Oefentoets Biologie: Gedrag - Algemeen | VWO 3/VWO 4/VWO 5 - variant 11

Deze digitale toets over ethologie en diergedrag richt zich op studenten en behandelt onderwerpen zoals geconditioneerde reflexen, communicatie bij honingbijen en baltsgedrag bij stekelbaarsjes. Leerlingen kunnen hun kennis testen met verschillende vraagtypes en experimenten die inzicht geven in leerprocessen en gedragingen van dieren. - 20 vragen

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 3, VWO 4, VWO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Geconditioneerde reflex en belangrijke ontdekkingen

Geconditioneerde reflex.

De geconditioneerde reflex werd voor het eerst beschreven door

Gedrag van Kippenkuikens bij Silhouet

Kippenkuikens en een vogelsilhouet.
Zie figuur B 5347 van de bijlage.

Om het gedrag van kippenkuikens te onderzoeken, werd een vogelsilhouet vanaf een bepaalde hoogte over de kuikens getrokken. Het silhouet werd zowel van links naar rechts als van rechts naar links getrokken (zie afbeelding hiernaast).

Welke uitspraak is of welke uitspraken over het gedrag van de kuikens zijn juist?

1. In beide trekrichtingen duiken de kuikens weg.
2. Als het silhouet van links naar rechts getrokken wordt (bovenste pijl), reageren de kuikens niet.
3. Als het silhouet van rechts naar links getrokken wordt (onderste pijl), reageren de kuikens niet.
4. Als het silhouet van rechts naar links getrokken wordt (onderste pijl), duiken de kuikens weg.
5. Als het silhouet van links naar rechts getrokken wordt (bovenste pijl), duiken de kuikens weg.

afbeeldingafbeelding

Communicatie en voedselbron bij honingbijen

Communicatie bij honingbijen.
Zie figuur B 5348 en figuur B 5349 van de bijlage.

Als een honingbij een voedselbron vindt, kan zij haar nestgenoten de positie van die bron meedelen.
Daartoe voert zij op de raat in de korf een kwispeldans uit. Daarbij meet zij de hoek tussen de zon en de voedselbron en projecteert die hoek tijdens het kwispelen op de verticaallijn van de raat (zie afbeelding B 5348).

Waar bevindt zich de voedselbron als ze danst als in afbeelding B 5349?
Die bevindt zich op positie .

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Verhouding tussen nabootsers en modellen in mimicry

Mimicry.

Er zijn verschillende vormen van mimicry, onder andere:

- mimicry van Bates: de nabootser lijkt op een niet eetbaar dier (zijn model);
- mimicry van Peckham: een gevaarlijke nabootser lijkt op een ongevaarlijk dier (zijn model).

Hoe is de verhouding in aantallen tussen nabootsers en modellen in beide gevallen van mimicry?

Bijentaal en dansgedrag van bijen

Bijentaal.

De bijentaal heeft dialecten. De bijen die door Karl von Frisch werden onderzocht, hoorden tot het Oostenrijkse ras. Italiaanse bijen voeren tussen 9 en 36 meter afstand van het voedsel tot de korf een derde type dans uit: de sikkeldans.
Bij kortere afstanden voeren ze de rondedans uit, bij langere afstanden de kwispeldans, echter bij eenzelfde afstand met een lagere frequentie dan de Oostenrijkse bijen.

Wat gebeurt er wanneer we Oostenrijkse en Italiaanse bijen zodanig samenbrengen, dat ze elkaar niet aanvallen?

Sequentie-analyse en gedragssystemen

Sequentie-analyse.

Wat leer je met behulp van een sequentie-analyse?

Prikkels en gedrag bij stekelbaarsjes

Stekelbaars.

Vier voorbeelden van prikkels en het daardoor vertoonde gedrag van een stekelbaarsmannetje zijn:

1. het zien van een soortgenoot leidt in een conflictsituatie tot zandhappen;
2. het zien van een kuiltje leidt tot het aandragen van nestmateriaal;
3. de aanwezigheid van nestmateriaal leidt tot het afscheiden van stoffen en het aan elkaar plakken van nestmateriaal;
4. geplakt nestmateriaal leidt tot het maken van een tunnel door het nest.

In welk voorbeeld is de prikkel wél gedragsopwekkend, maar niet gedragrichtend?
in voorbeeld

Inzichtshandeling en automatische uitvoering

Inzicht.

Wat gebeurt er bij een inzichtshandeling?

Vormen van leren en hun toepassingen

Leervormen.

Hieronder zijn verschillende vormen van leren vermeld:

A. inprenting
B. gewenning
C. imitatie
D. inzicht
E. klassiek conditioneren
F. operant conditioneren
G. trial and error

Alhoewel deze begrippen zijn omschreven voor diergedrag, zijn ze ook herkenbaar in menselijk gedrag.

In de tekst hieronder komen verschillende vormen van leren voor.
afbeeldingafbeelding

Geef van de bovengenoemde vormen van leren aan in welk regelnummer of in welke regelnummers van de tekst die vorm van leren voorkomt. Het klassiek conditioneren komt twee maal voor.

-

Gewenning bij jonge boomkikkers

1/2 Leerprocessen.

In de ethologie worden verschillende leerprocessen onderscheiden. Welk leerproces is het meest van toepassing in het onderstaande voorbeeld?

Een jonge boomkikker reageert aanvankelijk op boomblaadjes die in de wind bewegen op dezelfde wijze als bij het zien van prooidieren. Al spoedig stopt deze reactie.

Noteer de juiste term.

Conditioneren in de ethologie

2/2 Leerprocessen.

In de ethologie worden verschillende leerprocessen onderscheiden. Welk leerproces is het meest van toepassing in het onderstaande voorbeeld?

Tijdens een onderzoek deed een studente elke ochtend het licht aan in het laboratorium en voerde daarna de vissen. Na enige tijd viel het haar op dat de vissen al aan het oppervlak waren verzameld nog voor zij het licht had aangedaan.

Noteer de juiste term.

Agonistisch gedrag bij honden

Gedrag van honden.

Twee honden die elkaar ontmoeten reageren door te dreigen: laten hun tanden zien, grommen, strekken de oren naar achteren, zetten hun haren op.

Wat is de term die de etholoog voor dit gedrag gebruikt?
Dat is gedrag.

Baltsgedrag van stekelbaarsjes in voorjaar

Stekelbaarsjes.
Zie figuur B 5353 van de bijlage.

Een geslachtsrijp stekelbaarsmannetje bevindt zich in zijn territorium. Het is voorjaar, dus voortplantingstijd. In een proef worden drie modellen één voor één aangeboden aan dit stekelbaarsmannetje in zijn territorium (zie afbeelding).

Naar welk model of naar welke modellen zal het stekelbaarsmannetje baltsgedrag vertonen? Kruis het juiste nummer of de juiste nummers aan.

afbeeldingafbeelding

Waaierende stekelbaars en CO2-hypothese

Waaierende stekelbaars.

Een mannelijke stekelbaars, die een nest met eieren in zijn territorium heeft, staat regelmatig te waaieren. Hij brengt dan met zijn borstvinnen een waterstroom door het nest tot stand. Een hypothese is, dat de sleutelprikkel voor dit waaieren de CO2 -afgifte van de eieren is.
Om deze hypothese te testen, werd het volgende experiment gedaan. De waaierfrequentie (aantal waaierseconden per 5 minuten) werd bepaald in drie elkaar opvolgende situaties:

(1) in een normale situatie (nest met eieren); de stekelbaars bleek 50 seconden te waaieren per 5 minuten;
(2) terwijl het nest afgedekt was door er een horlogeglas overheen te leggen;
(3) direct na het weghalen van het horlogeglas.

Welke van onderstaande waaieractiviteiten in situatie 2 en 3 zijn in overeenstemming met de hypothese?

Paringsgedrag bij kluten

Kluten.
Zie figuur B 5354 van de bijlage.

De paring bij kluten wordt voorafgegaan door een serie merkwaardige capriolen. Eerst staan mannetje en vrouwtje heel 'zenuwachtig' hun veren te poetsen. Na enige tijd stopt het vrouwtje en neemt een horizontale houding aan (zie foto hiernaast links). Dit is voor het mannetje het signaal om met haar te paren: hij beklimt haar en copuleert.

Hoe noemt men in de ethologie deze houding die het vrouwtje voor het mannetje aanneemt?
Dat noemt men een .

afbeeldingafbeelding

Keuze van baltsend mannetje bij vlinders

Vlinders.
Zie figuur B 5355 en figuur B 5356 van de bijlage.

Bij een bepaalde vlindersoort werd onderzocht welke factoren de keuze van een mannetje voor een baltsend vrouwtje beïnvloeden. In het experiment (zie hiernaast B 5355) werden aan baltsende mannetjes modellen van vrouwtjes aangeboden die verschilden in kleur (proef 1), in grootte (proef 2) of in beweging (proef 3). De resultaten zijn in de afbeelding hiernaast weergegeven.
Neem aan dat de drie in afbeelding B 5355 gevarieerde eigenschappen van een model even zwaar wegen voor een baltsend mannetje.

Welk van de vrouwtjesmodellen in afbeelding B 5356 zal dan het minstattractief zijn voor een baltsend mannetje?
Dat is model .

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Gedrag van vlinders in onderzoek

Gedragsonderzoek bij vlinders.
Zie figuur B 5357 van de bijlage.

In de afbeelding hiernaast worden proefresultaten weergegeven van een gedragsonderzoek bij een vlindersoort. In dit onderzoek worden twee hypothesen getoetst aan de hand van twee experimenten met modellen.
Het verloop van de experimenten en de resultaten zijn schematisch weergegeven in de afbeelding.

Wat is de juiste onderzoeksvraag die vooraf is gegaan aan dit tweeledig onderzoek?

afbeeldingafbeelding

Pupilverwijding en prikkels bij mensen

Ethologie van de mens.
Zie figuur B 5358 van de bijlage.

Bij een onderzoek werden aan mensen onderstaande modellen met ‘ogen’ aangeboden, waarbij hun reactie werd bepaald door middel van meting van hun pupilverwijding.
De resultaten geven de volgende rangorde aan van sterke naar zwakke pupilverwijding: 5, 2, 4, 6, 1, 3.

Drie leerlingen trekken conclusies over de prikkels die leiden tot pupilverwijding:

Anje: De grootte van de pupil in de ogen is de belangrijkste prikkel in het model.
Jesse: Hoe meer ogen in het model, hoe sterker de reactie.
Leon: Er is een 'optimaal' aantal ogen dat leidt tot pupilverwijding.

Welke leerling doet of welke doen een juiste uitspraak?

afbeeldingafbeelding

Kleurpatroon en inrolgedrag bij zilvermeeuwen

Superei.

Broedende zilvermeeuwen rollen eieren die uit het nest zijn gerold, terug in het nest. Stenen die de vorm en de grootte van de eieren hebben, worden niet in het nest gerold. Hebben de stenen hetzelfde kleurpatroon als de eigen eieren, dan worden ze wel in het nest gerold.
Naar aanleiding hiervan worden de volgende beweringen gedaan:

1. Het kleurpatroon van het ei is de sleutelprikkel voor het inrolgedrag.
2. Het kleurpatroon van het ei is de supranormale prikkel voor het inrolgedrag.
3. Het kleurpatroon van het ei is een motiverende factor voor het inrolgedrag.
4. Het inrolgedrag berust op inprenting.

Welk van deze beweringen is of welke zijn juist?
Kruis het nummer of de nummers van de juiste bewering aan.

Houdingen van kokmeeuwen bij confrontatie

Kokmeeuwen.
Zie figuur A 1189 van de bijlage.

Kokmeeuwen kunnen diverse houdingen aannemen, afhankelijk van de mate waarin ze agressief en defensief gemotiveerd zijn. Een negental houdingen is in de figuur hiernaast afgebeeld.

Welke van de houdingen in deze figuur zal een kokmeeuw waarschijnlijk aannemen als hij onopzettelijk midden in het territorium van een andere kokmeeuw terecht komt en deze kokmeeuw ontmoet?
Dat is houding .

afbeeldingafbeelding