Oefentoets Biologie: Spijsvertering - Spijsvertering | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 9 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

9

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Spijsvertering

Alvleessap.

In een experiment worden drie mengsels (zie tabel) gedurende een uur bij 25°C geplaatst.
Hierna wordt de pH van de mengsels gemeten, met de volgende resultaten:
afbeeldingafbeelding

Welke conclusie uit deze resultaten is juist?

Spijsvertering

1/3 Een alvleeskliercel.
Zie figuur B 2646 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch een kliercel uit de alvleesklier afgebeeld. Door dit celtype worden eiwitten, zoals procarboxypeptidasen, lipasen en andere enzymen, gevormd en afgescheiden.

Voorafgaand aan deze secretie vindt een aantal processen plaats. Deze processen zijn in willekeurige volgorde:

1. afscheiding van eiwitrijke producten richting afvoerkanaal;
2. fusie secretiegranulum met het celmembraan;
3. het afsnoeren van onrijpe secretiegranula door het Golgi-systeem;
4. opslag van rijpe secretiegranula;
5. polycondensatie van aminozuren;
6. rijping van secretiegranula door onttrekken van water;
7. transport van de in het ER afgegeven eiwitten naar het Golgi-systeem;
8. vorming van mRNA.

Geef de juiste volgorde waarin de processen 1 tot en met 8 plaatsvinden.

Deze volgorde is [invulveld] - [invulveld] - [invulveld] - [invulveld] - [invulveld] - [invulveld] - [invulveld] - [invulveld].




-

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

2/3 Een alvleeskliercel.
Zie figuur B 2654 van de bijlage.

De plaats waar mRNA voor een af te scheiden enzym wordt gevormd is niet dezelfde als de plaats waar dit mRNA werkzaam is.

- Teken in de afbeelding van de alvleeskliercel in de uitwerkbijlage een lijn die de exacte route aangeeft tussen de plaats van vorming van mRNA en een plaats waar het mRNA werkzaam is.
- Geef het begin van deze lijn aan met de letter m.

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

3/3 Een alvleeskliercel.

De werking van de eiwitverterende enzymen uit de alvleesklier is zo krachtig, dat deze enzymen de alvleeskliercellen waarin ze worden gevormd, zouden kunnen verteren.

Geef twee manieren waarop in alvleeskliercellen wordt verhinderd dat deze eiwitverterende enzymen de cellen zelf verteren.

Spijsvertering

1/2 De alvleesklier.
Zie figuur B 2284 van de bijlage.

In de afbeelding zijn de uitmondingen van de afvoergang van de galblaas en van de afvoergang van de alvleesklier in de twaalfvingerige darm getekend.
De pH van alvleessap ligt tussen 8,0 en 8,3; de pH van de inhoud van de dunne darm is lager dan 8,0.

Noem twee oorzaken waardoor de pH in de dunne darm lager is dan de pH van het alvleessap.

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

2/2 De alvleesklier.

Bij een bepaalde patiënt wordt een grote galsteen gediagnosticeerd.
Door deze galsteen wordt niet alleen de galafvoergang afgesloten, maar wordt ook de afvoergang van de alvleesklier dichtgedrukt.
Hierdoor kan het alvleessap niet voldoende worden afgevoerd.
Als gevolg daarvan volgt een serie van processen die uiteindelijk onder meer leiden tot het ontstaan van diabetes mellitus (= suikerziekte). Deze vorm van diabetes wordt veroorzaakt door een verminderde afgifte van insuline uit de alvleesklier.
Insuline wordt geproduceerd door bepaalde cellen in de alvleesklier.

Leg uit waardoor in deze situatie diabetes mellitus kan ontstaan.

Spijsvertering

1/3 Pancreasenzymen.
Zie figuur C 367 van de bijlage.

De alvleesklier (pancreas) produceert verschillende hydrolytische enzymen.
In de afbeelding is de regulatie van de pancreassapsecretie weergegeven.
Pancreassap bevat naast het onmisbare HCO3 - en actieve enzymen, ook een groot aantal inactieve enzymen.
Van deze pro-enzymen vervult trypsinogeen een sleutelrol.
Zodra trypsinogeen in de twaalfvingerige darm komt, wordt het geactiveerd door het daar aanwezige enteropeptidase.
Het geactiveerde trypsine activeert vervolgens een aantal andere pro-enzymen, zoals chymotrypsinogeen.
Een bestanddeel van pancreassap is HCO3 - .

Welke functie heeft dit bestanddeel in de twaalfvingerige darm?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

2/3 Pancreasenzymen.

Enzymen die in actieve vorm worden geproduceerd in de pancreas zijn onder andere a-amylase en triacylglycerol-lipase. Inactieve enzymen zijn bijvoorbeeld pro-carboxypeptidasen en pro-fosfolipase.

- Leg uit waarom fosfolipase niet in actieve vorm geproduceerd wordt.
- Leg uit waarom dat bij a-amylase wel mogelijk is.

Spijsvertering

3/3 Pancreasenzymen.
Zie figuur A 898 van de bijlage.

De pancreas produceert endopeptidasen en twee typen exopeptidasen: carboxypeptidasen en aminopeptidasen.
In de afbeelding is de structuur van de twee uiteinden van een polypeptidemolecuul weergegeven. Vijf plaatsen zijn met een genummerde pijl aangegeven.

Op welke van deze plaatsen kan een carboxypeptidase de peptidebinding verbreken?

afbeeldingafbeelding