Oefentoets Biologie: Dierfysiologie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 - variant 2

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Dierfysiologie

Energie bij mieren.

Men heeft de energie-omzettingen onderzocht in een populatie mieren (Formica pratensis) op een Deense heide. De resultaten staan in onderstaande tabel.

afbeeldingafbeelding

Bereken de groei uitgedrukt in kJ.m-2 .jaar-1 van de mieren van deze populatie.

Dierfysiologie

ATP-verbruik bontbekplevier.
Zie figuur B 5053 van de bijlage.

Een bontbekplevier, een trekvogel die in de herfst op de Nederlandse wadden verblijft, weegt 57 gram. In een rustperiode van vier uur, tijdens hoog water, verliest het dier gemiddeld vijf gram aan gewicht.

Neem aan dat het gewichtsverlies alleen door aërobe dissimilatie van glucose ontstaat. De massa van 1 mol glucose = 180 gram.

Hoeveel mol ATP kost de ruststofwisseling van de bontbekplevier in deze vier uur gemiddeld?
Rond af op een heel getal.

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Elektrische vissen.

In de 18e eeuw was er nog weinig bekend over de schokken van vissen als sidderrog en sidderaal.
Volgens de Franse geleerde René-Antoine de Réaumur werden de schokken veroorzaakt door de snelle mechanische werking van bepaalde spieren.
Volgens de Zwitsers-Nederlandse geleerde Jean Nicolas Allamand lag de oorzaak in elektrische verschijnselen.
In 1762 werden belangrijke waarnemingen van de Nederlandse chirurg Frans van der Lott gepubliceerd. Hij onderzocht in Essequibo (Brits-Guyana) een sidderaal en schrijft daarover:

"Ik raakte zulk eenen visch, liggende in balie met water, aan met een lange yzere roede, hetwelk my geweldig deed drillen, maar daarop de gemelde yzere roede met eenen droogen doek aanvattende, en zoo den visch raakende, voelde ik gééne de minste drilling. Daarop den doek nat, of maar vogtig gemaakt hebbende, gevoelde ik weder den slag als voren."

(in 'Kort bericht van den congeraal, ofte drilvisch', in Verhandelingen van de Hollandsche Maatschappye der Weetenschappen 6 (1762), p.87-94)

Welke conclusie kan uit deze waarnemingen over de twee verklaringen voor de oorzaak van de schokken bij zulke vissen worden getrokken?

Dierfysiologie

Beweging van een trilhaardiertje.

De beweging van een trilhaardiertje wordt gereguleerd door een eiwit "RacerX". Binding van RacerX aan een ander eiwit, "Speed", stimuleert de trilharen om sneller te bewegen, waardoor het diertje sneller zwemt. Speed bevindt zich aan de basis van de trilharen. Speed kan alleen binden met RacerX na fosforylatie van het aminozuur threonine op een speciale plek in het eiwit.

Wat is het verwachte gedrag van een trilhaardiertje waarbij op deze plek threonine vervangen is door alanine?

Dierfysiologie

Daphnia's.

Bij grotere en kleine Daphnia's bepaalt men de hartslagfrequentie, waarbij men bovendien de volgende factoren varieert:

1. de temperatuur van het water waarin de diertje leven;
2. al of niet toevoegen van verdunde cola aan het water.

Als men nu de verschillende variabelen combineert, dan treedt de hoogste hartslagfrequentie op bij

Dierfysiologie

Enzym bij bijen.

Het enzym dat voorkomt in bijenhoning is afkomstig uit

Dierfysiologie

Organische stoffen.

Welk van de genoemde organische stoffen of welke worden alleen door dieren opgebouwd?

Dierfysiologie

Papagaaiduiker.
Zie figuur B 5057 van de bijlage.

In de afbeelding hiernaast zie je de broedgebieden van de Papagaaiduiker.
De gemiddelde lengte van Papagaaiduikers in deze drie broedgebieden is niet gelijk. Onderzoekers bepaalden als gemiddelde lengte 290, 300 en 320 mm.

Welke gemiddelde lengte komt in welk broedgebied voor?
Zet de broedgebieden in de rechter kolom bij de juiste lengtes in de linker kolom.

afbeeldingafbeelding
  • Schotland

  • Noorwegen

  • Groenland

  • 290 mm

  • 300 mm

  • 320 mm

Dierfysiologie

1/2 Zeevogels.
Zie figuur B 5058 van de bijlage.

De mogelijkheden van een zeevogel om te overleven zijn voornamelijk afhankelijk van zijn voedselbehoefte en het voedselaanbod. De voedselbehoefte is afhankelijk van de vliegtijd tot de voedselbron. Deze afhankelijkheid is schematisch aangeduid met de onderbroken lijn in het diagram hiernaast.

- Wat is de grootheid bij de X-as van het diagram horend bij de onderbroken lijn?
- En wat is de grootheid bij de Y- as van het diagram horend bij de onderbroken lijn?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

2/2 Zeevogels.
Zie de figuren B 5058 en B 5059 van de bijlage.

Wanneer vissers concurreren met de zeevogels bij de visvangst, moeten de vogels grotere afstanden afleggen tussen elke visvangst. Dat heeft een nadelige invloed op de overlevingskansen. Ook dat is weergegeven in het diagram in afbeelding 1 hiernaast. Daarvoor zijn ononderbroken lijnen a, b en c gebruikt.
Bij het diagram is in willekeurige volgorde de invloed van de visvangst op het vlieggedrag van zeevogels weergegeven met drie tekeningen 1, 2 en 3 in afbeelding 2 hiernaast.

Zet de lijnen lijnen a,b en c in de rechterkolom in de goede combinatie met de tekeningen 1,2 en 3 in de linkerkolom.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding
  • c

  • b

  • a

  • 1

  • 2

  • 3

Dierfysiologie

Secundaire waterdieren.

Als men twee secundaire waterdieren, die beide gewerveld zijn, met elkaar vergelijkt, dan valt op dat soort P veel vaker boven water komt dan soort Q.

Welke van onderstaande conclusies uit de vermelde gegevens is redelijk?

Dierfysiologie

Woestijnhagedissen.

Woestijnhagedissen zijn 's ochtends actief, trekken zich in de middag terug in hun holen en komen dan tegen de avond weer tevoorschijn.

Wat is hiervan de reden?

Dierfysiologie

Zoetwatervis in zoutwater.

Als een zoetwatervis in zoutwater terecht komt, wat gebeurt er dan?