurt meestal met embryo's in een vier- tot achtcellig stadium. Een studente noemt vier criteria waarop, voorafgaande aan de implantatie, de levensvatbaarheid van een embryo zou kunnen worden vastgesteld:

1. de aanwezigheid van delende kernen;
2. de beweeglijkheid van het embryo;
3. de grootte van de cellen;
4. het aantal mitochondriën per cel.

Welk van deze criteria geeft de meeste informatie over de kans op een succesvolle ontwikkeling van het embryo?

Voortplanting

4/6 Voortplanting.
Zie figuur C 287 van de bijlage.

Tijdens de ontwikkeling van een oerkiemcel tot een eicel treedt een aantal delingen op die in de afbeelding zijn aangegeven met de cijfers 1, 2 en 3.

Welke van deze delingen is of welke zijn mitotisch?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

5/6 Voortplanting.
Zie figuur A 678 van de bijlage.

In de afbeelding is het verloop van het aantal primaire oöcyten gegeven. Deze oöcyten ontwikkelen zich in het embryo. Op een leeftijd van 50 jaar zijn geen primaire oöcyten meer aanwezig.

Over de oorzaak waardoor het aantal primaire oöcyten in de tweede helft van de embryonale ontwikkeling afneemt, worden twee beweringen gedaan:

1. Het aantal neemt af doordat primaire oöcyten zich ontwikkelen tot secundaire oöcyten.
2. Het aantal neemt af doordat primaire oöcyten samensmelten tot oögoniën.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

6/6 Voortplanting.

Bij een bepaalde vrouw vond haar eerste menstruatie plaats op de leeftijd van dertien jaar en vier maanden.
Toen zij 52 jaar en zes maanden was, had zij haar laatste menstruatie. In geval van ongestoorde menstruatiecycli zouden bij haar ongeveer 500 eicellen zijn gerijpt. In werkelijkheid blijkt dit aantal kleiner te zijn, doordat niet al haar cycli ongestoord zijn.

Noem vier oorzaken waardoor bij haar een kleiner aantal eicellen is gerijpt.

Voortplanting

1/4 Angst voor kanker.

GEEN AANWIJZING VOOR KANKER DOOR IVF-BEHANDELING.

Een Australisch onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd dat het gebruik van hormonen om de eisprong te stimuleren het risico op kanker verhoogt (Lancet, 14 oktober). De afgelopen jaren waren er enkele onderzoeken gepubliceerd die een dergelijk verband suggereerden. Zo bleek vorig jaar uit een Amerikaans artikel dat onder vrouwen die een eisprongstimulatie hadden ondergaan 2,3 keer zo vaak ovariumkanker voorkwam. Ovariumkanker is echter een zeer zeldzame vorm van kanker; in absolute getallen ging het in dit groot opgezette onderzoek onder 3800 vrouwen om slechts 11 gevallen van ovariumkanker. Toch hebben dit soort observaties geresulteerd in bezorgdheid over de lange-termijneffecten van eisprongstimulatie, zoals die bijvoorbeeld wordt toegepast bij in-vitro-fertilisatie (IVF).
Bij het nieuwe onderzoek in Australië ging het om ruim 10.000 vrouwen uit de stad Melbourne, die tussen 1978 en 1992 wegens onvruchtbaarheid de plaatselijke IVF-kliniek hadden bezocht. Iets meer dan de helft van deze vrouwen was behandeld met eisprongstimulerende hormonen, zoals clomifeen of humaan-menopausaal-gonadotrofine. In de meeste gevallen ging het om minder dan drie cycli. De andere helft van de vrouwen was niet met dergelijke hormonen behandeld, bijvoorbeeld omdat ze spontaan zwanger waren
geworden of omdat bij hen een eicel via de natuurlijke weg was verkregen. Deze vrouwen fungeerden in het onderzoek als controlegroep. Nu, gemiddeld 5 jaar nadien (uitersten 1 en 15 jaar) hebben de onderzoekers via regionale en nationale kankerregisters uitgezocht hoeveel
van deze 10.000 vrouwen inmiddels kanker hebben gekregen.
Slechts 6 van hen bleken ovariumkanker te hebben, in beide groepen 3. Verder stonden er 34 gevallen van invasieve borstkanker geregistreerd, 16 in de groep die met hormonen behandeld was en 18 in de controlegroep. Het Australische onderzoek levert dus geen enkele aanwijzing dat eisprongstimulatie met hormonen vaker tot kanker leidt. Bij hun resultaten tekenen de Australiërs wel aan dat het aantal gevallen van ovariumkanker bijzonder klein was, zodat daar nauwelijks een conclusie uit getrokken kan worden. Bovendien was de duur van het onderzoek nog betrekkelijk kort; kanker komt immers vaak zeer langzaam tot ontwikkeling.
Een definitieve conclusie kan dus pas getrokken worden als de vrouwen vele jaren langer gevolgd zijn.

(NRC-Handelsblad, 26 oktober 1995).

Zie volgende scherm

Voortplanting

2/4 Angst voor kanker.

Beschrijf wat bij een IVF-behandeling wordt gedaan.

Voortplanting

3/4 Angst voor kanker.

Leg uit waarom het nieuwe Australische onderzoek geen aanwijzingen levert voor een vaker voorkomen van kanker.

Voortplanting

4/4 Angst voor kanker.

Geef een mogelijke verklaring met minstens drie argumenten voor de verschillen in uitkomst tussen het Amerikaanse en het Australische onderzoek.

Voortplanting

1/2 In vitro fertilisatie.
Zie figuur B 2593 van de bijlage.

Bij in vitro fertilisatie (IVF) worden eicellen buiten het lichaam bevrucht door spermacellen. Een bevruchte eicel ontwikkelt zich en wordt vervolgens meestal in een meercellig stadium, bijvoorbeeld in het morulastadium, in de baarmoeder geïmplanteerd. In de afbeelding zijn drie embryonale stadia, waaronder de morula, weergegeven.

De voorkeur voor implantatie van embryo's in het morulastadium berust op de mening dat andere stadia minder geschikt zijn voor implantatie.

Noem een reden waarom men een bevruchte eicel minder geschikt vindt voor implantatie in de baarmoeder.
En noem een andere reden waarom men een blastula minder geschikt vindt voor implantatie
in de baarmoeder.

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

2/2 In vitro fertilisatie.

Er worden meestal meer eicellen bevrucht dan er uiteindelijk worden gebruikt voor implantatie. De meningen over wat men kan en mag doen met de niet-gebruikte embryo's zijn verdeeld.
Sommige onderzoekers zijn van oordeel dat deze niet-gebruikte embryo's voor wetenschappelijk onderzoek kunnen worden benut. Anderen zijn van oordeel dat niet-gebruikte embryo's nooit voor wetenschappelijk onderzoek mogen worden toegepast.
In deze discussie worden ethische, godsdienstige en natuurwetenschappelijke argumenten door elkaar heen gebruikt.

Welk van deze standpunten moet je kiezen als je alleen natuurwetenschappelijke argumenten wilt gebruiken? Geef een natuurwetenschappelijk argument voor het standpunt dat je hebt gekozen.

Voortplanting

In-vitrofertilisatie.
Zie figuur B 5880 van de bijlage.

Bij vrouwen kunnen verschillende vormen van onvruchtbaarheid voorkomen. Een reden kan zijn dat een eileider niet doorgankelijk is voor een eicel. In-vitrofertilisatie (reageerbuisbevruchting) kan dan een manier zijn om toch zwanger te worden. Dit gebeurt door eicellen uit een eierstok te winnen. Die eicellen worden buiten het lichaam bevrucht.
In de afbeelding hiernaast is schematisch de regeling van een deel van de hormoonhuishouding van een vrouw te zien. De hormonen zijn genummerd van 1 t/m 6.
De behandeling begint met het toedienen van FSH, tevens wordt er dan een antagonist van Gn-RH toegediend.

De volgende vragen gaan over het begin van de behandeling.
- Waarom wordt de behandeling begonnen met het toedienen van FSH?
- Waarom wordt er dan ook een antagonist van Gn-RH toegediend?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Koude cellen.

Een vrouw die wel een kinderwens heeft, maar geen vruchtbare man, kan om toch zwanger te raken, gebruik maken van donorsperma dat bewaard wordt in een spermabank. In deze banken wordt het sperma bewaard in vloeibare stikstof (- 196ºC); bij deze temperatuur zijn de stofwisselingsprocessen in de spermacellen gestopt.
Banken voor eicellen bestaan (nog) niet omdat het diepvriezen van eicellen problemen oplevert.

Wat is hiervoor de verklaring?