DNA-RNA-eiwitsynthese
De erfelijke eigenschappen van een chromosoom.
De erfelijke eigenschappen van een chromosoom zijn gelegen in
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
De erfelijke eigenschappen van een chromosoom.
De erfelijke eigenschappen van een chromosoom zijn gelegen in
Bouwsteen van RNA.
Zie figuur B 3 en C 4 van de bijlage.
In deze figuur B3 staat weergegeven
afbeelding
afbeelding
Een verschil tussen RNA en DNA.
RNA verschilt van DNA omdat
De opbouw van DNA.
DNA is opgebouwd uit de moleculen
Over een DNA molecuul.
In een DNA molecuul is de hoeveelheid
Het DNA-molecuul schematisch.
Zie figuur B 2769 van de bijlage.
Onderstaand schema toont schematisch de bouw van een nucleïnezuur.
De cijfers I, II en III stellen hierin voor:
afbeelding
afbeelding
Voor de delingsfase.
Voorafgaande aan de delingsfase in de kern
Eiwitsynthese schematisch afgebeeld.
Zie figuur C 4 van de bijlage.
Het proces, dat in de figuur is weergegeven, stelt voor
afbeelding
Celdelingen en groei.
Tekst:"Groei is een kenmerk van levende organismen. Voor groei van bijvoorbeeld een bot is celdeling nodig. Door celdeling kan het aantal cellen toenemen, maar dat gebeurt niet altijd. Het kan ook zijn dat door celdeling nieuwe cellen ontstaan die dode cellen vervangen.
Het is opmerkelijk dat cellen 'weten' welk type cellen moet ontstaan en welke specialisatie tijdens groei moet plaatsvinden. De voor groei noodzakelijke gegevens liggen opgeslagen in de chromosomen."
Welk mechanisme verzorgt de bovengenoemde specialisatie?
Transcriptie.
Onder transcriptie wordt verstaan
Duplicatie, transscriptie en translatie.
Omschrijf de termen: duplicatie, transscriptie en translatie.
Teken een schematisch een stukje DNA.
Teken een schematisch een stukje DNA met behulp van alle chemische componenten (benoemen) en vermeld ook de termen nucleotide en waterstofbrug in de tekening.
Vier verschillen tussen DNA en RNA.
Geef de vier verschillen tussen DNA en RNA.
DNA-identificatie.
Geef vier toepassingen van de mogelijkheid om iemands DNA te identificeren en leg kort uit.
1/3 Eiwitsynthese.
Zie figuur A 268 van de bijlage.
Gegeven de volgende DNA-strengen:
TAC - CGA - AAT - CGG - AGC - ATC
ATG - GCT - TTA - GCC - TCG - TAG
De onderste streng is de coderende streng.
Bepaal het mRNA dat uit dit stukje DNA wordt overgeschreven.
afbeelding
2/3 Eiwitsynthese.
Zie figuur A 5 van de bijlage.
Bepaal nu met behulp van de codetabel de verschillende aminozuren die hierdoor op volgorde worden gezet.
afbeelding
3/3 Eiwitsynthese.
Is er sprake van een volledig eiwitmolecuul? Verklaar je antwoord.
1/5 Ontsporende eiwitsynthese.
Zie figuur A 5 van de bijlage.
Gegeven het volgende stuk DNA, dat een onderdeel vormt van een groter stuk DNA dat zich zowel aan de linkse als de rechtse zijde van het gegeven stuk uitstrekt.
ATG - AAG - AAT - CGC - GGA - TCT
TAC - TTC - TTA - GCG - CCT - AGA
De bovenste streng is de coderende streng.
Aan de hand van het gegeven stuk wordt een stuk mRNA gemaakt.
Geef het mRNA weer dat aan de hand van dit DNA wordt gevormd.
afbeelding
2/5 Ontsporende eiwitsynthese.
Zie figuur A 5 van de bijlage.
Leid met het gegeven 'woordenboek' af welke aminozuren hierdoor achter elkaar worden gezet.
afbeelding
3/5 Ontsporende eiwitsynthese.
Zie figuur A 5 van de bijlage.
Bij een bepaalde mutatie in het gegeven coderende DNA wordt de eerste G van links vervangen door een C.
Wat is hiervan de precieze consequentie voor de cel waarin deze mutatie optreedt?
afbeelding