Oefentoets Biologie: Zenuwstelsel | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 7

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Zenuwstelsel

Prikkelsterkte & drempelwaarde.
Zie figuur B 221 van de bijlage.

Direct achter een zintuig werden de impulsen van de bijbehorende zenuw geregistreerd. Dit gebeurde terwijl het zintuig niet werd geprikkeld (fig. 1) en tweemaal terwijl het zintuig wèl werd geprikkeld (figuren 2 en 3).

Wat kan hieruit geconcludeerd worden met betrekking tot de gebruikte prikkelsterkten?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

Depolarisatie in het aangrenzende neuronen.
Zie figuur A 106 van de bijlage.

In een experiment worden vier zenuwceluitlopers bij de pijlen door een elektrode kunstmatig gedepolariseerd (zie tekeningen). De neurotransmitter die hierdoor bij een synaps vrijkomt, veroorzaakt in het aangrenzende neuron eveneens een depolarisatie.

In welke van de cellichamen P, Q, R en S kan bij dit experiment een depolarisatie optreden?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

De spierziekte myasthenia gravis & valium.

Acetylcholine is een exciterende neurotransmitter. Er bestaan stoffen die de effecten van acetylcholine tegengaan. Onder invloed van zulke stoffen stromen extra Cl- -ionen spiervezels in, waardoor de membranen van de spiervezels enigszins worden gehyperpolariseerd. Het gevolg hiervan is dat de overdracht van actiepotentialen naar deze spiervezels wordt geremd. Een stof met deze werking is aanwezig in het slaapmiddel valium.
De spierziekte myasthenia gravis is een auto-immuunziekte die wordt gekenmerkt door een progressieve spierzwakte. Bij patiënten met myasthenia gravis zijn er onvoldoende acetylcholinereceptoren in de synaps beschikbaar. Het gebruik van valium als slaapmiddel wordt deze patiënten afgeraden.

Leg uit met behulp van bovenstaande gegevens waarom het gebruik van valium voor deze patiënten wordt afgeraden.

Zenuwstelsel

1/2 De blaas.
Zie figuur A 32 van de bijlage.

De afbeelding geeft schematisch zenuwbanen weer die betrokken zijn bij de lozing van urine bij de mens.
Wanneer de blaas gevuld raakt en de spanning in de wand van de blaas te hoog wordt, trekken de wandspieren reflectorisch samen, waarbij de binnenste sluitspier ontspant. De urine wordt echter nog niet geloosd, zolang de buitenste sluitspier samengetrokken blijft.
In de tekening zijn drie synapsen aangegeven met 1, 2 en 3; drie zenuwceluitlopers met P, Q en R.

In welke van de synapsen 1, 2 en 3 komen stimulerende neurotransmitters vrij wanneer de blaas erg vol is en nog niet kan worden geleegd?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

2/2 De blaas.
Zie figuur A 32 van de bijlage.

Welke van de zenuwceluitlopers P, Q en R behoort of welke behoren tot het autonome zenuwstelsel?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

1/2 Regulatie.
Zie figuur A 337 van de bijlage.

De afbeelding geeft schematisch de regulatie van de ontlasting bij de mens weer.
Bij toenemende vulling van de endeldarm ontstaan door rekking van de endeldarmwand impulsen in de receptoren die zich in deze wand bevinden. De vulling van de endeldarm wordt ervaren als een gevoel van aandrang tot ontlasting. Hierdoor ontstaat een ontlastingsreflex. Bij deze reflex trekken spieren in de wand van de endeldarm zich samen, terwijl de binnenste sluitspieren van de anus verslappen.
Ontlasting kan alleen dan plaatsvinden wanneer ook de buitenste sluitspieren van de anus verslappen.

Is zenuwceluitloper R een uitloper van een motorische zenuwcel, van een schakelcel of van een sensorische zenuwcel?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

2/2 Regulatie.
Zie figuur A 337 van de bijlage.

Bij een bepaald persoon is de endeldarm sterk gevuld. Hierdoor ontstaat de ontlastingsreflex, terwijl hij bewust de ontlasting onderdrukt.

In welke van de aangegeven synapsen komen in deze situatie stimulerende neurotransmitters vrij?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

1/10 Sensorische en motorische centra.
Zie de figuren E 6 en A 155 van de bijlage.

In de figuur zijn weergegeven de sensorische (plaatje 1) en motorische (plaatje 2) centra in een doorsnede van de linker hersenhelft. Met behulp van de menselijke lichaamsdelen naast de schorscentra wordt aangegeven welk deel van de schors voor welk lichaamsdeel is gereserveerd.

Geef in figuur A 155 op de bijlage op duidelijke wijze aan waar zich de doorsnede van plaatje 1 en 2 bevinden.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

2/10 Sensorische en motorische centra.
Zie figuur E 6 van de bijlage.

Wat is af te leiden uit de onderlinge verhoudingen in grootte tussen de verschillende delen? (voor sensorisch en motorisch aparte antwoorden geven)

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

3/10 Sensorische en motorische centra.
Zie figuur A 155 van de bijlage.

Aan welke zijde van het lichaam zijn de afgebeelde delen te vinden?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

5/10 Sensorische en motorische centra.
Zie figuur A 155 van de bijlage.

De zogenaamde piramidebaan die vanuit de motorische centra ontstaat, heeft ter hoogte van de kleine hersenen een merkwaardige eigenschap.

Welk eigenschap is dat?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

6/10 Sensorische en motorische centra.
Zie figuur A 155 van de bijlage.

Aan welke zijde van de hersenen bevindt zich het geurcentrum?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

7/10 Sensorische en motorische centra.

Welke functie hebben de secundaire sensorische centra? Leg je antwoord uit met een voorbeeld.

Zenuwstelsel

8/10 Sensorische en motorische centra.
Zie figuur A 155 van de bijlage.

Geef in figuur A 155 op de bijlage aan waar zich het evenwichtscentrum bevindt.

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

9/10 Sensorische en motorische centra.

Alle sensorische centra hebben een verbinding met een hersengedeelte waarin de gewaarwording emotioneel 'gekleurd' wordt.

Hoe heet dit hersendeel?

Zenuwstelsel

10/10 Sensorische en motorische centra.

Ook staan de linker en rechter hersenhelft met elkaar in verbinding.

Hoe heet deze verbinding?

De [invulveld]

Zenuwstelsel

1/3 Hersendoorbloeding.
Zie figuur B 3924 van de bijlage.

In de hersenen kunnen arterioveneuze malformaties (AVM's) voorkomen. Een AVM is een misvorming in het haarvatennet tussen een slagadertje en een adertje, waardoor het slagadertje direct overgaat in het adertje. De overgang bestaat uit een sterk verwijd bloedvat, dat om die reden wel 'spatader' wordt genoemd. In de afbeelding is in tekening 1 schematisch een normale verbinding tussen slagadertje en een adertje weergegeven en in tekening 2 een AVM.
Het bloed in het adertje van de AVM is relatief zuurstofrijk. AVM's kunnen tot bloedingen leiden, doordat in de ‘spataderen' gemakkelijk scheurtjes ontstaan.
De gevolgen van dergelijke bloedingen lopen sterk uiteen, afhankelijk van de plaats en de omvang. Zelfs zonder dat er bloedingen ontstaan kunnen hinderlijke effecten optreden, variërend van acute hoofdpijn tot verlammingen.

Leg uit waardoor het bloed in het adertje van de AVM relatief zuurstofrijk is.

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

2/3 Hersendoorbloeding.
Zie figuur B 3925 van de bijlage.

In de afbeelding is een bovenaanzicht van de grote hersenen weergegeven. Een aantal delen is genummerd.

Bij een patiënt is een AVM de oorzaak van een verlamming in het rechterbeen.

In welk van de genummerde delen van de grote hersenen (zie de afbeelding) bevindt zich de AVM die deze verlamming veroorzaakt?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

3/3 Hersendoorbloeding.
Zie figuur B 3926 van de bijlage.

Bij een patiënte is als gevolg van een bloeding in het gezichtscentrum (de optische schors) een gedeelte van het gezichtsveld verloren gegaan. In de afbeelding is het gezichtsveld van haar linkeroog en van haar rechteroog weergegeven. Hoe donkerder het beeld, hoe slechter het zicht in dat gedeelte.

Waar heeft de bloeding plaatsgevonden die dit verlies in kwadrant IV van haar gezichtsveld in het linkeroog en in het rechteroog veroorzaakt heeft?

afbeeldingafbeelding