Oefentoets Biologie: Immuniteit | HAVO 4/HAVO 5 | variant 2

Deze oefentoets bevat 61 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

61

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Immuniteit

Bacteriën.

Men heeft een zeer kleine hoeveelheid bacteriën geïsoleerd van een soort die bij koeien een bepaalde ziekte verwekt. De beschikbare bacteriën worden in enkele gezonde koeien geïnjecteerd.

Hieronder zijn de vier handelingen vermeld.

1. Uit de geïnfecteerde koeien worden antistoffen tegen de bacterie geïsoleerd.
2. Uit de geïnfecteerde koeien worden bacteriën geïsoleerd en kunstmatig verzwakt.
3. Antistoffen tegen deze bacterie worden in de te immuniseren koeien geïnjecteerd.
4. Een geringe dosis van de verzwakte bacteriën wordt in de te immuniseren koeien geïnjecteerd.

Welke van bovengenoemde handelingen moet men uitvoeren en in welke volgorde om een groot aantal koeien actief te immuniseren tegen deze ziekte?

Immuniteit

Immuun.

Wanneer iemand immuun is voor een door een bacterie veroorzaakte infectieziekte, wil dat zeggen dat deze persoon

Immuniteit

Mazelen.

Nederlandse kinderen worden volgens een landelijk vaccinatieprogramma ingeënt tegen bepaalde ziektes, waardoor langdurige immuniteit tegen deze ziektes ontstaat.
Een voorbeeld daarvan is inenting tegen mazelen, een kinderziekte die wordt veroorzaakt door een virus.

Welke bestanddelen zullen in de entstof tegen mazelen aanwezig zijn?

Immuniteit

Aids.

Aids is een ziekte waarbij het immuunsysteem door een virus wordt aangetast. Er bestaat een aidstest, waarmee men in het bloedserum antistoffen tegen het aidsvirus (HIV) kan aantonen. Treft men deze antistoffen aan, dan is de geteste persoon HIV-seropositief.
Een persoon P die nooit een bloedtransfusie heeft gehad, wordt onderzocht op de aanwezigheid van deze antistoffen. Hij blijkt HIV-seropositief te zijn.
Over de bij persoon p aangetroffen antistoffen worden de volgende beweringen gedaan:

1. Dit zijn stoffen die bij de besmetting tegelijk met het aidsvirus (HIV) het lichaam van persoon p zijn binnengedrongen.
2. Dit zijn stoffen die als reactie op het binnengedrongen aidsvirus (HIV) door het lichaam van persoon p zijn gemaakt.
3. Dit zijn stoffen die uit de aidsvirussen (HIV) zijn vrijgekomen toen witte bloedcellen van persoon p deze virussen afbraken.
4. Dit zijn stoffen die zich altijd op de buitenkant van een aidsvirus (HIV) bevinden.

Welke van deze beweringen is juist?

Immuniteit

Antistoffen.
Zie figuur B 315 van de bijlage.

Een hoeveelheid van een specifiek antigeen (lichaamsvreemd eiwit) wordt bij iemand ingespoten. Grafiek P geeft het verband tussen de hoeveelheid antistof die na de injectie wordt gevormd en de tijd die nodig is voor deze vorming.

Hoe zal de grafiek er uit zien bij een injectie met een even grote hoeveelheid van hetzelfde antigeen zes maanden later?

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

Verkoudheid.

Verkoudheid kan worden veroorzaakt door verschillende virussen. Wanneer iemand van een verkoudheid die door een virus is veroorzaakt, is genezen, kan hij vrij kort daarna opnieuw verkouden worden als gevolg van een virusinfectie.

Hiervoor worden verschillende verklaringen geopperd:

1. De antistoffen die tegen verkoudheidsvirussen worden gevormd, zijn slechts enkele uren in het lichaam werkzaam.
2. De antistoffen die tegen het ene verkoudheidsvirus zijn gevormd, bieden geen bescherming tegen een ander verkoudheidsvirus.
3. Na de eerste verkoudheid is de hoeveelheid antigenen in zijn lichaam toegenomen.
4. Er zijn alleen antistoffen tegen een verkoudheidsvirus in het lichaam aanwezig, zolang dat virus in het lichaam actief is.

Welke van deze verklaringen is juist?

Immuniteit

Antistoffen.

In de volgende gevallen worden bij de mens weefsels overgebracht:

1. bij een harttransplantatie,
2. bij een transfusie waarbij iemand met bloedgroep AB Rh- voor de eerste keer bloed krijgt van iemand met bloedgroep AB Rh+,
3. bij een bypassoperatie, waarbij een stukje bloedvat uit een been van een patiënt wordt overgebracht naar zijn hart.

In welk of in welke van deze gevallen is op grond van de vermelde gegevens te verwachten dat antistoffen tegen het overgebrachte weefsel of tegen de overgebrachte weefsels zullen worden geproduceerd?

Immuniteit

Antistoffen.

Een resusnegatieve patiënt met bloedgroep A ontvangt per ongeluk een kleine hoeveelheid resuspositief bloed van een donor met bloedgroep 0.
Enkele weken later wordt bepaald welke antistoffen in het bloed van deze patiënt aanwezig zijn.

Welke antistof is of welke antistoffen zijn als gevolg van de transfusie door deze patiënt geproduceerd?

Immuniteit

Immuniteit.

Op een bepaald tijdstip breekt een door bacteriën veroorzaakte besmettelijke ziekte uit. Het blijkt dat een vrouw voor deze ziekte immuun is.
Een half jaar later breekt de ziekte opnieuw uit en dezelfde vrouw wordt nu zwaar ziek.

De immuniteit van deze vrouw tijdens de eerste periode was waarschijnlijk

Immuniteit

Tetanus en serum.

Tetanus is een infectieziekte die gepaard gaat met spierkrampen. Iemand die besmet is met tetanusbacteriën kan passief worden geïmmuniseerd door een injectie met serum met antistoffen tegen deze tetanusbacteriën.
Vroeger werd dit serum verkregen door bloed af te nemen bij een dier (bijvoorbeeld een paard) dat bij herhaling met kleine hoeveelheden tetanusbacteriën was ingespoten.
Als de patiënt nog meer seruminjecties nodig had, kreeg hij niet opnieuw paardenserum. De ervaring had geleerd dat er dan heftige reacties konden optreden. De patiënt kreeg dan serum van een rund of van een schaap.

Wat is de verklaring voor deze heftige reactie bij het opnieuw toedienen van paardenserum?

Immuniteit

Transplantatie.

Bij transplantatie van een orgaan of weefsel kunnen na enige tijd afstotingsverschijnselen optreden. De kans hierop is groot als het getransplanteerde orgaan stoffen bevat die niet in het ontvangende individu voorkomen. Deze stoffen stimuleren de vorming van bepaalde witte bloedcellen en de productie van antistoffen, die verantwoordelijk zijn voor de afstotingsverschijnselen.
Vier voorbeelden van orgaan- of weefseltransplantatie zijn:

1. transplantatie van een hart van een niet-verwante donor met bloedgroep A naar een ontvanger met bloedgroep A,
2. transplantatie van een nier afkomstig van een eeneiige tweelingbroer van de ontvanger,
3. transplantatie van een nier afkomstig van een nicht van de ontvanger,
4. transplantatie van een stuk huid van een been op het gezicht van dezelfde persoon.

Bij welke van de genoemde transplantaties is de kans op afstotingsverschijnselen in de regel het kleinst?

Immuniteit

1/3 Afweer tegen ziekteverwekkers.

In het bloed van de mens komen bepaalde witte bloedcellen voor, de B-lymfocyten. Deze B-lymfocyten spelen een belangrijke rol bij de bestrijding van ziekteverwekkers. Hecht zich een antigeen aan een B-lymfocyt, dan begint deze lymfocyt te groeien en zich te delen. Uit deze lymfocyt ontstaan dan na enkele dagen talrijke cellen die beginnen met de productie en afscheiding van antistoffen. Deze B-lymfocyten worden dan actieve lymfocyten genoemd. Als de ziekteverwekker afdoende bestreden is, verdwijnen de meeste actieve lymfocyten.
Een aantal blijft in leven en maakt een rustfase door. Deze lymfocyten worden dan geheugencellen genoemd.
Zodra een geheugencel in aanraking komt met eenzelfde ziekteverwekker, wordt hij sneller dan bij de eerste infectie geactiveerd.
In het elektronenmicroscopische beeld zijn actieve lymfocyten duidelijk te onderscheiden van geheugencellen.
In verband met de productie van antistoffen zijn in de actieve lymfocyten bepaalde organellen uitgebreider of in grotere aantallen aanwezig.

Welke organellen zijn dit?

Immuniteit

2/3 Afweer tegen ziekteverwekkers.

Worden bij het tot stand komen van actieve immunisatie tegen een bepaalde ziekteverwekker geheugencellen gevormd?
En bij passieve immunisatie?

Immuniteit

3/3 Afweer tegen ziekteverwekkers.
Zie figuur C 156 van de bijlage.

Op tijdstip P wordt iemand geïnfecteerd met een bepaalde ziekteverwekker. Op tijdstip Q, een jaar later, treedt voor de tweede maal infectie op met eenzelfde ziekteverwekker. De concentratie antistoffen in het bloed van deze persoon ondergaat hierdoor veranderingen.

Welk van de in afbeelding C 156 weergegeven diagrammen geeft de te verwachten concentraties antistoffen weer als gevolg van infecties op de tijdstippen P en Q?

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

1/6 Bacteriën, vaccins en antistoffen.

Bepaalde bacteriën, zoals pneumokokken, zijn in ontwikkelingslanden een belangrijke oorzaak van ernstige longontstekingen. Nogal wat jonge kinderen sterven eraan.
Pasgeborenen zijn bij infectie met deze bacteriën volledig afhankelijk van de antistoffen die ze van hun moeder via de placenta hebben meegekregen, omdat hun eigen afweersysteem nog niet volledig ontwikkeld is.
Artsen in Bangladesh hebben onderzocht of het mogelijk is pasgeboren en jonge kinderen te immuniseren tegen pneumokokken door de moeder tijdens de zwangerschap in te enten met een vaccin. Dit vaccin is gemaakt uit kapselbestanddelen van deze bacterie.

Treedt bij de moeder actieve of passieve immunisatie op? Verklaar je antwoord.

Immuniteit

2/6 Bacteriën, vaccins en antistoffen.
Zie figuur A 584 van de bijlage.

Antistoffen komen vanuit het moederlijke bloed in het bloed van de foetus.

In de afbeelding A 584 zijn zeven delen genummerd.

Geef met behulp van de nummers, in de juiste volgorde, de kortste route aan die antistoffen uit een haarvat van de moeder afleggen naar de foetus. Gebruik hiervoor vijf van de zeven nummers.

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

3/6 Bacteriën, vaccins en antistoffen.
Zie figuur C 218 van de bijlage.

De bacterie Helicobacter pylori is de laatste jaren regelmatig in het nieuws omdat deze bacterie betrokken is bij het ontstaan van maagzweren. Een maagzweer is een beschadiging van de binnenkant van de maagwand. Tot in de jaren tachtig was bijna iedereen ervan overtuigd dat een maagzweer werd veroorzaakt door een overmatige productie van maagzuur, die in veel gevallen het gevolg zou zijn van stress.

In de afbeelding C 218 zijn gegevens over de grootte van organismen weergegeven.

Bestaan er volgens de afbeelding bacteriën die met een lichtmicroscoop zijn waar te nemen? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

4/6 Bacteriën, vaccins en antistoffen.

De maagwand is beschermd tegen het ontstaan van maagzweren.

Leg uit op welke wijze de maagwand beschermd is tegen het ontstaan van een maagzweer door Helicobacter?

Immuniteit

5/6 Bacteriën, vaccins en antistoffen.

Waardoor kunnen de meeste soorten bacteriën zich niet handhaven in de maag?

Immuniteit

6/6 Bacteriën, vaccins en antistoffen.

Onlangs publiceerden Weense wetenschappers de resultaten van een onderzoek. Ze hadden een groep van 104 patiënten met een maagzweer in tweeën gesplitst. Tweeënvijftig patiënten werden behandeld met antibiotica; de andere tweeënvijftig kregen een middel te slikken dat de productie van maagzuur remt. Uit het onderzoek bleek het volgende:
afbeeldingafbeelding

Twee leerlingen doen over dit onderzoek de volgende beweringen:

Leerling 1 zegt: "Uit het onderzoek blijkt dat na bestrijding van Helicobacter met antibioticum zeven à acht maal zoveel patiënten na een jaar genezen zijn als na het gebruik van een zuurremmer."
Leerling 2 zegt: "Uit het onderzoek blijkt dat de bestrijding van Helicobacter met antibioticum tegelijk met de remming van de productie van maagzuur het beste resultaat oplevert."

Van wie is de bewering juist?

Immuniteit

1/2 Immunisatie.

Het lichaam van de mens heeft een aantal mechanismen om te voorkomen dat binnengedrongen organismen schade veroorzaken. Tegen binnengedrongen organismen kan ook kunstmatige immunisatie worden toegepast.
Er zijn twee vormen van kunstmatige immunisatie: actieve en passieve.
Bij actieve immunisatie kan iemand worden ingespoten met verzwakte ziekteverwekkers. Bij passieve immunisatie wordt iemand ingespoten met antistoffen.

Wordt immuniteit na één keer te zijn ingespoten voor een periode van vijf jaar verkregen bij actieve of bij passieve immunisatie of bij beide?

Immuniteit

2/2 Immunisatie.

Antistoffen voor kunstmatige immunisatie kunnen onder andere worden verkregen uit bloed van een dier dat is ingespoten met een ziekteverwekker.
Tot voor kort kon een patiënt tegen een bepaalde ziekte slechts éénmaal worden ingespoten met serum van een paard, dat op deze wijze was behandeld. Een tweede maal werd de patiënt ingespoten met serum van bijvoorbeeld een koe, die was ingespoten met de betrokken ziekteverwekker.

Wat is de reden dat de patiënt niet voor een tweede keer werd ingespoten met serum van het paard?

Immuniteit

1/3 Immunisering tegen buiktyfus.

Mensen die op reis gaan naar de tropen dienen zich onder andere te laten immuniseren tegen buiktyfus. Deze gevaarlijke ziekte wordt veroorzaakt door salmonellabacterie die in het darmkanaal terecht komen. Besmetting kan men bijvoorbeeld oplopen door water te drinken dat met ontlasting is vervuild.
Men kan tegenwoordig immuniteit verkrijgen door enkele capsules te slikken waarin zich verzwakte bacteriën van deze soort bevinden. De capsules zijn zo gemaakt dat ze niet oplossen in de maag, maar wel in de twaalfvingerige darm. Twee weken na het slikken is men dan minimaal 3 jaar immuun tegen deze ziekte.

Twee beweringen over immunisering tegen buiktyfus zijn:

1. het slikken van de genoemde capsules is de enige manier om immuun tegen deze ziekte te worden,
2. immunisering van bewoners van de tropen is niet nodig, omdat zij een erfelijke immuniteit tegen buiktyfus hebben.

Is bewering 1 juist?
En bewering 2?

Immuniteit

2/3 Immunisering tegen buiktyfus.

Wat is de reden dat de verzwakte bacteriën in capsules worden toegediend die niet in de maag oplossen?

Immuniteit

3/3 Immunisering tegen buiktyfus.

Waardoor wordt pas na twee weken volledige immuniteit bereikt?

choiceInteraction

1/6 Infectieziekten.

Bepaalde ziekten worden veroorzaakt door bacteriën, andere door virussen.
afbeeldingafbeelding
afbeeldingafbeelding
Zie volgende scherm

Immuniteit

2/6 Infectieziekten.

Ter bestrijding van welke van de ziekten griep, hepatitis, tetanus en tuberculose heeft het zin antibiotica te gebruiken?

Immuniteit

3/6 Infectieziekten.

Tegen welke van de ziekten griep, tetanus en tuberculose zullen in ons lichaam aanwezige lymfocyten na besmetting antistoffen produceren?

Immuniteit

4/6 Infectieziekten.
Zie figuur A 485 van de bijlage.

Een arts wil laten onderzoeken of er antistoffen tegen hepatitis in het bloedserum van een patiënt aanwezig zijn.
Een laborant gebruikt bij dit onderzoek een petrischaal met een agarbodem (zie de afbeelding, links). Hij brengt bloedserum van die patiënt in een kuiltje (Q) in de agarbodem. In een ander kuiltje (P) in deze agarbodem zijn al bepaalde stoffen aanwezig. De stoffen in de kuiltjes P en Q verspreiden zich door de agar en reageren met elkaar. Op de plaats van de reactie ontstaat een neerslag (zie afbeelding, rechts).

Welke stoffen bevonden zich in kuiltje P?

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

5/6 Infectieziekten.

In het lichaam van de mens zijn onder andere drie typen vocht te onderscheiden: bloedplasma, lymfe en weefselvocht.

In welk of welke van deze drie typen vocht kunnen antistoffen voorkomen?

Immuniteit

6/6 Infectieziekten.

Een probleem bij het gebruik van antibiotica is dat de ziekteverwekkers hiertegen resistentie kunnen ontwikkelen.

Noem een behandeling waarmee soms een patiënt kan worden genezen die is geïnfecteerd met een ziekteverwekker die tegen alle antibiotica resistent is.

Immuniteit

1/4 De koe als apotheker.

De volgende tekst stond een aantal jaren geleden in de krant.
Tekst:
In tropische landen hebben veel toeristen last van reizigersdiarree. Een toerist wordt bijvoorbeeld via het voedsel besmet met voor zijn lichaam onbekende bacteriën. Er zijn dan niet direct voldoende hoeveelheden antistoffen in zijn lichaam aanwezig, zodat de bacteriën zich kunnen vermeerderen en diarree kunnen veroorzaken.
Patiënten met reizigersdiarree kunnen hierdoor snel uitdrogen, vooral als ze geen extra water drinken.
Tegenwoordig kan men antistoffen tegen deze bacteriën isoleren uit melk van op een bepaalde wijze behandelde koeien. Een injectie met deze antistoffen kan een toerist gedurende enige tijd tegen deze hinderlijke ziekteverschijnselen beschermen.

Waardoor zijn niet direct antistoffen in het bloed beschikbaar als een reiziger besmet wordt met voor de afweer onbekende bacteriën?

Immuniteit

2/4 De koe als apotheker.

Waardoor droogt een patiënt met reizigersdiarree snel uit?

Immuniteit

3/4 De koe als apotheker.

In de tekst staat dat de benodigde antistoffen worden geïsoleerd uit de melk van koeien die op een bepaalde manier zijn behandeld.

Welke van de onderstaande behandelwijzen zou dit kunnen zijn geweest?

Immuniteit

4/4 De koe als apotheker.

Waardoor is de reiziger die een injectie met antistoffen heeft gehad, niet blijvend beschermd tegen reizigersdiarree?

Immuniteit

1/2 HLA-factoren.

Tegenwoordig wordt regelmatig weefsel- of orgaantransplantatie toegepast: weefsel of een orgaan van een donor wordt overgebracht in het lichaam van een patiënt van wie het desbetreffende weefsel of orgaan niet meer functioneert. Een belangrijk probleem hierbij is de afweer die optreedt in het lichaam van de patiënt, waardoor afstoting van het ontvangen weefsel of orgaan kan optreden. Bij het herkennen van de eigen lichaamscellen en bij deze afweer tegen lichaamsvreemde elementen spelen de zogeheten HLA-factoren een belangrijke rol.
HLA-factoren zijn membraaneiwitten. De HLA-moleculen en de genen voor deze eiwitten worden verdeeld in de groepen A, B, C en D. Zowel groep A, als B, als C, als D omvat meer dan twee allelen die met nummers worden aangegeven, bijvoorbeeld A1, A2, A3, enzovoort.

Een jongen heeft voor de HLA-factoren het genotype A1 A3, B2 B4, C5 C7, D1 D4. Zijn moeder heeft daarvoor het genotype A1 A2, B4 B5, C2 C5, D3 D4.

Welke allelen voor de HLA-factoren heeft deze jongen van zijn vader overgeërfd wanneer men er van uitgaat dat er geen mutatie optreedt?

Immuniteit

2/2 HLA-factoren.

Vastgesteld is dat bij willekeurige ouderparen met twee kinderen die geen ééneiige tweelingen zijn, de kans dat deze kinderen precies dezelfde HLA-factoren hebben, 25% is.

Zijn genen voor HLA-factoren gekoppeld of niet, of is dat op grond van dit gegeven niet te bepalen?

Immuniteit

1/3 Weefseltransplantatie.
Zie figuur C 389 van de bijlage.

In 2003 is in het Academisch Ziekenhuis Groningen voor het eerst succesvol een transplantatie uitgevoerd van eilandjes van Langerhans die van de patiënt zelf afkomstig waren. De patiënt had een zeer ernstige ontsteking van de alvleesklier. Dit orgaan werd verwijderd, waarna de nog intact zijnde eilandjes van Langerhans uit de alvleesklier werden geïsoleerd. Na zuivering zijn ze via een bloedvat in de lever van de patiënt gebracht. En daar produceerden ze na korte tijd voldoende insuline (zie de afbeelding).

Via welke weg verlaat insuline, dat na de transplantatie gemaakt wordt, de lever?

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

2/3 Weefseltransplantatie.

Na een succesvolle transplantatie kan de patiënt wel zelf insuline en glucagon maken, maar niet al zijn problemen zijn opgelost. Hij zal zijn hele leven een streng dieet moeten volgen.

- Noem een functie van de alvleesklier die na de transplantatie van de eilandjes van Langerhans niet door de lever kan worden overgenomen.
- Welk gevolg heeft dat?

Immuniteit

3/3 Weefseltransplantatie.
Zie figuur C 390 van de bijlage.

Type-1 diabetes is een auto-immuunziekte, waarbij de patiënt antistoffen maakt tegen de eigen cellen van de eilandjes van Langerhans. Omdat bij veel patiënten dit type diabetes zich op jonge leeftijd ontwikkelt, wordt ook wel gesproken over jeugddiabetes. In de diagrammen hieronder is tijdstip P het moment dat de auto-immuunziekte begint. Hierdoor veranderen de concentraties glucose en insuline in het bloed.

Welk van de diagrammen geeft op de juiste manier weer hoe de concentraties glucose en insuline in de maanden volgend op tijdstip P veranderen als er niet ingegrepen wordt?

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

1/2 Nieuw vaccin tegen reuma.

In Nederland lijdt twee procent van de bevolking aan de een of andere vorm van reuma.
Veel artsen gaan ervan uit dat reuma een auto-immuunziekte is, een ziekte die ontstaat door een fout in het immuunsysteem. Bij reuma herkent het immuunsysteem een bepaald eiwit uit het gewrichtskapsel niet meer als lichaamseigen en zet de aanval in op dat eiwit.
Het gevolg is dat de gewrichtsbekleding wordt afgestoten en er een ontstekingsreactie optreedt. Onderzoekers proberen een remedie te vinden tegen deze ziekte door in te grijpen in het immuunsysteem. Bij dit onderzoek gebruiken ze ratten met reuma als proefdieren. Bepaalde witte bloedcellen, die antistoffen vormen in de rat, worden buiten het lichaam bewerkt met de bedoeling dat ze het gewrichtseiwit weer als lichaamseigen herkennen. Vervolgens worden deze bewerkte witte bloedcellen als vaccin teruggebracht in de ratten. De reumaverschijnselen bij de ratten verminderen als gevolg daarvan. Of dit ook bij mensen zo werkt, moet nog worden afgewacht.

De term vaccin die de onderzoekers gebruiken voor de bewerkte witte bloedcellen is niet overeenkomstig de normale betekenis van het begrip vaccin. Leg uit waarom niet.

Immuniteit

2/2 Nieuw vaccin tegen reuma.

Bij het opbouwen van normale immuniteit worden antistoffen gevormd tegen antigenen.

Komt de rol van het eiwit uit het gewrichtskapsel bij reuma (zie tekst) overeen met de rol van antistoffen of met de rol van antigenen bij normale immuniteit? Geef een verklaring voor je antwoord.

Immuniteit

1/3 Virussen.
Zie figuur B 1406 van de bijlage.

De meeste virussen bestaan uit een streng DNA, waaromheen zich een eiwitmantel bevindt. Het virus-DNA wordt bij een infectie in gastheercellen overgebracht. Na het binnendringen van het virus-DNA in de gastheercel kunnen in deze gastheercel nieuwe complete virussen worden geproduceerd. Deze nieuwe virussen kunnen andere gastheercellen infecteren. Dit proces is schematisch weergegeven in de afbeelding.
Bij de afweer van de mens tegen virussen spelen witte bloedcellen een belangrijke rol.
Bepaald witte bloedcellen herkennen de besmette cellen en vernietigen deze. Daarnaast kunnen witte bloedcellen antistoffen tegen virusantigenen vormen.

Welke van de in de tekst genoemde virusdelen kunnen als antigeen dienen waartegen de witte bloedcellen van de mens antistoffen vormen?

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

2/3 Virussen.

Enkele leerlingen wordt gevraagd uit te leggen waardoor het virus-DNA in staat is om gastheercellen viruseiwitten te laten produceren.

Leerling 1 beweert dat elk virus zo aan de gastheer is aangepast dat het virus-DNA precies overeenkomt met het gastheer-DNA.
Leerling 2 beweert dat het virus behalve virus-DNA ook virus-ribosomen in de gastheercel overbrengt waardoor de gastheercel eiwitmantels kan gaan maken. Het virus-DNA verdubbelt zich.
Leerling 3 beweert dat het principe van codering in het DNA in de hele natuur hetzelfde is. De gastheercellen zullen dan ook op grond van het virus-DNA viruseiwitten kunnen produceren.

Welke leerling heeft een juiste uitspraak gedaan?

Immuniteit

3/3 Virussen.

Bij een Aidstest onderzoekt men of iemand seropositief is. Seropositief betekent dat zich in het bloedserum bepaalde eiwitten bevinden die wijzen op besmetting met HIV, het virus dat AIDS veroorzaakt. Hoewel de Aidstest zeer gevoelig is, is een besmetting enkele dagen na de besmetting nog niet aan te tonen.

De aanwezigheid van welke stoffen wordt door een positieve Aidstest vastgesteld?

Ziekten

1/7 Afwijkend hemoglobine.
Zie figuur A 1034 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding

Sikkelcelanemie en a-thalassemie zijn ziekten bij de mens die worden veroorzaakt door afwijkend hemoglobine. Het gen dat bij sikkelcelanemie is veranderd, maakt deel uit van chromosoom 11, terwijl een afwijkend gen van chromosoom 16 a-thalassemie veroorzaakt. De twee onveranderde genen zijn samen verantwoordelijk voor goed werkende hemoglobinemoleculen. Ze coderen respectievelijk voor b- en a-hemoglobine. Sikkelcelanemie en a-thalassemie treden alleen op bij mensen die homozygoot zijn voor het betreffende, afwijkende gen. De ziekten worden gekenmerkt door klachten als lusteloosheid en vermoeidheid.

Malaria is een ziekte die wordt veroorzaakt door de eencellige Plasmodium. Bij de ontwikkeling en verspreiding van de parasiet dienen de mens en de mug afwisselend als gastheer (zie de afbeelding A 1034).

De malariamuggen steken om bloed op te zuigen. Als een mug iemand steekt die al besmet is, krijgt zij, met het opgezogen bloed, voortplantingscellen van de parasiet binnen. In de darm van de mug (3 in de afbeelding) vindt bevruchting plaats. Hierna vermeerdert de parasiet zich en komt ten slotte in de speekselklieren van de mug. Als de mug vervolgens iemand steekt die nog niet besmet is, worden kiemen (sporozoïeten in de afbeelding) van Plasmodium bij het volgende slachtoffer geïnjecteerd. De kiemen komen daarna in de lever (1 in de afbeelding) terecht, waar ze zich ontwikkelen. In de lever deelt de parasiet zich ongeslachtelijk. In een bepaalde ontwikkelingsfase komen de eencelligen in het bloed in rode bloedcellen terecht (2 in de afbeelding). Daarin delen ze zich, tot de rode bloedcel uiteenvalt, waarna de nieuwe generatie parasieten opnieuw rode bloedcellen binnendringt. Dit herhaalt zich meerdere keren. Symptomen van malaria zijn koortsaanvallen, bloedarmoede en een opgezette milt.

Zie volgende scherm


-

Immuniteit

Ziekte en genezing.

Bij een pasgeborene wordt het slijmvlies van het spijsverteringskanaal vooral beschermd door antistoffen van het type IgA uit moedermelk.

Hoe wordt deze via de moedermelk verkregen immuniteit genoemd?

Immuniteit

1/3 Zoenen.

Zoenen is lekker, maar kan ook goed voor je zijn. Uit onderzoek bleek dat zoenen kan helpen tegen reacties op pollen (hooikoorts) en op de huisstofmijt.

Hoe noemt men dergelijke reacties in de medische wereld?

Dat noemt men [invulveld] reacties.

Immuniteit

2/3 Zoenen.

Bij zoenen spelen de lippen een zeer belangrijke rol.

Dat komt doordat lippen zeer rijk zijn aan …………………..

[invulveld]

Immuniteit

3/3 Zoenen.
Zie figuur B 5483 van de bijlage.

Tijdens een hartstochtelijke zoen verbruik je in 10 seconden ongeveer 1,1 kcal.
Maar om net zo veel te verbranden als een marathonloper, moet je wel erg lang zoenen! Kristina Reinhart en Nikola Matovic (zie afbeelding hiernaast) hebben het wereldrecord met 32 uur, 7 minuten en 14 seconden.
Gegeven is dat een marathonloper in 2 uur en 10 minuten 11.700 kJ heeft verbruikt.

Laat met een berekening zien of Kristina en Nikola de marathonloper overtreffen (er vanuit gaande dat ze steeds hartstochtelijk blijven zoenen).

afbeeldingafbeelding

Ziekten

1/6 Joes Kloppenburg.

Lees de tekst hieronder.

In 1996 wilde Joes Kloppenburg even wat eten voordat hij naar discotheek 'Dansen bij Jansen' zou gaan. Met een vriend liep hij naar de snackbar, een paar deuren verder. Vier opgefokte, dronken jongens waren daar ruzie aan het zoeken. Ze provoceerden en sloegen mensen in elkaar. Joes riep: ‘Kappen nou!’ Het werkte als een rode lap. Joes werd geschopt en geslagen, tot hij dood was. Hij was 26 jaar.

Op die bewuste dag werd de familie Kloppenburg ’s ochtends vroeg uit bed gebeld. Vader Kloppenburg vertelt wat er daarna gebeurde: ‘Om kwart voor zes zijn we in de politieauto naar het ziekenhuis gereden. Daar troffen we onze zoon aan, voorzien van allemaal slangen. In gradaties werd verteld wat er aan de hand was, elke keer een stapje erger. Dat hadden we op dat moment niet in de gaten, maar we wisten wel dat het ernstig was. Achteraf gezien was hij toen al klinisch dood.’ Om er 100% zeker van te zijn dat Joes écht was overleden, werd in het ziekenhuis nog twee keer de hersenfunctie getest. De tests bewezen het onherroepelijke.

Korte tijd later meldde zich een arts bij de familie om te praten over donatie. De vader van Joes: ‘Later besefte ik hoe moeilijk het voor hem moet zijn geweest om ons zó kort na wat er was gebeurd, over donatie te benaderen. Hij bracht het onderwerp voorzichtig, maar draaide er niet omheen. Eerst sprak hij mij alleen aan, hij zocht een aanspreekpunt, en daarna ook de andere familieleden. We hebben ons teruggetrokken om te overleggen. Ieder heeft zijn zegje gedaan. We werden niet opgejaagd.
Er werd alleen gevraagd òf, en zo ja, wàt.’ De familie besloot het hart, de nieren, de lever en de longen van Joes beschikbaar te stellen.

(Vrij naar: Gevraagd: Donoren – U ook, Nierstichting/VNU, september 1998)

Immuniteit

1/2 GFT-bakken.
Zie figuur B 5526 van de bijlage.

De Deense arts Torben Sigsgaard (zie afbeelding hiernaast) volgde een aantal vuilnismannen die regelmatig GFT-bakken (biobakken) leegden. In die bakken leven miljarden bacteriën en schimmels. Hij ontdekte dat de vuilnismannen bij het veelvuldig openen van de bakken vaak last kregen van koorts, spierpijn en hoofdpijn. Het bleek dat hun afweerapparaat geprikkeld raakte door stoffen van de bacteriën en schimmels.

Geef de biologische term voor de stoffen van bacteriën en schimmels die het afweersysteem van de vuilnismannen prikkelen.

[invulveld]

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

2/2 GFT-bakken.

Sigsgaard gaf het publiek een aantal aanbevelingen om de problemen voor de vuilnismannen te verminderen. Een daarvan was, de bak op een schaduwrijke plek te zetten, waardoor de luchttemperatuur in de bak 5-8ºC lager is dan op een zonnige plek.

Leg uit dat dit de problemen verminderen kan.

Immuniteit

1/2 Malaria.

De malariaparasiet is een ééncellig diertje dat kan voorkomen in het bloed van de mens en kan worden verspreid door malariamuggen.
Medewerkers van de Universiteit van Amsterdam doen samen met collega's uit Oxford malaria-onderzoek in Zuidoost-Azië. Daar treffen zij schrikbarend veel volwassen patiënten die lijden aan zeer ernstige vormen van deze ziekte. En juist daar is de resistentie een groot probleem. "Je kunt de mensen niet meer met de klassieke middelen behandelen", zegt één van de onderzoekers. "Kinderen krijgen na het stoppen van de borstvoeding malaria en dan begint voor hen een morbide loterij. Gaat het kind dood, dan houdt alles op. Overleeft het, dan krijgt het daarmee de kans om steeds meer weerstand op te bouwen". Het radicaal willen uitroeien van muggen en malariaparasieten vinden veel experts inmiddels een gevaarlijke strategie. "Na die uitroeiing in een bepaald gebied zit je met een bevolking die geen weerstand heeft. De eerste de beste besmetting maakt ze doodziek. Dat zie je bij mensen in Zuidoost-Azië die uit de bergen naar de laaglanden trekken. Ze krijgen malaria met ernstige complicaties. De kreet van de experts op dit moment is: we moeten een anti-ziektemiddel hebben, geen anti-parasietmiddel".

(Naar: Vrij Nederland 11-1-1992.)

Volgens het artikel is de resistentie een groot probleem geworden, waardoor de mensen niet meer met de klassieke middelen zijn te behandelen.

Wordt hiermee bedoeld de resistentie van de malariaparasiet, van de malariamug of van de mens?



-

Immuniteit

2/2 Malaria.

Een kind dat malaria krijgt en het overleeft, kan steeds meer afweer opbouwen.

Welke verandering in het lichaam van het kind gaat hiermee gepaard?

Immuniteit

1/2 Koe redt konijn.

Het teruglopen van de konijnenstand wordt vooral veroorzaakt door een nieuwe virusziekte (VHS). Konijnen die besmet worden met het VHS-virus, krijgen na 24 tot 48 uur hoge koorts en sterven dan binnen enkele uren.

Leg uit waardoor het afweersysteem van het konijn na infectie met dit virus, de dood van het konijn niet kan voorkomen.

Immuniteit

2/2 Koe redt konijn.

In een ingezonden brief in een dagblad staat het voorstel om eenmalig een aantal konijnen te vangen en te vaccineren. Hierdoor zou de konijnenpopulatie in de Amsterdamse Waterleidingduinen gered kunnen worden.

Zal zo'n vaccinatieprogramma wel of geen effect hebben?
Hoe komt dat?

Immuniteit

Koning der dieren.

In een veestapel kan tuberculose heersen, waar het vee nauwelijks last van heeft, maar waar de leeuw zeer vatbaar voor is. Daarom is inenten van de veestapel een goede maatregel ter bescherming van de leeuw.
Hierover worden twee beweringen gedaan.

1. Door de veestapel in te enten verdwijnt de tuberculosebacterie uit het gebied, zodat de leeuw niet meer besmet kan worden.
2. Door het eten van ingeënt vee, wordt de leeuw immuun tegen tuberculose.

Welke van bovenstaande beweringen is of zijn juist?

Immuniteit

De Magot in Europa.

In 1866 heerste er een virusepidemie onder de magots van Gibraltar; slechts drie apen bleken voldoende immuniteit te hebben opgebouwd en overleefden. Op bevel van de toenmalige gouverneur werden dieren vanuit Noord-Afrika ingevoerd. Over de drie overgebleven apen worden twee beweringen gedaan:

1. de overgebleven apen konden het virus ondanks hun immuniteit nog steeds bij zich dragen en zo doorgeven aan de nieuwe kolonie apen;
2. de overgebleven apen konden hun verworven immuniteit doorgeven aan het nageslacht.

Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?