Oefentoets Biologie: Voortplanting | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 36

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voortplanting

3/3 PCOS.

Vrouwen met PCOS maken vaak te veel mannelijk geslachtshormoon aan, waardoor hun lichaam een mannelijk beharingspatroon heeft.

Door welk deel van de voortplantingsorganen worden geslachtshormonen geproduceerd?

Voortplanting

1/4 De ambrosia.
Zie de figuren B 4345 en B 4346 van de bijlage.

De ambrosia is een plant die steeds vaker in Nederland voorkomt. Wetenschappers denken dat één van de oorzaken het gebruik van vogelvoer is dat zaden van de ambrosia bevat. Mensen kopen dit vogelvoer en strooien het 's winters uit in de tuin.

In Nederland komen twee soorten ambrosia voor, de alsem-ambrosia en de zand-ambrosia. De zaden van de alsem-ambrosia worden verspreid doordat de vruchtjes aan de veren van vogels blijven hangen.
In de afbeelding B 4346 wordt een vruchtje van de alsem-ambrosia weergegeven.

Het vruchtje van de alsem-ambrosia is aangepast aan de verspreidingswijze.

Leg dit uit met behulp van de afbeelding.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Voortplanting

2/4 De ambrosia.

De zand-ambrosia produceert veel minder zaden dan de alsem-ambrosia en overwintert vooral met wortelstokken.

Kan de zand-ambrosia zich geslachtelijk voortplanten?
En kan de zandambrosia zich ongeslachtelijk voortplanten?

Voortplanting

3/4 De ambrosia.
Zie figuur B 4347 van de bijlage.

Tijdens de bloeiperiode kan één ambrosiaplant wel een miljard stuifmeelkorrels produceren. In de afbeelding zijn enkele van deze stuifmeelkorrels weergegeven. Eén stuifmeelkorrel is aangegeven met letter P.

Hoe groot is stuifmeelkorrel P ongeveer?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

4/4 De ambrosia.

Stuifmeel van de ambrosia veroorzaakt bij sommige mensen hooikoorts. Uit onderzoek is gebleken dat 6 stuifmeelkorrels van de ambrosia al voldoende zijn om een allergische reactie te veroorzaken bij die mensen.
Voor zo'n reactie zijn 60 stuifmeelkorrels van een grassoort nodig. Deze stuifmeelkorrels zijn veel groter dan de stuifmeelkorrels van de ambrosia.

Noem een oorzaak, waardoor de kleinere stuifmeelkorrels van de ambrosia een sterkere allergische reactie veroorzaken dan de stuifmeelkorrels van een grassoort.

Voortplanting

1/2 Gerst.
Zie figuur B 4497 van de bijlage.

Voor het maken van bier wordt meestal gerst gebruikt. Deze graansoort wordt op grote akkers verbouwd.
In de afbeelding is de bloem van een gersteplant weergegeven.
Zo'n bloem is klein en groen en wordt door de wind bestoven.

Noem nog twee andere kenmerken uit de afbeelding waaraan te zien is dat de bloem door de wind wordt bestoven.

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

2/2 Gerst.
Zie figuur A 985 van de bijlage.

Bij het maken van bier worden de zaden van de gersteplant, de gerstekorrels, bewerkt. Er wordt een zogenaamd brouwsel gemaakt dat koolhydraten uit de gerstekorrels bevat. In dit brouwsel zetten gistcellen koolhydraten om in alcohol.
Tijdens dit proces wordt regelmatig de hoeveelheid koolhydraten gemeten.

Welke van de afgebeelde diagrammen geeft de resultaten van die metingen juist weer?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

1/2 Sinaasappels.
Zie figuur B 4506 van de bijlage.

In een plantenboek staat de volgende beschrijving.
De sinaasappelplant is een groenblijvende boom met leerachtige bladeren en witte bloemen. De kelkblaadjes zijn vergroeid. De witte kroonblaadjes en de schil van de vrucht hebben veel klieren die een geurige olie maken.
De schil van de vrucht bestaat uit een oranje buitenlaag en een witte, viltachtige binnenlaag.
In de vrucht bevindt zich vruchtvlees met zaden.
In de afbeelding is een deel van een sinaasappelplant met een doorgesneden vrucht weergegeven.

De sinaasappel in de afbeelding is na bevruchting uit een sinaasappelbloem gegroeid.

Hoe vaak heeft er in deze bloem minstens bevruchting plaatsgevonden? Dit gebeurde [invulveld] maal

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

2/2 Sinaasappels.
Zie figuur B 4467 van de bijlage.

Door mutatie is een sinaasappelsap ontstaan waarbij de onderkant van de schil van de vrucht niet helemaal sluit.
Zo'n vrucht wordt een navelsinaasappel genoemd (zie de afbeelding).
Het gen voor normale sinaasappels is dominant (A). Het gen voor navelsinaasappels is recessief (a).
Twee sinaasappelplanten met normale sinaasappels worden met elkaar gekruist. Onder de nakomelingen zijn zowel planten met normale sinaasappels als planten met navelsinaasappels.

Wat zijn de genotypen van de ouderplanten?
Typ je antwoord zó:
genotype ouder 1: [invulveld]
genotype ouder 2: [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

1/4 Tulpen.
Zie figuur B 4405 van de bijlage.

In het voorjaar bloeien in veel tuinen en plantsoenen tulpen. Deze zijn meestal opgegroeid uit bollen die in het najaar in de grond zijn gestopt. In zo'n bol is reservevoedsel opgeslagen. In het voorjaar worden voedingsstoffen uit de bol gebruikt voor de groei van enkele groene bladeren en een bloem.

Van welke voedingsstof is vooral veel in een tulpenbol opgeslagen?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

2/4 Tulpen.

In tulpen kunnen na bestuiving door insecten zaden worden gevormd.

Geef twee kenmerken van tulpen waaruit afgeleid kan worden dat ze door insecten worden bestoven.

Voortplanting

3/4 Tulpen.
Zie figuur B 4405 van de bijlage.

Welke letter uit de afbeelding geeft het deel aan waarin zaden gevormd worden?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

4/4 Tulpen.

Kan een tulp zich geslachtelijk voortplanten?
En kan een tulp zich ongeslachtelijk voortplanten?

Voortplanting

1/2 Zaden.
Zie figuur B 4495 van de bijlage.

De afbeelding geeft schematisch een bloem weer. Drie delen zijn met een letter aangegeven.

Welke letter geeft het deel van de bloem aan waarin zaden kunnen ontstaan?
En wat is de naam van dat deel van de bloem?

Typ je antwoord zó:

letter = [invulveld]
naam = [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

2/2 Zaden.
Zie figuur B 4496 van de bijlage.

Van veel plantensoorten worden de zaden door de wind verspreid. Dichtbij zo'n plant worden meer zaden van die plant gevonden dan verder bij de plant vandaan.

In welk van afgebeelde diagrammen wordt dit juist weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

1/3 De duindoorn.
Zie figuur B 4337 van de bijlage.

De duindoorn is een struik die op veel plaatsen langs de Noordzeekust voorkomt. Een duindoornstruik is mannelijk of vrouwelijk: één enkele struik draagt òf alleen mannelijke, òf alleen vrouwelijke bloemen. De bloemen zijn klein en onopvallend (zie de afbeelding). De bessen, die in het najaar rijp zijn, vallen door hun fel-oranje kleur op.

Uit welk type bloem uit de afbeelding kan zich een bes ontwikkelen, uit bloem P of uit bloem Q? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

2/3 De duindoorn.

Een duindoornstruik vormt ondergrondse uitlopers, waaruit zich nieuwe struiken kunnen ontwikkelen. Daardoor staan de struiken vaak in een groep bij elkaar.

Uit een vrouwelijke struik heeft zich door uitlopers een groep struiken ontwikkeld.

Bestaat deze groep alleen uit mannelijke struiken, alleen uit vrouwelijke struiken of uit struiken van beide geslachten? Leg je antwoord uit.

Voortplanting

3/3 De duindoorn.

De bessen van de duindoorn worden gegeten door vogels zoals kraaien, lijsters en spreeuwen. De uitwerpselen van deze vogels zitten vol duindoornzaden. Duindoornzaden uit uitwerpselen kiemen beter dan zaden uit bessen die niet eerst gegeten zijn.
Marlies vermoedt dat maagzuur van vogels de kieming van de zaden bevordert.
Ze wil een onderzoek opzetten om na te gaan of een behandeling met zoutzuur de kieming van duindoornzaden bevordert.

Maak een werkplan waarmee Marlies dit zou kunnen onderzoeken.

Voortplanting

1/2 Dierentuindieren.
Zie figuur B 4468 van de bijlage.

Dierentuindieren komen in Nederland nog maar zelden uit het wild. In de hele wereld zijn fokprogramma's opgezet om bedreigde diersoorten in stand te houden.
In de afbeelding is weergegeven met hoeveel dieren in dierentuinen in Europa wordt meegewerkt aan fokprogramma's.

Hoeveel verschillende diersoorten uit Nederlandse dierentuinen zijn er betrokken bij de fokprogramma's?
Gebruik de gegevens uit de afbeelding.

Het aantal soorten is [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

2/2 Dierentuindieren.
Zie de figuren B 4469 en A 963 van de bijlage.

Het fokken van dieren in gevangenschap kan heel lastig zijn. Sommige dieren leven in het wild alleen. Een mannetje en een vrouwtje komen dan uitsluitend tijdens de paartijd bij elkaar. Om te kunnen fokken moet een dierentuin precies weten wanneer de dieren paringsbereid zijn. Daarom wordt bijvoorbeeld bloedonderzoek gedaan om de hoeveelheid van bepaalde soorten hormonen in het bloed te meten.
In Diergaarde Blijdorp wordt regelmatig bloed afgenomen van de Maleise tapir Wanda om te bepalen hoe haar geslachtscyclus verloopt.
De afbeelding geeft de resultaten weer van de metingen van de hoeveelheid van een bepaald soort hormoon in het bloed van Wanda. De hoeveelheid van dit hormoon neemt eenmaal per geslachtscyclus sterk toe.

Bij mensen duurt een geslachtscyclus ongeveer 28 dagen, bij een tapir is dat anders.

Leid uit het diagram en de jaarkalender af hoeveel dagen een geslachtscyclus bij tapir Wanda duurt. Deze cyclus duurt [invulveld] dagen

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding