Oefentoets Biologie: Osmose_diffusie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 4

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Osmose

Vier typen vissen & veranderingen van het externe milieu.
Zie figuur B 1732 van de bijlage

Van een viertal typen vissen werd nagegaan of hun interne osmotische waarde bestand was tegen of aangepast was aan veranderingen in de zoutconcentratie van het externe milieu (de paling kan in zoetwater en in zeewater leven). In het afgebeelde diagram zijn de resultaten weergegeven. Begin- en eindpunten van de krommen geven de osmotische waarde van het uitwendig milieu aan, waarbij de vis doodgaat.

Uit de resultaten kan men afleiden dat de vier curven typerend zijn voor

afbeeldingafbeelding

Osmose

Platwormen uit rivierdelta's.

Een bepaalde soort platworm leeft in het water van rivierdelta's. Als gevolg van eb en vloed verandert de osmotische waarde in dit milieu voortdurend. Bij laag water (eb) is het water waarin de worm leeft, minder zout dan bij hoog water (vloed).
Deze platworm heeft in het lichaam blazen waarin zich water en opgeloste deeltjes bevinden. Het aantal opgeloste deeltjes in deze blazen is constant. Met behulp van deze blazen wordt de osmotische waarde van de lichaamsvloeistof van de worm binnen zekere grenzen constant gehouden.
De osmotische waarde van de vloeistof in de blazen en van het omringende milieu wordt bepaald bij eb en bij vloed. In alle situaties blijft de worm volledig onder water.

Is de osmotische waarde van de vloeistof in de blazen bij eb lager of hoger dan bij vloed?
En is het gewicht van de worm bij eb lager of hoger dan bij vloed?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Aardappelweefsel in sacharose-oplossingen.
Zie figuur A 44 van de bijlage.

In het diagram staan de resultaten weergegeven van een experiment met vergelijkbare stukjes aardappelweefsel die een uur lang in sacharose-oplossingen werden gelegd.

In het diagram werd langs de verticale as als maat voor de veranderingen in de stukjes weefsel de verhouding genomen tussen

afbeeldingafbeelding

Osmose

Aardappelweefsel sacharose-oplossingen (2)
Zie figuur A 242 van de bijlage.

In het diagram staan de resultaten weergegeven van een experiment met vergelijkbare stukjes aardappelweefsel die een uur lang in sacharose-oplossingen werden gelegd.

In het diagram werd langs de verticale as als maat voor de veranderingen in de stukjes weefsel de verhouding genomen tussen

afbeeldingafbeelding

Osmose

Waterpestcellen in keukenzoutoplossingen (NaCl).
Zie figuur A 241 van de bijlage.

In het diagram staan de resultaten van een experiment met vergelijkbare waterpestcellen die afkomstig zijn uit een isotonische zoutoplossing.
Deze cellen worden een uur lang in keukenzoutoplossingen (NaCl) van verschillende concentraties gelegd.

In het diagram is langs de verticale as als maat voor de veranderingen in de cellen genomen de verhouding tussen

afbeeldingafbeelding

Osmose

Osmose in bloedcellen.
Zie figuur B 93 van de bijlage.

Enkele reageerbuizen bevatten elk 9 ml NaCl-oplossing van verschillende gehaltes. Bij een experiment wordt aan de inhoud van elke buis 1 ml bloed van een mens toegevoegd. Hierna wordt de inhoud van elke buis gecentrifugeerd. Er ontstaat onder in elke buis een laag vaste bloedbestanddelen. Daarboven bevindt zich vloeistof. Bij elke buis wordt het totale volume van de vaste bloedbestanddelen bepaald.
In het diagram is het verband weergegeven tussen dit volume en het NaCl-gehalte van de oplossing waaraan het bloed is toegevoegd.

Zal de vloeistof boven de vaste bloedbestanddelen in de buis met een NaCl-gehalte van 0,3 g/100 ml een rode kleur hebben?
En de vloeistof boven de vaste bloedbestanddelen in de buis met NaCl-gehalte van 0,9 g/100 ml?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Osmose

Menselijk bloed in gedestilleerd water

Een druppel menselijk bloed wordt verdund met eenzelfde hoeveelheid gedestilleerd water.

Wat gebeurt er dan met de rode bloedcellen?

Osmose

Bloedcellen.

In elk van vier reageerbuizen bevindt zich eenzelfde hoeveelheid onstolbaar gemaakt menselijk bloed. Bij elk van deze buizen worden gelijke hoeveelheden van oplossingen met verschillende keukenzoutconcentraties gevoegd.
Na centrifugeren werden de volumepercentages van vloeistof en sediment (cellen en celfragmenten) evenals de kleur van de vloeistof bepaald en in onderstaande tabel vermeld.
afbeeldingafbeelding

De buizen worden gerangschikt van laagste naar hoogste zoutconcentratie.

Wat is de juiste volgorde?

Osmose

Osmose in bloedcellen.

Bij een experiment worden rode bloedcellen uit bloed van een mens in water gebracht waarin ureum is opgelost.
De concentratie van ureummoleculen in de ureumoplossing is even groot als de concentratie van opgeloste deeltjes in het cytoplasma van de rode bloedcellen. De celmembranen laten de opgeloste deeltjes van het cytoplasma niet door, maar de ureummoleculen wel.

Heeft het overbrengen van de rode bloedcellen vanuit het bloed in de ureumoplossing gevolgen voor hun grootte?

Osmose

Een experiment met rode bloedcellen.

Het bloedplasma van de mens heeft een gemiddelde concentratie van opgeloste deeltjes die gelijk is aan die van een 0,9% NaCl-oplossing.
Bij een experiment worden rode bloedcellen in een oplossing P gelegd met een onbekende concentratie van opgeloste deeltjes.
De opgeloste deeltjes in oplossing P kunnen geen celmembranen passeren.
Na enige tijd worden de rode bloedcellen onder de microscoop bekeken. Het blijkt dat ze gezwollen zijn.

Is de concentratie van opgeloste deeltjes in deze gezwollen rode bloedcellen kleiner dan, gelijk aan of groter dan die van een 0,9% NaCl-oplossing?

Osmose

Een experiment met rode bloedcellen.

Het bloedplasma van de mens heeft een gemiddelde concentratie van opgeloste deeltjes die gelijk is aan die van een 0,9% NaCl-oplossing. Bij een experiment worden rode bloedcellen in een oplossing P gelegd met een onbekende concentratie van opgeloste deeltjes. De opgeloste deeltjes in oplossing P kunnen geen celmembranen passeren. Na enige tijd worden de rode bloedcellen onder de microscoop bekeken. Het blijkt dat ze gezwollen zijn.
Terwijl de gezwollen rode bloedcellen nog onder de microscoop liggen, wordt een oplossing Q onder het dekglaasje gebracht. Het volume van de cellen wordt daardoor kleiner.

Is de oplossing Q hypotonisch, hypertonisch of isotonisch ten opzichte van de oplossing P?

Osmose

Zoogdierbloed wordt gedestilleerd water.
Zie figuur B 92 van de bijlage.

Eén deel zoogdierbloed wordt met vier delen gedestilleerd water verdund en vervolgens gecentrifugeerd.

In welke figuur is het resultaat hiervan op een juiste wijze weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Bloed verdund met een 0.9% NaCl-oplossing.

Bloed wordt soms voor microscopisch onderzoek verdund met een 0.9% NaCl-oplossing.
Bij gebruik van zuiver water in plaats van deze zoutoplossing kan geen juist beeld van de vorm van de rode bloedcellen verkregen worden.

Dat komt doordat de rode bloedcellen in zuiver water

Osmose

Keukenzoutoplossing met onstolbaar gemaakt bloed.

Twee reageerbuizen bevatten elk 5 ml keukenzoutoplossing. De concentratie hiervan in de ene buis verschilt van die in de andere buis. Aan beide buizen wordt eenzelfde hoeveelheid onstolbaar gemaakt bloed toegevoegd.
Na enige tijd ontstaat in beide buizen en laag onopgeloste deeltjes op de bodem (bezinkingslaag). In één van de buizen is de vloeistof boven de bezinkingslaag rood gekleurd.
Door een bepaalde toevoeging en vervolgens even schudden kan de kleur van de vloeistof boven de bezinkingslaag in één van de buizen veranderd worden, waardoor de vloeistof in beide buizen dezelfde kleur krijgt.

Door welke van onderstaande toevoegingen kan dit gebeuren en hoe verandert dan de kleur?

Osmose

Rode bloedcellen in een bepaalde zoutoplossing.

Bij een experiment bevinden zich rode bloedcellen van een zoogdier in een bepaalde zoutoplossing. Deze zoutoplossing heeft hetzelfde aantal opgeloste deeltjes per volume-eenheid als het cytoplasma van de rode bloedcellen. De celmembranen van de rode bloedcellen zijn volledig doorlatend voor gasmoleculen en voor water- en ureummoleculen.
De zoutoplossing met rode bloedcellen wordt in gelijke hoeveelheden verdeeld over drie buizen 1, 2 en 3. Aan elk van deze buizen worden vervolgens gelijke hoeveelheden van andere oplossingen toegevoegd:

1. in buis 1 een zoutoplossing met per volume-eenheid een kleiner aantal opgeloste deeltjes van hetzelfde zout;
2. in buis 2 een zoutoplossing met per volume-eenheid een groter aantal opgeloste deeltjes van hetzelfde zout;
3. in buis 3 een zoutoplossing met per volume-eenheid hetzelfde aantal opgeloste deeltjes van hetzelfde zout als in de oorspronkelijke oplossing, aangevuld met ureum dat vrij door de celmembranen heen gaat.

In welke buis of in welke buizen zullen de rode bloedcellen opzwellen en/of barsten?

Osmose

Plantencellen in een geconcentreerde (plasmolyserende) zoutoplossing.

Plantencellen die gedurende enige tijd in een geconcentreerde (plasmolyserende) zoutoplossing hebben gelegen, worden overgebracht in een oplossing met een zeer geringe concentratie. Tussen de cellen en hun omgeving zal dan waterverplaatsing optreden.
Een maat voor de snelheid van deze waterverplaatsing (Sw) kan worden weergegeven als volgt:
afbeeldingafbeelding
c1 - c2 zijn recht evenredig met respectievelijk

Osmose

Osmose in plantencellen.

Voor de cellen van een stukje vulweefsel van een plant geldt dat ze turgor bezitten en dat ze per tijdseenheid evenveel water opnemen als afstaan.
Over de cellen van dit stukje vulweefsel in een plant worden de volgende beweringen gedaan:

1. de druk die de cellen op hun wand uitoefenen is even groot als de druk van de wanden op deze cellen;
2. het celmembraan van deze cellen laat alle opgeloste stoffen door;
3. de concentratie van opgeloste stoffen in de vloeistof die zich in de celwanden bevindt, is gelijk aan de concentratie van opgeloste stoffen in de vacuolen van deze cellen.

Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?

Osmose

Osmose in een plantencel.
Zie figuur B 2622 van de bijlage.

In de afbeelding is een cel schematisch getekend. Deze cel ligt in een sterke oplossing van een rood zout waarvoor het celmembraan niet doorlatend is.

Op welke van de aangegeven plaatsen bevindt zich het rode zout?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Osmose in aardappelen.

Uit een verse aardappel worden twee staafjes van gelijke doorsnede en gelijke lengte gesneden. Deze staafjes worden elk in een oplossing van kaliumnitraat gelegd; het ene staafje in een oplossing van 0,5%, het andere in een oplossing van 1,5%.
Na een uur blijkt dat het staafje in de oplossing van 1,5% een weinig langer is geworden en dat het staafje in de oplossing van 0,5% veel langer is geworden.

Wat kan geconcludeerd worden over de concentratie van opgeloste deeltjes in het vacuolevocht van de cellen van de staafjes aardappel vóór ze in de oplossingen gelegd werden?

Osmose

Intercellulair vocht en vacuolevocht in een aardappel.

In een verse aardappel bevindt zich vocht tussen de cellen: intercellulair vocht.

Is de concentratie van opgeloste stoffen in het intercellulaire vocht van deze aardappel lager dan, gelijk aan of hoger dan die in het vacuolevocht?