Oefentoets Biologie: Genetica - monohybried | HAVO 4/HAVO 5 | variant 4

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Genetica

Planten kruisen.

Bij een zaadplant die heterozygoot is voor een bepaalde eigenschap, komt alleen zelfbestuiving voor.
Elke stamper bevat vele zaadbeginsels. Op elke stempel vallen veel meer stuifmeelkorrels dan er zaadbeginsels in die plant aanwezig zijn. De stuifmeelbuizen met het dominante allel voor de bedoelde eigenschap groeien aanzienlijk sneller dan de stuifmeelbuizen met het recessieve allel.
Iemand zaait 100 door zelfbestuiving verkregen zaden uit. Alle ontkiemen.

Het aantal planten dat het fenotype heeft dat veroorzaakt wordt door het dominante allel, zal theoretisch

Genetica

Een bepaalde stof proeven.

Laten we veronderstellen, dat het kunnen proeven van een bepaalde stof berust op een dominant gen. Iemand kan deze stof niet proeven.

De aanleg van zijn ouders was

Genetica

Albinisme bij planten.

Sommige planten zijn niet in staat om bladgroen te vormen. Dit zogenaamde albinisme berust op de aanwezigheid van een recessief allel. Bij een tabaksplant die heterozygoot is voor deze eigenschap, treedt zelfbestuiving op. Er ontstaan 600 zaden. Na kieming ontstaan hieruit kiemplanten.

Hoeveel van deze kiemplanten zullen naar verwachting albino zijn?

Genetica

1/3 Een monohybride kruising.

Bij een monohybride kruising ontstaan in de F1 twee verschillende fenotypen.

In welke verhouding ontstaan deze twee fenotypen?

Genetica

2/3 Een monohybride kruising.

Indien de twee ouders niet in uiterlijk zouden verschillen, hoe wordt dan de fenotypenverhouding in de F1 ?

Genetica

3/3 Een monohybride kruising.

Indien wordt uitgegaan van het gestelde in de vorige vraag en er ontstaan drie verschillende fenotypen, hoe vindt dan de overerving plaats en in welke verhouding ontstaan de fenotypen?

Genetica

1/2 Een plant kruisen.

Men kruist een rondbladige plant met een ovaalbladige; beide zijn homozygoot.
In de F2 ontstaan 2 verschillende fenotypen.

Wat is met zekerheid over de overerving van beide eigenschappen te zeggen?

Genetica

2/2 Een plant kruisen.

Met welk gegeven ten aanzien van de F1 of met welk gegeven ten aanzien van de F2 kan met zekerheid de soort overerving worden aangegeven? (beide mogelijkheden noemen)

Genetica

1/4 Schapen.
Zie figuur B 458 van de bijlage.

Bij schapen wordt een vrouwelijk dier een ooi en een mannelijk dier een ram genoemd.
In 1968 ontdekte een schapenfokker een merkwaardig gekleurd ramlam bij zijn Texelse schapen.
De grijsblauwe kleur van de vacht van het lam bleek een erfelijk bepaalde eigenschap te zijn en na enige jaren gericht fokken groeide het aantal 'blauwe' schapen tot ruim twintig. Door onderlinge kruisingen en terugkruisingen met ouderdieren werd de overerving van de afwijkende vachtkleur vastgesteld.

De volgende resultaten van paringen van vijf ouderparen werden gevonden (zie de afbeelding B 458).

Paar 1 : de witte ooi P en de witte ram Q kregen witte nakomelingen.
Paar 2: de witte ooi R en de blauwe ram S kregen witte nakomelingen.
Paar 3: de witte ooi T en de witte ram U kregen blauwe en witte nakomelingen.
Paar 4: de witte ooi V en de blauwe ram W kregen blauwe en witte nakomelingen.
Paar 5: de blauwe ooi X en de blauwe ram Y kregen blauwe nakomelingen.

Welke conclusie is op grond van deze resultaten te trekken over de overerving van het allel voor blauwe en het allel voor witte vachtkleur?

afbeeldingafbeelding

Genetica

2/4 Schapen.
Zie figuur B 458 van de bijlage.

Paar 3: de witte ooi T en de witte ram U kregen blauwe en witte nakomelingen.

Wat valt te zeggen van de genotypen van ooi T en ram U (paar 3)?

afbeeldingafbeelding

Genetica

3/4 Schapen.

Welke van de onderstaande termen is van toepassing op de activiteit van de schapenfokker om zoveel mogelijk blauwe schapen te krijgen?

Genetica

4/4 Schapen.
Zie figuur B 458 van de bijlage.

Paar 1 : de witte ooi P en de witte ram Q kregen witte nakomelingen.
Paar 5: de blauwe ooi X en de blauwe ram Y kregen blauwe nakomelingen.

Ram Y en ooi P krijgen verscheidene malen nakomelingen.

Is het zeker dat uit deze paringen blauwe nakomelingen ontstaan?
Zo ja, welk deel van de nakomelingen zal blauw zijn?

afbeeldingafbeelding

Genetica

1/2 Een stamboom.
Zie figuur A 170 van de bijlage.

Sommige mensen kunnen met hun tong een gootje maken. Anderen kunnen dat niet. Deze eigenschap is erfelijk.
De stamboom heeft betrekking op een familie waarin de eigenschap 'een gootje kunnen maken' voorkomt.

Is het allel voor 'een gootje kunnen maken' dominant of recessief?
Kan het allel voor 'een gootje kunnen maken' X-chromosomaal zijn?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Genetica

2/2 Een stamboom.

Hoe groot is de kans dat de dochter van de personen P en Q een gootje met haar tong kan maken?

afbeeldingafbeelding

Genetica

1/2 Een plant kruisen.

Men kruist een rondbladige plant met een ovaalbladige; beide zijn homozygoot.
In de F2 ontstaan 2 verschillende fenotypen.

Wat is met zekerheid over de overerving van beide eigenschappen te zeggen?

Genetica

2/2 Een plant kruisen.

Met welk gegeven ten aanzien van de F1 of met welk gegeven ten aanzien van de F2 kan met zekerheid de soort overerving worden aangegeven? (beide mogelijkheden noemen)

Genetica

1/3 Een monohybride kruising.

Bij een monohybride kruising ontstaan in de F1 twee verschillende fenotypen.

In welke verhouding ontstaan deze twee fenotypen?

Genetica

2/3 Een monohybride kruising.

Indien de twee ouders niet in uiterlijk zouden verschillen, hoe wordt dan de fenotypenverhouding in de F1 ?

Genetica

3/3 Een monohybride kruising.

Indien wordt uitgegaan van het gestelde in de vorige vraag en er ontstaan drie verschillende fenotypen, hoe vindt dan de overerving plaats en in welke verhouding ontstaan de fenotypen?

Genetica

1/4 Brandnetels.

Gegeven een kruising van homozygote brandnetelvariƫteiten: gezaagde bladranden x gave bladranden.

In de F1 zijn alle bladeren gezaagd. De F1 -planten worden onderling gekruist.

Welk gegeven kan hier als overbodig worden aangeduid?