Oefentoets Biologie: Osmose_diffusie - Osmose_diffusie | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 13 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

13

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Osmose

Mosblaadjes in een geconcentreerde zoutoplossing.
Zie figuur B 32 van de bijlage.

Een vers gesneden mosblaadje wordt in een geconcentreerde zoutoplossing gelegd, waaraan een rode kleurstof (eosine) is toegevoegd. Het resultaat daarvan bij een aantal cellen van het blad is in de figuur weergegeven.

De plaatsen, gemarkeerd met 1 en 2 zullen er als volgt uitzien:

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Osmose

Een vers gesneden reepje aardappel.

Een vers gesneden reepje aardappel wordt in een 1,5% zoutoplossing gelegd. In deze oplossing ondergaat het reepje geen veranderingen.
Daarna wordt het reepje in een 3% zoutoplossing van hetzelfde zout gelegd en verandert het wel.

Het reepje wordt

Osmose

Aardappelstaafjes in glucose-oplossingen.
Zie figuur B 69 van de bijlage.

Uit een verse aardappel worden staafjes van precies 5 cm lengte gesneden. Deze staafjes worden elk in een glucose-oplossing gelegd. De concentraties van de glucose-oplossingen zijn verschillend.
Na een dag wordt de lengte van ieder staafje gemeten. Het verband tussen de glucoseconcentraties van de oplossingen en de lengten die de staafjes na een dag hebben, is weergegeven in het diagram.

Is er in de cellen van het aardappelstaafje dat een dag in de oplossing van 40 g glucose per liter heeft gelegen, nog turgor?
Kan het cytoplasma van de aardappelcellen die een dag in de oplossing met 80 g glucose per liter hebben
gelegen, los hebben gelaten van de celwanden?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Geranium in brak water.

Een geranium wordt in brakwaterhoudende grond geplaatst en begint daardoor te verwelken.

Zal dit verwelken het snelst optreden bij een lage of hoge relatieve vochtigheid van de lucht?
En bij een lage of hoge temperatuur van de lucht?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Plantencellen in oplossing.
Zie figuur B 90 van de bijlage.

Een cel van een plant bevindt zich in een oplossing. Na enige tijd heeft het vacuolevocht dezelfde osmotische waarde als de oplossing. Figuur P is een afbeelding van de cel in deze toestand. Daarna wordt deze cel overgebracht in een oplossing met een hogere osmotische waarde.

Met welke van de afgebeelde cellen zal de cel na enkele minuten de meeste gelijkenis vertonen, uitgaande van dezelfde mate van vergroting als bij P?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Een turgescente plantencel in een oplossing.

Een turgescente plantencel wordt in een oplossing gelegd. Deze oplossing bevat dezelfde opgeloste stoffen in dezelfde concentratie als de vacuole.

Verandert de hoeveelheid water in de cel op het moment dat deze in de oplossing wordt gelegd?
Waardoor komt dat?

Osmose

Cellen tekenen.
Zie figuur B 270 van de bijlage.

Vier leerlingen hebben tijdens een practicum ieder een tekening van een geplasmolyseerde cel gemaakt. In deze tekeningen stelt 1 de celkern, 2 de celmembraan, 3 de vacuolemembraan en 4 het cytoplasma voor.

In welke tekening zijn de onderdelen juist genummerd en is de ligging der onderdelen juist weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Een plantencel.
Zie figuur B 1267 van de bijlage.

In plantencellen is de doorlaatbaarheid van het celmembraan niet gelijk aan die van het vacuolemembraan. Een plantencel bevindt zich achtereenvolgens in twee situaties.
In situatie 1 bevindt de plantencel zich in het weefsel waarvan de cel deel uitmaakt.
In situatie 2 bevindt dezelfde cel zich in een bepaalde oplossing P. De totale omvang van de cel is in de situaties 1 en 2 gelijk, maar in situatie 2 is de vacuole kleiner en het volume van het cytoplasma groter dan in situatie 1 (zie afbeelding 2).
Ter verklaring van situatie 2 worden vier beweringen gedaan:

1. situatie 2 is ontstaan doordat zich een opgeloste stof in oplossing P bevindt die zowel door het celmembraan als door het vacuolemembraan heengaat.
2. situatie 2 is ontstaan doordat zich een opgeloste stof in oplossing P bevindt die door het celmembraan, maar niet door het vacuolemembraan heengaat.
3. situatie 2 is ontstaan doordat zich een opgeloste stof in oplossing P bevindt die niet door het celmembraan, maar wel door het vacuolemembraan heengaat.
4. situatie 2 is ontstaan doordat zich een opgeloste stof in oplossing P bevindt die niet door het celmembraan en ook niet door het vacuolemembraan heengaat.

Welke van deze beweringen is juist?


-

afbeeldingafbeelding

Osmose

Grensplasmolyse.

Als een cel in grensplasmolyse verkeert, is

Osmose

Plantencellen in een oplossing.

Men brengt een preparaat van een levend plantaardig weefsel in water waarin een niet giftige stof is opgelost. na een half uur blijkt de helft van de cellen een begin van plasmolyse te vertonen. De andere helft ziet er normaal uit.

Wat mag men nu concluderen?

Osmose

Cel in zout.

Men legt een plantencel in 10 ml zoutoplossing. Deze cel ondergaat plasmolyse. Na verloop van tijd blijkt de cel gedeplasmolyseerd te zijn.

Deze deplasmolyse wordt veroorzaakt doordat

Osmose

Pekel op de weg.

Pekel op de weg is slecht voor de plantengroei doordat