Voortplanting
3/3 Hormonen.
Als een vrouw gedurende twee maanden elke dag een combinatiepil slikt, heeft zij in die periode geen menstruatie.
Waardoor zal tijdens het onafgebroken gebruik van de combinatiepil geen menstruatie optreden?
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 4, VWO 5, VWO 6
NVON
cc-by-sa-40
3/3 Hormonen.
Als een vrouw gedurende twee maanden elke dag een combinatiepil slikt, heeft zij in die periode geen menstruatie.
Waardoor zal tijdens het onafgebroken gebruik van de combinatiepil geen menstruatie optreden?
1/2 Een zwangerschap.
Zie figuur B 1682 van de bijlage.
Gedurende een zwangerschap worden de hoeveelheden van de hormonen oestrogeen en progesteron bepaald die in het lichaam van de zwangere vrouw per etmaal aan het bloed worden afgegeven. De resultaten zijn weergegeven in het afgebeelde diagram.
Heeft FSH direct invloed op de baarmoeder en/of op de eierstokken?
afbeelding
2/2 Een zwangerschap.
Zie figuur B 1682 van de bijlage.
Wordt op tijdstip Q minder FSH afgegeven dan op tijdstip O, evenveel of meer?
afbeelding
1/6 Voortplanting.
Zie figuur A 677 van de bijlage.
ICSI is de afkorting van Intra Cytoplasmic Sperm Injection (sperm = spermacel). Bij deze techniek van geassisteerde voortplanting' wordt met een micro-injectienaald één spermacel geïnjecteerd in een secundaire oöcyt (= eicel, zie de afbeelding) waarvan aangenomen kan worden dat deze in de metafase-II verkeert. De cel wordt daartoe gefixeerd met een pipet.
P is het eerste bloedlichaampje.
De diameter van een secundaire oöcyt is ongeveer 100 µm.
Wat is de vergrotingsfactor van de afbeelding?
afbeelding
2/6 Voortplanting.
Zie figuur A 677 van de bijlage.
In een microscopisch preparaat van een cel kunnen soms chromosomen zichtbaar worden gemaakt door kleuring.
Zijn in een secundaire oöcyt in het stadium zoals dat in de afbeelding is weergegeven, na kleuring chromosomen zichtbaar? Verklaar je antwoord.
afbeelding
3/6 Voortplanting.
Als een ICSI-behandeling levensvatbare embryo's oplevert, worden er, net als bij andere vormen van in-vitrofertilisatie, enkele in de baarmoeder geplaatst. Dit gebeurt meestal met embryo's in een vier- tot achtcellig stadium. Een studente noemt vier criteria waarop, voorafgaande aan de implantatie, de levensvatbaarheid van een embryo zou kunnen worden vastgesteld:
1. de aanwezigheid van delende kernen;
2. de beweeglijkheid van het embryo;
3. de grootte van de cellen;
4. het aantal mitochondriën per cel.
Welk van deze criteria geeft de meeste informatie over de kans op een succesvolle ontwikkeling van het embryo?
4/6 Voortplanting.
Zie figuur C 287 van de bijlage.
Tijdens de ontwikkeling van een oerkiemcel tot een eicel treedt een aantal delingen op die in de afbeelding zijn aangegeven met de cijfers 1, 2 en 3.
Welke van deze delingen is of welke zijn mitotisch?
afbeelding
5/6 Voortplanting.
Zie figuur A 678 van de bijlage.
In de afbeelding is het verloop van het aantal primaire oöcyten gegeven. Deze oöcyten ontwikkelen zich in het embryo. Op een leeftijd van 50 jaar zijn geen primaire oöcyten meer aanwezig.
Over de oorzaak waardoor het aantal primaire oöcyten in de tweede helft van de embryonale ontwikkeling afneemt, worden twee beweringen gedaan:
1. Het aantal neemt af doordat primaire oöcyten zich ontwikkelen tot secundaire oöcyten.
2. Het aantal neemt af doordat primaire oöcyten samensmelten tot oögoniën.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
afbeelding
6/6 Voortplanting.
Bij een bepaalde vrouw vond haar eerste menstruatie plaats op de leeftijd van dertien jaar en vier maanden.
Toen zij 52 jaar en zes maanden was, had zij haar laatste menstruatie. In geval van ongestoorde menstruatiecycli zouden bij haar ongeveer 500 eicellen zijn gerijpt. In werkelijkheid blijkt dit aantal kleiner te zijn, doordat niet al haar cycli ongestoord zijn.
Noem vier oorzaken waardoor bij haar een kleiner aantal eicellen is gerijpt.
1/4 Angst voor kanker.
GEEN AANWIJZING VOOR KANKER DOOR IVF-BEHANDELING.
Een Australisch onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd dat het gebruik van hormonen om de eisprong te stimuleren het risico op kanker verhoogt (Lancet, 14 oktober). De afgelopen jaren waren er enkele onderzoeken gepubliceerd die een dergelijk verband suggereerden. Zo bleek vorig jaar uit een Amerikaans artikel dat onder vrouwen die een eisprongstimulatie hadden ondergaan 2,3 keer zo vaak ovariumkanker voorkwam. Ovariumkanker is echter een zeer zeldzame vorm van kanker; in absolute getallen ging het in dit groot opgezette onderzoek onder 3800 vrouwen om slechts 11 gevallen van ovariumkanker. Toch hebben dit soort observaties geresulteerd in bezorgdheid over de lange-termijneffecten van eisprongstimulatie, zoals die bijvoorbeeld wordt toegepast bij in-vitro-fertilisatie (IVF).
Bij het nieuwe onderzoek in Australië ging het om ruim 10.000 vrouwen uit de stad Melbourne, die tussen 1978 en 1992 wegens onvruchtbaarheid de plaatselijke IVF-kliniek hadden bezocht. Iets meer dan de helft van deze vrouwen was behandeld met eisprongstimulerende hormonen, zoals clomifeen of humaan-menopausaal-gonadotrofine. In de meeste gevallen ging het om minder dan drie cycli. De andere helft van de vrouwen was niet met dergelijke hormonen behandeld, bijvoorbeeld omdat ze spontaan zwanger waren
geworden of omdat bij hen een eicel via de natuurlijke weg was verkregen. Deze vrouwen fungeerden in het onderzoek als controlegroep. Nu, gemiddeld 5 jaar nadien (uitersten 1 en 15 jaar) hebben de onderzoekers via regionale en nationale kankerregisters uitgezocht hoeveel
van deze 10.000 vrouwen inmiddels kanker hebben gekregen.
Slechts 6 van hen bleken ovariumkanker te hebben, in beide groepen 3. Verder stonden er 34 gevallen van invasieve borstkanker geregistreerd, 16 in de groep die met hormonen behandeld was en 18 in de controlegroep. Het Australische onderzoek levert dus geen enkele aanwijzing dat eisprongstimulatie met hormonen vaker tot kanker leidt. Bij hun resultaten tekenen de Australiërs wel aan dat het aantal gevallen van ovariumkanker bijzonder klein was, zodat daar nauwelijks een conclusie uit getrokken kan worden. Bovendien was de duur van het onderzoek nog betrekkelijk kort; kanker komt immers vaak zeer langzaam tot ontwikkeling.
Een definitieve conclusie kan dus pas getrokken worden als de vrouwen vele jaren langer gevolgd zijn.
(NRC-Handelsblad, 26 oktober 1995).
Zie volgende scherm
2/4 Angst voor kanker.
Beschrijf wat bij een IVF-behandeling wordt gedaan.
3/4 Angst voor kanker.
Leg uit waarom het nieuwe Australische onderzoek geen aanwijzingen levert voor een vaker voorkomen van kanker.
4/4 Angst voor kanker.
Geef een mogelijke verklaring met minstens drie argumenten voor de verschillen in uitkomst tussen het Amerikaanse en het Australische onderzoek.
1/2 In vitro fertilisatie.
Zie figuur B 2593 van de bijlage.
Bij in vitro fertilisatie (IVF) worden eicellen buiten het lichaam bevrucht door spermacellen. Een bevruchte eicel ontwikkelt zich en wordt vervolgens meestal in een meercellig stadium, bijvoorbeeld in het morulastadium, in de baarmoeder geïmplanteerd. In de afbeelding zijn drie embryonale stadia, waaronder de morula, weergegeven.
De voorkeur voor implantatie van embryo's in het morulastadium berust op de mening dat andere stadia minder geschikt zijn voor implantatie.
Noem een reden waarom men een bevruchte eicel minder geschikt vindt voor implantatie in de baarmoeder.
En noem een andere reden waarom men een blastula minder geschikt vindt voor implantatie
in de baarmoeder.
afbeelding
2/2 In vitro fertilisatie.
Er worden meestal meer eicellen bevrucht dan er uiteindelijk worden gebruikt voor implantatie. De meningen over wat men kan en mag doen met de niet-gebruikte embryo's zijn verdeeld.
Sommige onderzoekers zijn van oordeel dat deze niet-gebruikte embryo's voor wetenschappelijk onderzoek kunnen worden benut. Anderen zijn van oordeel dat niet-gebruikte embryo's nooit voor wetenschappelijk onderzoek mogen worden toegepast.
In deze discussie worden ethische, godsdienstige en natuurwetenschappelijke argumenten door elkaar heen gebruikt.
Welk van deze standpunten moet je kiezen als je alleen natuurwetenschappelijke argumenten wilt gebruiken? Geef een natuurwetenschappelijk argument voor het standpunt dat je hebt gekozen.
1/2 Een tweeling.
Een vrouw (v) bevalt van een twee-eiige tweeling.
Zijn de eicellen waaruit deze tweeling is ontstaan, in dezelfde eierstok tot rijping gekomen of is de ene eicel in de linker en de andere eicel in de rechter eierstok tot rijping gekomen of is het niet te bepalen?
2/2 Een tweeling.
Zie figuur B 1134 van de bijlage.
In de afbeelding is een stamboom weergegeven. Vrouw v heeft het fenotype dat behoort bij een bepaalde erfelijke eigenschap (fenotype Q).
Kan op grond van de gegevens in deze stamboom met zekerheid worden bepaald hoe groot de kans is dat kind r of kind s fenotype Q heeft?
Zo ja, hoe groot is die kans?
afbeelding
1/3 In verwachting van een tweeling.
Zie figuur B 1248 van de bijlage.
De afbeelding geeft schematisch een doorsnede van de baarmoeder van een zwangere vrouw weer. Zij verwacht een tweeling (foetus 1 en foetus 2). Vier organen zijn met letters aangegeven. Gelet op de resusbloedgroepen en de bloedgroepen van het ABO-stelsel, behoren de moeder en beide foetussen in de afbeelding tot de volgende bloedgroepen:
moeder: resusnegatief, bloedgroep A;
foetus 1: resuspositief, bloedgroep A;
foetus 2: resusnegatief, bloedgroep B.
Vlak vóór de bevalling vertoont alleen foetus 1 verschijnselen van een resuskind. Dit betekent dat bij foetus 1 verhoogde bloedafbraak optreedt en een hoge concentratie van afbraakproducten van hemoglobine in het bloed ontstaat.
Over foetus 2 worden de volgende beweringen gedaan:
1. In het bloed van foetus 2 ontbreken resusantigenen, zodat de resusantistoffen uit het bloed van de moeder geen bloedafbraak bij foetus 2 veroorzaken.
2. In het bloed van foetus 2 komen specifieke antistoffen voor die resusantistoffen uitschakelen; hierdoor wordt verhoogde bloedafbraak verhinderd.
3. In het bloed van foetus 2 ontbreken resusantistoffen, zodat de resusantigenen uit het bloed van de moeder geen bloedafbraak bij foetus 2 veroorzaken.
4. Resusantistoffen van foetus 2 zijn in het bloed van de moeder terechtgekomen; hierdoor zijn de resusantigenen van de moeder uitgeschakeld.
Welke van deze beweringen is juist?
afbeelding
2/3 In verwachting van een tweeling.
Zie figuur B 1248 van de bijlage.
De ouders van de tweeling kunnen normaal kleuren zien. Het allel voor normaal kleuren zien is dominant over dat voor rood-groen-kleurenblindheid. Deze allelen zijn X-chromosomaal. In de celkernen van de cellen van orgaan R in de afbeelding komt het allel voor kleurenblindheid voor.
In welk of in welke van de organen P, Q en S bevatten de cellen zeker het allel voor kleurenblindheid?
In het orgaan/de organen:
afbeelding
3/3 In verwachting van een tweeling.
Zie figuur B 1248 van de bijlage.
Een slagader vervoert bloed van de moeder naar orgaan Q (zie de afbeelding). De pO2
van dit bloed is 9,3 kPa. De pO2
van het bloed in een ader die bloed van de moeder van orgaan Q wegvoert, is 5,5 kPa.
De pO2
van het bloed in een navelstrengslagader wordt vergeleken met die in de bovengenoemde ader en slagader van de moeder.
Hoe groot is de pO2
van het bloed in een navelstrengslagader?
afbeelding