Oefentoets Biologie: Osmose_diffusie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 6

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Osmose

Een turgescente plantencel in een oplossing.

Een turgescente plantencel wordt in een oplossing gelegd. Deze oplossing bevat dezelfde opgeloste stoffen in dezelfde concentratie als de vacuole.

Verandert de hoeveelheid water in de cel op het moment dat deze in de oplossing wordt gelegd?
Waardoor komt dat?

Osmose

Cellen tekenen.
Zie figuur B 270 van de bijlage.

Vier leerlingen hebben tijdens een practicum ieder een tekening van een geplasmolyseerde cel gemaakt. In deze tekeningen stelt 1 de celkern, 2 de celmembraan, 3 de vacuolemembraan en 4 het cytoplasma voor.

In welke tekening zijn de onderdelen juist genummerd en is de ligging der onderdelen juist weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Een plantencel.
Zie figuur B 1267 van de bijlage.

In plantencellen is de doorlaatbaarheid van het celmembraan niet gelijk aan die van het vacuolemembraan. Een plantencel bevindt zich achtereenvolgens in twee situaties.
In situatie 1 bevindt de plantencel zich in het weefsel waarvan de cel deel uitmaakt.
In situatie 2 bevindt dezelfde cel zich in een bepaalde oplossing P. De totale omvang van de cel is in de situaties 1 en 2 gelijk, maar in situatie 2 is de vacuole kleiner en het volume van het cytoplasma groter dan in situatie 1 (zie afbeelding 2).
Ter verklaring van situatie 2 worden vier beweringen gedaan:

1. situatie 2 is ontstaan doordat zich een opgeloste stof in oplossing P bevindt die zowel door het celmembraan als door het vacuolemembraan heengaat.
2. situatie 2 is ontstaan doordat zich een opgeloste stof in oplossing P bevindt die door het celmembraan, maar niet door het vacuolemembraan heengaat.
3. situatie 2 is ontstaan doordat zich een opgeloste stof in oplossing P bevindt die niet door het celmembraan, maar wel door het vacuolemembraan heengaat.
4. situatie 2 is ontstaan doordat zich een opgeloste stof in oplossing P bevindt die niet door het celmembraan en ook niet door het vacuolemembraan heengaat.

Welke van deze beweringen is juist?


-

afbeeldingafbeelding

Osmose

Kloppende vacuole's bij deze eencellige algen.

Veel eencellige dieren die in zoet water leven, hebben een kloppende vacuole voor wateruitscheiding.
De meeste eencellige algen die in zoet water leven, hebben geen kloppende vacuole.

Waarmee hangt het ontbreken van een kloppende vacuole bij deze eencellige algen samen?

Deze eencellige algen

Osmose

Verdwijnende turgor.

Het is mogelijk in bladweefsel de turgor te doen verdwijnen door

Osmose

Turgor bij de strekking van cellen.

Tijdens de strekking van cellen van een plantenwortel nemen deze cellen veel water op.
Bovendien worden stoffen, zoals glucose, gebruikt bij de synthese van celwandmateriaal. Op grond hiervan zou kunnen worden verwacht dat de osmotische waarde afneemt en als gevolg hiervan de turgor van de zich strekkende cel verdwijnt.
Toch behouden de cellen hun turgor.

Wat kan hiervoor een verklaring zijn?

Osmose

Gebarsten kersen.
Zie figuur B 479 van de bijlage.

Bij rijpe kersen komt het verschijnsel voor dat tijdens een flinke regenbui de parenchymcellen van het vrucht vlees meer water opnemen dan de epidermiscellen. Als gevolg hiervan barsten de kersen aan de boom open (zie de afbeelding).

Waardoor nemen de parenchymcellen meer water op dan de epidermiscellen?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Een turgescente plantencel.

Een turgescente plantencel wordt in een oplossing gelegd, die dezelfde opgeloste stoffen beval als de vacuole.
De plant blijft dezelfde turgor behouden.

Is de concentratie van opgeloste deeltjes in deze oplossing gelijk aan, hoger of lager dan die in het vacuolevocht?
Verandert de hoeveelheid water in de cel?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Veranderende turgor.

Vier gelijke plantencellen uit hetzelfde weefsel bevinden zich ieder een kwartier in een bepaalde oplossing.
Cel 1 bevindt zich in een oplossing van 0,1 mol C6 H12 O6 per liter water.
Cel 2 bevindt zich in een oplossing van 0,05 mol C6 H12 O6 per liter water.
Cel 3 bevindt zich in een oplossing van 0,1 mol KNO3 per liter water.
Cel 4 bevindt zich in een oplossing van 0,05 mol KNO3 per liter water.

In welke cel is na dat kwartier de turgor het hoogst?

Osmose

Aardappelstukjes in verschillende oplossingen.

Twee gelijkwaardige stukjes aardappel worden in verschillende oplossingen gelegd:

- stukje 1 in een oplossing van 1 gram glucose per liter,
- stukje 2 in een oplossing van 1 gram zetmeel per liter.

Na vier uur zijn beide stukjes steviger geworden.

Hebben de stukjes water opgenomen of afgestaan?
Welk stukje heeft het meeste water opgenomen of afgestaan?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Turgor van de sluitcellen van de huidmondjes.
Zie figuur B 318 van de bijlage.

Bij een experiment staat een plant met zijn wortels in een voedingsoplossing. Op een bepaald tijdstip Q wordt deze plant overgebracht naar een oplossing waarin de concentratie van opgeloste deeltjes hoger is dan die in de eerste voedingsoplossing. De overige omstandigheden blijven gelijk. De opname en de verdamping van water vóór en ná  tijdstip Q zijn in het afgebeelde diagram weergegeven.

Op welk van de aangegeven tijdstippen P, R, S of T is de turgor van de sluitcellen van de huidmondjes van deze plant het hoogst?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Bloemstelen van een paardenbloem.
Zie figuur A 353 van de bijlage.

Korte stukjes bloemstelen van een paardenbloem (1), waarvan bij la een deel vergroot is afgebeeld, worden aan één uiteinde gedeeltelijk in de lengte ingesneden (2).
Drie afzonderlijke stukjes worden gedurende 20 minuten in verschillende vloeistoffen gelegd.
De resultaten zijn in figuur 3 t/m 5 afgebeeld.

Welke van onderstaande beweringen zou met betrekking tot de waarnemingen juist kunnen zijn?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Veranderende turgor.

Een plantencel met turgor bevindt zich in een oplossing Q die 1% KNO3 bevat. De cel is in evenwicht met oplossing Q; het volume van de cel verandert niet. Dan wordt deze cel in een KNO3 -oplossing met een andere concentratie overgebracht, oplossing R. Na het overbrengen in oplossing R ontstaat opnieuw een evenwichtstoestand. In deze evenwichtstoestand heeft het vacuolevocht van de cel een osmotische waarde die overeenkomt met die van oplossing Q. Er wordt van uitgegaan dat de opname van K+ en NO3 - door de plantencel te verwaarlozen is.

Is de turgor van deze plantencel na het overbrengen in oplossing R afgenomen, gelijk gebleven of toegenomen of is dat niet uit de gegevens af te leiden?

Osmose

Een plantencel.
Zie figuur B 1685 & B 1686 van de bijlage.

Een plantencel bevindt zich in een oplossing met een bepaalde concentratie van opgeloste deeltjes. De cel bevindt zich in een evenwichtstoestand waarin de concentratie van opgeloste deeltjes binnen en buiten de cel gelijk is. Op tijdstip 0 wordt de cel (zie de afbeelding) in een andere oplossing gebracht. Na 60 minuten ziet de cel er bij dezelfde vergroting uit zoals is weergegeven in de afbeelding.
Twee leerlingen geven in diagrammen weer wat er volgens hen met de turgor van de cel en met de concentratie van opgeloste deeltjes in de cel tussen de tijdstippen 0 en 60 minuten is gebeurd.

In de afbeelding B 1686 zijn hun diagrammen weergegeven. Diagrammen 1 en 2 geven het mogelijk verloop van de turgor van de cel weer; diagrammen 3 en 4 geven het mogelijke verloop van de concentratie van opgeloste deeltjes in de cel weer.

In welk van de diagrammen 1 en 2 kan het verloop van de turgor van de cel juist zijn weergegeven?
In welk van de diagrammen 3 en 4 kan het verloop van de concentratie van opgeloste deeltjes in de cel juist zijn weergegeven?

afbeeldingafbeelding


-

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Osmose

De zoutconcentratie in de omgeving van een plant.

Stel dat de zoutconcentratie in de omgeving van een plant toeneemt, bijv. door sterke bemesting.

Welke veranderingen zullen dan optreden in de wateropname door de wortels en in samenhang daarmee in de turgor van de sluitcellen van de huidmondjes?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Plantencellen in drie verschillende keukenzoutoplossingen.
Zie figuur B 2624 van de bijlage.

Een bepaalde cel wordt achtereenvolgens in drie verschillende keukenzoutoplossingen gelegd en bij dezelfde vergroting getekend (zie de afbeelding). Hierbij blijft de cel levend.

In welke figuur heeft de getekende cel de grootste stevigheid?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Zetmeel in beukenbladeren.

Op een zonnige dag zal in een parenchymcel van een beukenblad de gevormde glucose voor een groot gedeelte omgezet worden in zetmeel.

Als dit niet zou gebeuren, hoe zou dan de concentratie aan opgeloste stoffen en hoe de turgor in de cel veranderen?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Aardappelstaafjes.
Zie figuur B 94 van de bijlage.

Een aantal staafjes uit dezelfde aardappel die alle even lang en even dik zijn, worden in keukenzout (NaCl)-oplossingen van verschillende concentratie gelegd. Zes uur later wordt de lengte van de staafjes weer gemeten.
In het diagram is de lengteverandering (toe- of afname) van de staafjes uitgezet tegen de keukenzoutconcentraties van de oplossingen.
Een aardappelstaafje (1) dat zes uur in een oplossing van 7 gram NaCl per liter heeft gelegen, wordt vergeleken met een aardappelstaafje (2) dat zes uur in een oplossing van 14 gram NaCl per liter heeft gelegen.

Welk van deze twee aardappelstaafjes is na deze zes uur het stevigst?
Van welk van deze twee aardappelstaafjes is de concentratie opgeloste stoffen in de cellen na deze zes uur het hoogst?

afbeeldingafbeelding


-

afbeeldingafbeelding

Osmose

Een afgesneden stengel van in een zoutoplossing.

Een afgesneden stengel van een kruidachtige plant staat in een zoutoplossing. De bladeren hangen slap.
Iemand wil de bladeren weer hun normale stevigheid geven. Hij heeft de beschikking over de volgende oplossingen om de stengel in te zetten:

1. een oplossing met een veel lagere concentratie van opgeloste stoffen dan die in het vacuolevocht van de cellen van een normaal blad;
2. een oplossing met dezelfde concentratie van opgeloste stoffen als die in het vacuolevocht van de cellen van een normaal blad;
3. een oplossing met dezelfde concentratie van opgeloste stoffen als die in het vacuolevocht van de cellen van de slaphangende bladeren.

In welke oplossing of in welke oplossingen hebben de bladeren kans hun normale stevigheid terug te krijgen?

Osmose

Volumeveranderingen bij cellen van aardappelstaafjes.

Uit een verse aardappel worden drie staafjes gesneden; de osmotische waarde van het vacuolevocht in de cellen van het weefsel komt overeen met die van een 0,8% keukenzoutoplossing.

Staafje 1 wordt gelegd in een keukenzoutoplossing van 3%.
Staafje 2 wordt gelegd in een keukenzoutoplossing van 0,8%.
Staafje 3 wordt gelegd in zuiver water.

In welk(e) staafje(s) neemt het volume van de cellen af als gevolg van een veranderende turgor?