Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Op de stam van een eik groeien algen. Onder deze eik groeit een paddestoel op de afgevallen eikenbladeren. Op de levende bladeren aan de boom leven bladluizen. Een lieveheersbeestje zit op een tak een bladluis te eten.
Welk organismen is een reducent ? Welke is of zijn producenten ? Welke is of zijn consumenten ?
afbeelding
Kringlopen
Schimmels.
Schimmels zijn voor het verkrijgen van voedingsstoffen afhankelijk van andere organismen.
Kunnen schimmels stoffen opnemen die afkomstig zijn van consumenten ? En stoffen die afkomstig zijn van producenten ?
Kringlopen
Voedselrelaties. Zie figuur B 1209 van de bijlage.
In de schema's P, Q, R, en S zijn de relaties tussen producenten, consumenten en reducenten weergegeven.
Welke schema geeft deze relaties juist weer?
afbeelding
Kringlopen
Zelfreinigend vermogen.
Door zijn zelfreinigend vermogen raakt het water van een meer niet vervuild door de resten van dode organismen.
Welke van de volgende groepen organismen in het water zorgt vooral voor dit zelfreinigend vermogen ?
Kringlopen
Leven in de wei.
Op aarde komen verschillende soorten gebieden of landschappen voor. Een weidegebied is een voorbeeld van zo'n landschap. In een weidegebied komen onder andere de volgende organismen voor:
Wat is de rol van de bodembacteriën in dit weidegebied ?
Kringlopen
Zie figuur A 261 van de bijlage.
De afbeelding geeft een voedselweb/net weer.
Twee beweringen over dit voedselnet zijn:
I. De muizen zijn consumenten. II. De vossen zijn consumenten.
afbeelding
Kringlopen
Schimmels.
Schimmels zijn voor het verkrijgen van voedingsstoffen afhankelijk van andere organismen.
Kunnen schimmels stoffen opnemen die afkomstig zijn van consumenten ? En stoffen die afkomstig zijn van producenten ?
Kringlopen
De koolstofkringloop.
Hieronder staan negen gebeurtenissen die deel uitmaken van de koolstofkringloop. Rangschik ze in de juiste volgorde.
1. Een plant neemt koolstofdioxide op uit de lucht. 2. Een dier sterft. 3. Bacteriën en schimmels geven koolstofdioxide af aan de lucht. 4. Glucose wordt omgezet in allerlei plantaardige organische stoffen. 5. Bacteriën en schimmels verbruiken organische stoffen bij de verbranding. 6. Plantaardige organische stoffen worden omgezet in dierlijke organische stoffen. 7. Bij de fotosynthese wordt koolstofdioxide verbruikt en ontstaat glucose. 8. Dierlijke organische stoffen worden door bacteriën en schimmels opgenomen. 9. Een plant wordt gegeten door een dier.
De koolstofkringloop. Zie figuur B 3463 van de bijlage.
In de afbeelding is de koolstofkringloop schematisch weergegeven.
Welke twee groepen organismen worden aangegeven met A?
afbeelding
Kringlopen
Energiebron.
Wat is de energiebron die de kringloop in stand houdt?
Deze energiebron is [invulveld]
Kringlopen
Een boom.
1. Zie figuur B 3478 van de bijlage.
In de afbeelding is een boom getekend. Van deze boom vallen takken en bladeren af. Verder zijn paddestoelen getekend. Met pijlen is een kringloop schematisch weergegeven.
In de afbeelding kunnen de pijlen de kringloop van glucose weergeven. [invulveld]
2. In de afbeelding kunnen de pijlen de kringloop van koolstof weergeven. [invulveld]
3. In de afbeelding kunnen de pijlen de kringloop van mineralen (zouten) weergeven. [invulveld]
4. In de afbeelding is ten minste één producent zichtbaar getekend. [invulveld]
5. In de afbeelding is ten minste één reducent zichtbaar getekend. [invulveld]
afbeelding
Kringlopen
1/2 Een boom. Zie figuur B 3478 van de bijlage.
In de afbeelding is een boom getekend. Van deze boom vallen takken en bladeren af. Verder zijn paddestoelen getekend. Met pijlen is een kringloop schematisch weergegeven. Enkele stoffen zijn: glucose, koolstof en mineralen (zouten).
Van welke van de genoemde stoffen kan de kringloop met de pijlen in de afbeelding zijn aangegeven?
afbeelding
Kringlopen
2/2 Een boom. Zie figuur B 3559 van de bijlage.
Bij de kringloop van stoffen kunnen consumenten, producenten en reducenten worden onderscheiden.
Van welke van deze groepen is tenminste één individu zichtbaar getekend in de afbeelding?
afbeelding
Kringlopen
1/2 Een kringloop. Zie figuur B 2884 van de bijlage.
In de afbeelding is een kringloop weergegeven. Pijl 1 in de afbeelding geeft aan dat koolstofdioxide wordt opgenomen door producenten.
Bij welk proces verbruiken producenten koolstofdioxide? Welke andere stof wordt bij dit proces ook verbruikt?
afbeelding
afbeelding
Kringlopen
2/2 Een kringloop.
Welk van de pijlen 3 t/m 7 in de kringloop van de afbeelding is in de verkeerde richting getekend?
afbeelding
Kringlopen
1/4 Kringloop. Zie figuur A 429 van de bijlage.
De afbeelding geeft een boom weer. Van deze boom vallen takken en bladeren af. Verder zijn paddestoelen getekend. Met de pijlen is een kringloop schematisch weergegeven. Enkele stoffen zijn: glucose, koolstof en zouten.
Van welke van de genoemde stoffen kan de kringloop met de pijlen in de afbeelding zijn aangegeven ?
afbeelding
Kringlopen
2/4 Kringloop.
In een kringloop is meestal sprake van producenten, consumenten en reducenten.
Welke van deze groepen is of zijn zichtbaar getekend in de afbeelding ?
afbeelding
Kringlopen
3/4 Kringloop.
In Nederland groeien op veel akkers maïsplanten. Zij groeien onder gunstige omstandigheden hard en slaan veel reservevoedsel op in de maïskolven. Daarom zijn zij geschikt voor veevoer. Onder een boom, zoals getekend in de afbeelding, zal maïs minder goed kunnen groeien dan in een akker zonder bomen.
Noem twee redenen voor deze slechtere groei van maïsplanten onder grote bomen.
afbeelding
Kringlopen
4/4 Kringloop.
Als er een harde wind opsteekt, zal de verdamping door de boom van de afbeelding sterk toenemen. In de periode vlak na het opsteken van de wind wordt het transport van de wortels naar de bladeren gemeten.
Wat zal er in de boom met het transport van de wortels naar de bladeren gebeuren in deze periode met toegenomen verdamping ?
afbeelding
Kringlopen
1/7 Een kringloop.
In een bepaald ecosysteem op de Veluwe komen onder andere de volgende organismen voor:
- graanplanten, - haviken, - konijnen, - paardenbloemen, - teken (kleine dieren die van zoogdierbloed leven), - veldmuizen.
Aan de rand van dit ecosysteem op de Veluwe leven veel konijnen. Zij eten gras en andere planten. Soms wordt een konijn opgegeten door een roofvogel. Afgevallen bladeren en uitwerpselen van konijnen en roofvogels zijn voedsel voor kevers en wormen. Schimmels en bacteriën leven onder andere van uitwerpselen, bladafval en dode konijnen.
Organismen kunnen ingedeeld worden in consumenten, producenten en reducenten.