Uitscheiding
Regulatie.
Actieve regulatie van het watergehalte van het bloed vindt bij de mens plaats door uitscheiding via
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 4, VWO 5, VWO 6
NVON
cc-by-sa-40
Regulatie.
Actieve regulatie van het watergehalte van het bloed vindt bij de mens plaats door uitscheiding via
Regulatie.
Tijdens zware arbeid is de activiteit van de zweetklieren verhoogd.
Deze verhoogde activiteit gaat veelal samen met
Uitscheiding.
Uit een organisme worden op verschillende wijzen stoffen naar het uitwendig milieu gevoerd. Dit is niet altijd op te vatten als uitscheiding. Vier processen die bij de mens voorkomen, zijn:
1. afvoer van galkleurstoffen met de gal;
2. afgifte van koolstofdioxide uit het bloed via de longen;
3. afvoer van ureum met de urine;
4. afgifte van alvleeskliersap door de alvleesklier.
Welke van deze processen kunnen als uitscheiding worden opgevat?
Water en zouten.
De concentratie van opgeloste deeltjes in het bloed van de mens wordt onder andere door de nieren binnen bepaalde grenzen geregeld. Over de betekenis van enkele andere organen ten aanzien van de concentratie van opgeloste deeltjes in het bloed worden drie beweringen gedaan.
1. Vanuit de dunne darm worden alleen zouten en geen water in het bloed opgenomen.
2. In de luchtwegen vindt afgifte van water uit het bloed plaats.
3. In de zweetklieren vindt afgifte van water en zouten uit het bloed plaats.
Welke van deze beweringen zijn juist?
Nieren.
Zie figuur B 216 van de bijlage.
De afbeeldingen geven schematisch de nierkapsels en nierkanaaltjes weer bij twee zoogdiersoorten (1 en 2).
De afgebeelde vormen kunnen kenmerkend zijn voor verwante zoogdieren die leven in
afbeelding
afbeelding
Uitscheiding.
Zie figuur A 239 van de bijlage.
Bij een bepaalde vogelsoort bevindt zich in de kop een zoutklier (zie tekening 1 in de afbeelding). Bij een vogel van deze soort worden door de nieren vrijwel geen ionen uitgescheiden. Als de concentratie van opgeloste stoffen in het bloed van de vogel stijgt, scheidt deze zoutklier ionen uit via de neusgaten.
De vogel krijgt via het voedsel veel ionen binnen. In onderstaande tabel zijn de concentraties van een aantal ionen in de weefsels van de vogel en van zijn prooidieren weergegeven.
afbeelding
Aangenomen wordt dat de vogel van elke prooidiersoort een even grote gewichtshoeveelheid eet.
Bij het nuttigen van welke van de genoemde prooidieren zal de zoutklier de kleinste hoeveelheid ionen gaan uitscheiden?
afbeelding
1/2 Een zoutklier.
Zie figuur A 239 van de bijlage.
afbeelding
Bij een bepaalde vogelsoort bevindt zich in de kop een zoutklier (zie tekening 1 in de afbeelding). Bij een vogel van deze soort worden door de nieren vrijwel geen ionen uitgscheiden. Als de concentratie van opgeloste stoffen in het bloed van de vogel stijgt, scheidt deze zoutklier ionen uit via de neusgaten.
De vogel krijgt via het voedsel veel ionen binnen. In onderstaande tabel zijn de concentraties van een aantal ionen in de weefsels van de vogel en van zijn prooidieren weergegeven.
afbeelding
De zoutklier bestaat uit blind eindigende huisjes die in nauw contact staan met bloedvaten (zie tekening 2 in de afbeelding A 239). De kliercellen nemen actief ionen uit het bloed op en geven die af aan de buisjes. Het concentratieverschil tussen het bloed en de vloeistof in de buisjes is vrijwel constant en klein, waardoor het terugdiffunderen van ionen naar het bloed zoveel mogelijk wordt tegengegaan.
Zie volgende scherm
2/2 Een zoutklier.
Zie figuur A 239 van de bijlage.
Is uit deze gegevens te concluderen in welke richting het bloed in de bloedvaten langs de klierbuisjes stroomt?
Zo ja, stroomt het in richting P of in richting Q?
afbeelding
De nier van een vis.
Zie figuur B 139 van de bijlage.
De tekening geeft een nierkapseltje met een haarvatennet van een vis weer. Bij vissen komt een hormoon H voor, dat alleen op plaats P de samentrekking stimuleert van spiercellen in de wand van het bloedvaatje.
Trekken deze spiercellen zich samen, dan neemt de bloeddruk in de haarvaten van het kapseltje toe. Op een bepaald moment wordt de concentratie van hormoon H in het bloed hoger.
Neemt de hoeveelheid voorurine die per minuut wordt gevormd, hierdoor toe of af?
Neemt de concentratie van glucose in het bloedplasma op plaats P hierdoor toe of blijft deze gelijk?
afbeelding
afbeelding
Osmotische regeling.
Zie figuur B 2513 van de bijlage.
Het hormoon ADH bevordert de resorptie van water uit voorurine.
Verandert als gevolg van deze werking de osmotische waarde van het bloedplasma tussen 1 en 2 of tussen 2 en 3?
Zal de osmotische waarde van het bloedplasma stijgen of dalen?
afbeelding
afbeelding
Regulatie.
Iemand eet in korte tijd veel zout voedsel. Als gevolg hiervan verandert in het bloed de concentratie van hormonen die de uitscheiding regelen.
De concentratie van een hypofysehormoon zal veranderen, zodat
Regulatie.
Zie figuur B 200 van de bijlage.
De tekening geeft een niereenheid en een deel van een verzamelbuis weer.
Het hormoon H regelt deze doorlaatbaarheid voor water van de cellen van onder andere de wand van de verzamelbuis. Als er weinig H in het bloed zit, laten deze cellen weinig water door naar het bloed; als er veel H in het bloed zit, laten deze cellen veel water door naar het bloed.
Het hormoon H regelt zo het watergehalte van het bloed.
Iemand heeft veel water gedronken, waardoor het watergehalte van zijn bloed afwijkt van normaal.
Is de afgifte van H aan het bloed nu groter of kleiner dan normaal?
Wordt tussen P en Q meer of minder water geresorbeerd dan normaal?
afbeelding
afbeelding
Nieren.
Zie figuur B 1671 van de bijlage.
In de afbeelding is schematisch een niereenheid van de mens weergegeven. Vier plaatsen zijn met cijfers aangegeven. Als de concentratie van opgeloste deeltjes in het bloed stijgt, wordt door de hypofyse het hormoon ADH afgegeven.
Op welke van de in de afbeelding aangegeven plaatsen zal als gevolg van de afgifte van ADH de concentratie opgeloste deeltjes het eerst afnemen?
afbeelding
ADH.
De ADH-concentratie in het bloed van de nierslagader neemt toe.
Wat is het directe gevolg hiervan voor de vorming van voorurine of urine?
Wateruitscheiding.
Gedurende een bepaalde periode (P) produceert een proefpersoon urine met een hogere concentratie keukenzout dan gedurende een even lange periode Q. De hoeveelheid voorurine die hij vormt, is in periode P gelijk aan periode Q; de keukenzoutconcentratie in zijn bloed is in beide perioden ook gelijk.
Wordt er gedurende periode P meer of minder water geresorbeerd in zijn nieren dan gedurende periode Q?
Is gedurende periode P de concentratie van het antidiuretisch hormoon (ADH) in het bloed waarschijnlijk hoger of lager dan gedurende periode Q?
afbeelding
Uitscheiding en bloeddruk.
De bloeddruk in het begin van een haarvatenkluwen van een niereenheid bedraagt 70 mm Hg.
De osmotische waarde, veroorzaakt door de eiwitten in het bloed, bedraagt 25 mm Hg. De druk van de voorurine in een nierkapsel bedraagt 15 mm Hg.
Hoe groot is de filtratiedruk waardoor voorurine wordt gevormd?
Vorming van voorurine.
Van een nierkapsel is gegeven:
1. de colloïd-osmotische druk van het bloed is 3,3 kPa (ca. 25 mm Hg),
2. de druk van de vloeistof in het kapsel is 2,0 kPa (ca. 15 mm Hg).
Hoe groot moet de bloeddruk zijn om voorurine te kunnen vormen?
Bloeddruk en voorurine.
In de nierkapseltjes van de mens wordt voorurine gevormd uit bloedplasma.
Is in de nierkapseltjes de bloeddruk in de haarvaten hoger of lager dan de druk in de voorurine?
Als op een bepaald moment het verschil tussen de concentratie van opgeloste stoffen in het bloed en die in de voorurine iets groter wordt, wordt hierdoor dan méér voorurine geproduceerd?
afbeelding
Bloeddruk en uitscheiding.
Bij een patiënt neemt plotseling de bloeddruk sterk af. Deze bloeddrukdaling heeft effect op processen in de nieren.
Welke van de volgende veranderingen in processen in de nieren is het rechtstreekse gevolg van deze bloeddrukdaling?
Nierkanaaltjes.
Over de nierkanaaltjes van de mens worden de volgende uitspraken gedaan:
1. het zuurstofverbruik door de cellen van de nierkanaaltjes is gering, vergeleken met dat door de cellen van de nierkapsels;
2. het zuurstofverbruik door de cellen van de nierkanaaltjes is groot, vergeleken met dat door de cellen van de nierkapsels;
3. de cellen van de nierkanaaltjes onttrekken zouten en glucose aan de vloeistof in de nierkanaaltjes.
4. de vloeistof die de nierkanaaltjes binnenkomt bevat zouten en ureum, maar geen glucose;
Welke uitspraken zijn juist?