Deze oefentoets bevat 26 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Voedselrelaties. Zie figuur B 1213 van de bijlage.
In het schema van afbeelding is een aantal voedselrelaties tussen groepen organismen weergegeven. De groepen zijn genummerd.
Welke van de genummerde groepen bestaat of welke bestaan uit consumenten?
afbeelding
Ecologie
Voedselrelaties.
Meercellige organismen in Nederland kunnen worden ingedeeld in vijf groepen: de alleseters, de planten, de planteneters, de schimmels en de vleeseters.
Welke van deze groepen bevat organismen die energie verbruiken die niet door andere organismen is vastgelegd?
Ecologie
1/5 Vleesetende planten. Zie figuur B 3326 van de bijlage.
Vleesetende planten komen voor in een omgeving met weinig voedingszouten in de bodem. Zulke planten lokken, vangen, doden en verteren hun 'prooien'. Uit de verteerde prooien nemen ze voedingszouten op, zoals nitraten. In vleesetende planten treedt wèl fotosynthese op. In de afbeelding is een cel uit een blad van een vleesetende plant weergegeven.
Welke letter geeft een deel aan waarin fotosynthese optreedt?
afbeelding
Ecologie
2/5 Vleesetende planten. Zie figuur B 461 van de bijlage.
Sommige vleesetende planten vangen hun 'prooi' met vangbekers (zie de afbeelding). In de vangbekers bevindt zich regenwater met bacteriën. Een insect dat in zo'n beker terechtkomt, kan niet meer ontsnappen en verdrinkt. De bacteriën verteren de prooi, waarna de plant de vrijgekomen voedingszouten kan opnemen.
In de tekst worden bacteriën, insecten en planten genoemd. Deze vertonen zowel verschillen als overeenkomsten in de bouw van hun cellen.
Welke van deze organismen hebben celwanden?
afbeelding
Ecologie
3/5 Vleesetende planten.
Welke energierijke stof maakt de plant door fotosynthese?
De stof [invulveld]
Ecologie
4/5 Vleesetende planten.
Voor de opbouw van welke voedingsstoffen gebruikt een plant nitraten?
Ecologie
5/5 Vleesetende planten.
Andere vleesetende planten verteren de prooien zelf met enzymen en zuren. De zuren beïnvloeden de werking van de enzymen. Twee omgevingsfactoren zijn de temperatuur en de hoeveelheid te verteren prooi.
Welk van deze omgevingsfactoren heeft invloed op de werking van enzymen?
Ecologie
1/2 Voedselrelaties. Zie figuur B 3564 van de bijlage.
In de afbeelding zijn schematisch enkele voedselrelaties weergegeven in een levensgemeenschap in zoet water.
Drie schakels, aangeduid met 1, 2 en 3, zijn niet ingevuld.
In het schema ontbreken plantaardig plankton, een snoek (een roofvis) en een waterkever (een in het water levend roofinsect).
Wat kan er op plaats 1 worden ingevuld? Wat op plaats 2? En wat op plaats 3?
afbeelding
afbeelding
Ecologie
2/2 Voedselrelaties. Zie figuur B 3564 van de bijlage.
De organismen die in de afbeelding zijn aangegeven met 1, 2 of 3, behoren elk tot een bepaalde schakel van het weergegeven voedselnet. De totale hoeveelheid energierijke stoffen van alle organismen van schakel 1 wordt vergeleken met die van schakel 2 en met die van schakel 3.
Is de hoeveelheid energierijke stoffen in alle drie de schakels even groot? Zo nee, in welke schakel zal de totale hoeveelheid energierijke stoffen het grootst zijn?
afbeelding
Ecologie
1/3 Voedselrelaties. Zie figuur B 3466 van de bijlage.
In de afbeelding zijn schematisch enkele voedselrelaties weergegeven in een levensgemeenschap in een weiland. Drie schakels, aangeduid met 1, 2 en 3, zijn niet ingevuld. In het schema ontbreken een lieveheersbeestje (een roofinsect), een paardebloem en een sperwer (een roofvogel).
Wat kan er op plaats 1 worden ingevuld? Wat op plaats 2? En wat op plaats 3?
afbeelding
afbeelding
Ecologie
2/3 Voedselrelaties. Zie figuur B 3466 van de bijlage.
Hoeveel voedselketens zijn in de afbeelding weergegeven?
afbeelding
Ecologie
3/3 Voedselrelaties. Zie figuur B 3466 van de bijlage.
De organismen die in de afbeelding zijn aangegeven met 1, 2 of 3, behoren elk tot een bepaalde schakel van het weergegeven voedselnet. De totale hoeveelheid energierijke stoffen van alle organismen van schakel 1 wordt vergeleken met die van schakel 2 en met die van schakel 3.
Zal men tussen de drie schakels verschillen aantreffen in de hoeveelheid energierijke stoffen? Zo ja, in welke schakel is dan de totale hoeveelheid energierijke stoffen het grootst?
afbeelding
Ecologie
1/3 Zeehonden. Zie figuur B 4471 van de bijlage.
Over de hele wereld zijn er achttien soorten zeehonden. Veel van die zeehonden eten onder andere krill. Krill bestaat uit verschillende soorten garnaalachtige diertjes die zich met algen voeden. In de afbeelding is de samenstelling van het voedsel van twee soorten zeehonden weergegeven, een krabbeneter en een zeeluipaard.
Hoeveel procent van het voedsel van een zeeluipaard bestaat uit dieren die niet door een krabbeneter worden gegeten volgens de informatie?
afbeelding
Ecologie
2/3 Zeehonden.
Een biologe doet onderzoek naar het gedrag van zeehonden in een gebied waarin zowel krabbeneters als zeeluipaarden voorkomen. Ze vindt aan de kust een jonge zeehond die gedeeltelijk opgegeten is door een andere zeehond.
Kan deze andere zeehond een krabbeneter zijn geweest volgens de informatie? En kan het een zeeluipaard zijn geweest?
Ecologie
3/3 Zeehonden.
Over de hele wereld zijn er achttien soorten zeehonden. Veel van die zeehonden eten onder andere krill. Krill bestaat uit verschillende soorten garnaalachtige diertjes die zich met algen voeden.
Noteer met behulp van bovenstaande informatie een voedselketen die bestaat uit drie schakels en waarin een zeehond voorkomt.
Ecologie
3/4 Voedselrelaties in Suriname. Zie figuur B 5308 van de bijlage.
Hoe noemen we de voedselrelatie tussen de wilde doks en de slakken?
afbeelding
Ecologie
4/4 Voedselrelaties in Suriname. Zie figuur B 5308 van de bijlage.
Welke van de volgende dieren kan in schakel 3 thuishoren?
afbeelding
Ecologie
Beren in winterslaap.
Beren maken deel uit van voedselketens in hun ecosysteem.
Behoren de beren in dat ecosysteem tot de consumenten, tot de producenten of tot de reducenten?
Ecologie
Zeehonden. Zie figuur B 3371 van de bijlage.
Zeehonden zijn aangepast aan het leven in zee. Ze kunnen zich soepel door het water bewegen. Daarbij halen ze snelheden van wel 35 kilometer per uur. Zo jagen ze bijvoorbeeld op hun voedsel.
In de afbeelding B 3371 zijn enkele voedselrelaties weergegeven. Daar is te zien dat een zeehond onder andere haring eet.
Welke twee andere soorten voedsel eet een zeehond volgens de afbeelding?
afbeelding
Ecologie
Ziek van de natuur.
Is een teek die een hond bijt een consument, een producent of een reducent?
Ecologie
Het nijlpaard. Zie figuur B 4591 van de bijlage.
Nijlpaarden zijn dieren die in Afrika in het wild leven. Ze hebben een groot rond lichaam en korte poten. De mannetjes kunnen ongeveer 3000 kg zwaar worden. Nijlpaarden zijn overdag meestal in het water te vinden. Als het in de avond wat koeler wordt, komen de nijlpaarden aan land. Ze gaan dan op zoek naar planten zoals gras. Hiernaast is een nijlpaard weergegeven.
Is het nijlpaard een consument, een producent of een reducent? Gebruik hierbij de bovenstaande informatie.
afbeelding
Ecologie
Een aardappelplant.
Aardappelplanten dichtbij bossen worden soms vernield door wilde zwijnen. Deze dieren wroeten in de grond op zoek naar aardappels.
Zijn wilde zwijnen consumenten, producenten of reducenten?
Ecologie
Een aardappelplant.
Aardappelmoeheid is een ziekte bij aardappelplanten die veroorzaakt wordt door aaltjes. Aaltjes zijn kleine wormpjes die gangen vreten in groeiende aardappelen.
Zijn deze aaltjes consumenten, producenten of reducenten?
Ecologie
Kenmerken van organismen. Zie figuur B 1975 van de bijlage.
Welk organisme uit de afbeelding is een producent of welke organismen zijn producenten?