Oefentoets Biologie: Plantenanatomie - Plantenanatomie | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 19 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

19

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenanatomie

Waterplant.
Zie figuur B 591 van de bijlage.

De tekening stelt een dwarsdoorsnede voor van een deel van een bladsteel van een waterplant.
Deze waterplant wortelt in de modder en heeft drijvende bladeren.

Wat bevindt zich in de intercellulaire ruimten?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Tak met kurklaag.

In een tak van een boom komen in de kurklaag kleine niet-verkurkte delen voor (kurkporiën) met vulweefsel.
Onder de kurklaag bevinden zich cellen met bladgroen.

In welke richting kan O2 door deze kurkporiën diffunderen?
En in welke richting CO2 ?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Bosgrond en akkergrond.

In de bodem wordt door heterotrofe micro-organismen en wortelcellen van planten koolstofdioxide gevormd door dissimilatie met zuurstof. Dit proces wordt bodemademhaling genoemd. Op een bepaalde bodem (bosgrond) groeit een beukenbos en op een andere bodem (akkergrond) groeien tarweplanten. In de bosgrond komen per cm3 minder actieve wortelcellen voor dan in de akkergrond. De hoeveelheid koolstofdioxide die bij de bodemademhaling per hectare in de bosgrond wordt geproduceerd, is ongeveer vier maal zo groot als in de akkergrond.
Over de bosgrond en de akkergrond worden twee uitspraken gedaan:

1. in de bosgrond komen per cm3 meer heterotrofe micro-organismen voor dan in de akkergrond;
2. in de bosgrond wordt per tijdseenheid per cm3 meer zuurstof verbruikt dan in de akkergrond.

Is uitspraak 1 juist?
En uitspraak 2?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Doorsnede van blad.
Zie figuur B 573 van de bijlage.

De tekening stelt een dwarsdoorsnede voor van een blad van een plant met bladgroen.

Op welke van de aangegeven plaatsen is de assimilatie-activiteit het kleinst?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Een deel van een blad.
Zie figuur B 416 van de bijlage.

De afbeelding stelt schematisch een deel van een blad met bladgroen voor. Enkele celtypen zijn met cijfers aangegeven.
Een dergelijk blad bevindt zich aan een levende zaadplant die op een zonnige standplaats groeit.

In welke van de aangegeven celtypen kan fotosynthese plaatsvinden?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Zuurstofconcentratie in blad.
Zie figuur B 314 van de bijlage.

Men meet de zuurstofconcentratie in een volgroeid groen blad op de plaatsen P en Q (zie tekening doorsnede blad) op de volgende tijdstippen:

1. vlak voor zonsopgang,
2. een uur na zonsopgang,
3. om één uur 's middags,
4. vlak na zonsondergang.

Op welke tijdstippen zal men de grootste concentratieverschillen van zuurstof aantreffen tussen P en Q?

Op de tijdstippen

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Doorsnede vaatbundel.
Zie figuur A 191 van de bijlage.

De tekening stelt een dwarsdoorsnede voor van een vaatbundel in een stengel van een zaadplant. Een gedeelte is extra groot weergegeven.
Met de cijfers 1 en 2 zijn verschillende plaatsen aangegeven.
In de vaatbundel wordt door cellen zuurstof verbruikt.

Vindt het transport van deze zuurstof plaats via 1 of via 2?
Ligt het centrum van de stengel in de richting van pijl q of in de richting van pijl r?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Rust.

Rust wordt bij planten omschreven als een fase van stilstand in de ontwikkeling van de plant.
Planten kunnen een rustperiode gebruiken om ongunstige omstandigheden, zoals extreme temperaturen en droge zomers, te overleven. Veel houtige gewassen laten voor de rustperiode hun bladeren vallen. Veel kruidachtige gewassen vormen knollen, bollen en dergelijke. Een andere manier om ongunstige perioden te overbruggen is het vormen van zaden. Als de omstandigheden voor het ontkiemen van de zaden ongunstig zijn, spreken we van 'opgelegde rust'.

Welk type rust kan alleen samengaan met geslachtelijke voortplanting?

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Rust.

Een bepaalde struik leeft in een gebied met gemiddeld hoge jaartemperaturen, af en toe regen in de winter en het voorjaar, en kurkdroge zomers. Deze struik heeft een rustperiode.

In welke periode is deze struik in rust en waaruit kan dat blijken?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Rust.

Welke milieufactor veroorzaakt vooral een opgelegde rust bij zaden?

1/2Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Bieten.

Twee verschillende variëteiten bieten worden onderzocht: de snijbiet en de suikerbiet.
Over deze bietenvariëteiten is het volgende bekend:

1. Bladeren van de snijbiet vertonen een geringere fotosynthese per cm2 blad dan bladeren van de suikerbiet.
2. In de wortels van de snijbiet wordt een geringe hoeveelheid reservestoffen opgeslagen, in de wortels van de suikerbiet wordt een grote hoeveelheid reservestoffen opgeslagen.

In experiment 1 worden bladeren van een snijbiet geënt op een wortel van een suikerbiet.
De intensiteit van de fotosynthese in de bladeren van de snijbiet blijkt dan groter te zijn dan normaal.
In experiment 2 worden bladeren van een suikerbiet geënt op een wortel van een snijbiet.
De intensiteit van de fotosynthese in de bladeren van de suikerbiet blijkt dan kleiner te zijn dan normaal.

Ter verklaring van de beschreven resultaten worden twee beweringen gedaan:

1. De intensiteit van de fotosynthese in de bladeren van de snijbiet kan groter zijn dan normaal door opslag van fotosyntheseproducten in de bladeren.
2. De intensiteit van de fotosynthese in de bladeren van de snijbiet kan groter zijn dan normaal door afvoer van fotosyntheseproducten naar de wortel van de suikerbiet.

Welke van deze beweringen is of welke zijn in overeenstemming met de resultaten?




-

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Bieten.

Verandert het fenotype van de bladeren van een snijbiet wanneer deze worden geënt op de wortel van een suikerbiet?
En verandert het genotype?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Rozen.
Zie figuur B 1428 van de bijlage.

Wanneer een rode roos gaat bloeien, strekken zich de cellen in de bloemknop. Het gewicht van de bloem wordt daarbij 7 keer zo groot (zie de afbeelding). Om tegen te gaan dat rozen in de vaas voortijdig verwelken, voegt men vaak bepaalde stoffen toe aan het water waarin de rozen worden geplaatst. Eén van deze stoffen gaat de groei van bacteriën in het water tegen.
Microscopisch onderzoek heeft aangetoond dat bacteriën bepaalde delen van de stengel van een snijbloem kunnen verstoppen. Deze bacteriën dringen via het snijvlak de stengel binnen.

Welke stof levert de grootste bijdrage aan het grote gewicht van de bloem van de roos?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Rozen.

De cellen van de kroonbladeren van een roos verbruiken glucose. Glucose kan worden gevormd uit anorganische stoffen.

Wordt glucose uit anorganische stoffen gevormd in de kelkbladeren van een volledig ontwikkelde bloem van de roos?
En in de kroonbladeren van zo'n bloem?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Rozen.

Delen van de stengel van een roos zijn onder andere bastvaten, houtvaten en intercellulaire holten.

In welk deel vooral zal verstopping door bacteriën leiden tot verwelking van rozen?

Plantenfysiologie

1/2 Stofwisseling.

In organismen kunnen de volgende omzettingen voorkomen:

1. glucose wordt omgezet in alcohol en koolstofdioxide,
2. glucose wordt omgezet in koolstofdioxide en water,
3. koolstofdioxide en water worden omgezet in onder andere glucose.

Kiemende erwten bevinden zich gedurende enige dagen in een donkere, afgesloten pot. De zuurstof is uit deze pot verdwenen.

Welke van de genoemde omzettingen kan dan in de pot plaatsvinden?

Plantenfysiologie

2/2 Stofwisseling.

In organismen kunnen de volgende omzettingen voorkomen:

1. glucose wordt omgezet in alcohol en koolstofdioxide,
2. glucose wordt omgezet in koolstofdioxide en water,
3. koolstofdioxide en water worden omgezet in onder andere glucose.

Kiemende erwten bevinden zich gedurende enige dagen in een donkere, afgesloten pot. De zuurstof is uit deze pot verdwenen.

In een andere pot bevinden zich organismen waarin zowel omzetting 2 als omzetting 3 kan voorkomen.
Kunnen deze organismen amoeben, groenwieren of rupsen zijn?

Plantenfysiologie

Landbouw.

In een interview in het tijdschrift De Boerderij zegt een boer onder andere het volgende:

"De prijsdaling van tarwe wordt niet langer gecompenseerd door een stijging van de opbrengsten. Ik strooi op tarwe per jaar in drie keer 180 kg stikstofhoudende kunstmest per hectare en spuit als regel drie keer tegen schimmelziekten. De opbrengst stijgt niet meer, de grond en het klimaat zijn de beperkende factoren geworden.
Ik blijf trouwens wel zoeken naar productievere rassen."

Stikstof wordt door tarwe vooral gebruikt om daarmee een bepaald type organische stoffen op te bouwen.

Welke organische stoffen zijn dit?