Oefentoets Biologie: Gedrag - Voortplanting | HAVO 3/HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 44 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

44

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 3, HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag

1/5 Broedende vogels.
Zie figuur B 2731 van de bijlage.

In Noord-Holland bevindt zich de ruïne Nuwendoorn. De in 1960 teruggevonden resten van deze oude burcht uit de tijd van Floris V bestaan uit de contouren van een kasteel, een slotgracht en een waterput. In de jaren tachtig is er een heemtuin aangelegd. Een heemtuin is een tuin waarin wilde planten uit de omgeving zijn samengebracht. Het gebied is ongeveer 1 ha groot. Zie de afbeelding.
In het hele terrein Nuwendoorn heeft de mens ingegrepen en komen dus geen natuurlijke ecosystemen voor.
Indien men het beheer van het terrein zou stoppen zou in de verschillende kunstmatige ecosystemen een climaxvegetatie kunnen ontstaan.

Welk ecosysteem op het terrein van Nuwendoorn moet de langste successiereeks ondergaan om zich tot een climaxvegetatie te ontwikkelen?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/5 Broedende vogels.

In de periode maart-juni 1997 werd het gebied door Mary Markx geïnventariseerd op de aanwezigheid van broedvogels. De inventarisatie werd uitgevoerd door het aantal zingende vogels van elke soort te bepalen.
Dit aantal is een maat voor het aantal nesten.
In de tabel hieronder staan de resultaten van de inventarisatie.
afbeeldingafbeelding

Leid uit de tabel af hoeveel vogelpopulaties er minimaal in dit gebied vertegenwoordigd zijn.
Uit hoeveel vogelgeslachten (genera) behoren deze populaties?

Gedrag

3/5 Broedende vogels.
Zie figuur B 2732 van de bijlage.

Twee van de beschreven broedvogels, de kleine karekiet en de heggenmus, worden geparasiteerd door de koekoek (zie de afbeelding). Het koekoeksvrouwtje legt haar ei in een nest van de genoemde vogels, waarbij het koekoeksjong door de pleegouders wordt verzorgd. Andere jongen zijn er niet want het koekoeksjong verwijdert alle andere eieren of jongen uit het nest. Opvallend is dat de nakomeling later weer een nest van dezelfde pleegoudersoort opzoekt.
In veel schoolboeken wordt de opengesperde bek van het koekoeksjong die aan de binnenkant rood is gekleurd, beschreven als een voorbeeld van een supranormale prikkel voor de pleegouder.

Leg uit dat alleen veldwaarnemingen niet voldoende zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat de open rode bek van het koekoeksjong een supranormale prikkel voor de ouders is.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

4/5 Broedende vogels.

Nicholas Davies en Michael Brooke voerden een aantal experimenten uit waarbij ze steeds twee karekietnesten aan elkaar vastmaakten, een met een karekietenjong en een met een koekoeksjong. Er was steeds slechts een karekietenouderpaar dat de zorg voor beide jongen op zich kon nemen. Het paar bleek beide jonge vogeltjes evenveel voedsel aan te bieden. De presentatie in de schoolboeken is dus op grond van de resultaten van de experimenten van Davies en Brooke onjuist.

Hoe zou de presentatie die in de schoolboeken is opgenomen, voor de experimenten van Davies en Brooke, eigenlijk genoemd moeten worden?

Gedrag

5/5 Broedende vogels.

Opvallend is dat koekoeken die hun eieren leggen in het nest van een karekiet, eieren produceren die heel erg veel lijken op die van de karekiet. Bij koekoeken die hun eieren leggen in het nest van een heggenmus lijken de eieren niet op die van een heggenmus.
Davies en Brooke ontdekten met behulp van experimenten dat heggenmussen, in tegenstelling tot karekieten, weinig neiging vertonen 'vreemde eieren' uit het nest te verwijderen. Ook vonden zij dat slechts 2% van de heggenmusnesten door koekoeken wordt bezocht tegen 16% van de karekietnesten. Zij opperden dat de relatie tussen heggenmus en koekoek pas veel later in de evolutie tot stand gekomen is dan die tussen karekiet en koekoek.
Deze mening is gebaseerd op feiten uit de tekst hierboven.

Noem drie feiten uit deze tekst die deze mening ondersteunen.

Gedrag

1/5 Donkere manen.

De manen van mannetjesleeuwen verschillen zowel in lengte als in kleur. In een warm gebied hebben leeuwen veelal korte en blonde manen, in een kouder gebied lange en donkere manen. Leeuwen met lange, donkere manen hebben een hogere testosteronconcentratie in hun bloed en zijn gezonder en beter doorvoed dan leeuwen met korte en lichte manen.

Welke van de genoemde factoren die in verband gebracht worden met de lengte en de kleur van de manen, is abiotisch?

Gedrag

2/5 Donkere manen.

Leg uit dat het voor leeuwen in koude gebieden voordelig is om lange manen te hebben.

Gedrag

3/5 Donkere manen.
Zie figuur B 3747 van de bijlage.

Onderzoekster Peyton West formuleerde de volgende hypothesen:

1. mannetjes met lange manen zijn aantrekkelijker voor vrouwtjes dan mannetjes met korte manen;
2. de kleur van de manen speelt geen rol wat betreft de aantrekkingskracht op vrouwtjes.

Zij liet een Nederlandse speelgoedfabrikant vier leeuwenmannetjespoppen maken (zie de afbeelding). Zij hadden manen die verwisseld konden worden, in vier soorten: kortharige en langharige blonde manen en kortharige en langharige donkere manen.
Deze vier modellen stelde zij twee aan twee op in het veld. Daarna lokte zij leeuwen door het geluid van hyena's bij een prooivangst te laten horen: voor leeuwen is dat als het luiden van de etensbel. Zij keek nu welke modellen het meest door de vrouwtjes benaderd werden.

Welke resultaten van de modelexperimenten bevestigen de twee hypothesen van West?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

4/5 Donkere manen.

In de warme perioden in hun leefgebied blijken leeuwen met lange en donkere manen sperma te produceren van lage kwaliteit (veel abnormale zaadcellen). De kwaliteit van het sperma van leeuwen met korte blonde manen die daar ook leven, is beter. Toch zijn er in verhouding meer leeuwtjes van vaders met lange, donkere manen.
Hieronder staan twee mogelijke verklaringen voor dit vreemde verschijnsel.

1. Vrouwtjes kiezen vaker voor mannetjes met lange donkere manen.
2. Mannetjes met lange donkere manen verdedigen hun jongen beter.

Welke van die verklaringen kan of welke kunnen juist zijn?

Gedrag

5/5 Donkere manen.
Zie figuur B 3748 van de bijlage.

Leeuwen jagen door hard achter hun prooien aan te rennen. Zo proberen ze een Thomsongazelle of zebra in te halen en te grijpen. Maar ook de prooi rent hard. Die heeft het voordeel dat hij meestal met een voorsprong begint. In de afbeelding zie je welke afstand een Thomsongazelle en een leeuw vanuit stilstand kunnen afleggen. De verschillende lijnen gaan uit van een bepaalde voorsprong in meters voor de Thomsongazelle. Een leeuw kan circa 5 seconden voluit sprinten.

Wat is naar schatting de grootste voorsprong voor de Thomsongazelle, waarbij de leeuw hem in 5 seconden nog net te pakken kan krijgen?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

1/2 Futen.
Zie figuur B 1408 van de bijlage.

De Engelse onderzoeker Huxley beschreef het gedrag van futen. Hij nam onder andere de zogenaamde pinguïndans waar. De mannelijke en vrouwelijke partner zwemmen daarbij met de hals over het water gestrekt op elkaar af, met nestmateriaal (waterplanten) in de snavel. Dan rijzen ze al watertrappelend borst-aan-borst omhoog uit het water (zie afbeelding B 1408 boven).

Tot welk type sociaal gedrag behoort de pinguïndans?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/2 Futen.
Zie figuur B 1408 van de bijlage.

Huxley nam aan dat het op elkaar afzwemmen en omhoogrijzen zich door ritualisering heeft ontwikkeld uit een borst aan borst gevecht (zie afbeelding B 1408 onder).
Mannelijke futen voeren namelijk ook borst aan borst gevechten uit. Zij tonen hierbij geen nestmateriaal, maar slaan elkaar met de vleugels en pikken naar elkaar met geopende snavel.
Het borst aan borst gevecht maakt deel uit van een bepaald type sociaal gedrag.

Tot welk type sociaal gedrag behoort dit vechtgedrag?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

1/3 Veelvormigheid bij kemphanen.
Zie figuur C 140 van de bijlage.

Bij kemphanenmannetjes komen verschillende kleuren kragen voor. De mannetjes met donkere kragen (onafhankelijke mannetjes) proberen op gemeenschappelijke baltsplaatsen een territorium te veroveren (zie de afbeelding, links). Vrouwtjes paren alleen met onafhankelijke mannetjes die een territorium bezitten. Er zijn ook mannetjes met witte kragen (satellietmannetjes, zie de afbeelding, rechts). Deze mannetjes vechten niet om een territorium, maar zoeken de territoria van de onafhankelijke mannetjes op en worden daar getolereerd, waarschijnlijk doordat ze de vrouwtjes aantrekken. De vrouwtjes paren ook met de satellietmannetjes en worden ook door hen bevrucht. De vrouwtjes zorgen ver buiten de baltsplaats in hun eentje voor de jongen. Satellietmannetjes worden nooit onafhankelijke mannetjes en onafhankelijke
mannetjes worden nooit satellietmannetjes.

Noem een voordeel dat satellietmannetjes van het beschreven gedrag hebben ten opzichte van onafhankelijke mannetjes.
Leg ook uit waardoor dat een voordeel is.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/3 Veelvormigheid bij kemphanen.

Twee beweringen over satellietmannetjes zijn:

1. Satellietmannetjes zijn kemphanen van een andere soort dan de onafhankelijke mannetjes.
2. Bij de onafhankelijke mannetjes vindt zeer waarschijnlijk meer selectie op agressie plaats dan bij de satellietmannetjes.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

Gedrag

3/3 Veelvormigheid bij kemphanen.

Het is niet waarschijnlijk dat het verschil in gedrag tussen onafhankelijke mannetjes en satellietmannetjes het resultaat is van leerprocessen.

Geef een argument waarom dit niet waarschijnlijk is.

Gedrag

1/5 Manenloze leeuwen.
Zie figuur B 3792 van de bijlage.

"Prachtig!" zei hij, nadat hij ze enige tijd had bestudeerd, "hiervoor zijn we gekomen. Ze hebben ècht geen manen." Aan het woord is Craig Packer, dè deskundige op het gebied van de Serengetileeuw. Hij bestudeerde ook de leeuwen in Tsavo National Park, het oudste en grootste natuurreservaat van Kenia.
Kenmerkend verschil tussen de leeuwen in Tsavo en Serengeti (een natuurreservaat in Tanzania) is dat de mannelijke dieren in Tsavo beduidend minder manen hebben dan die in Serengeti. Packer is geïnteresseerd in het ontstaan van deze verschillen.
Uit onderzoek is gebleken dat bij Serengetileeuwen een relatie bestaat tussen manen en kracht: hoe langer de manen, hoe krachtiger. Voor dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van poppen (zie de afbeelding) van mannelijke leeuwen die voorzien kunnen worden van manen van verschillende lengte en van verschillende kleuren.
Als een mannelijke leeuw in Serengeti geconfronteerd wordt met twee poppen met verschillende manenlengtes, benadert hij meestal de pop met de kortere manen.

Leg uit hoe het komt dat de leeuw meestal de pop met de kortere manen benadert.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/5 Manenloze leeuwen.

Op welke wijze zullen Serengetileeuwen de relatie tussen de lengte van de manen en lichamelijke kracht geleerd hebben?

Gedrag

3/5 Manenloze leeuwen.

Tsavoleeuwen zijn gemiddeld groter en sterker dan leeuwen in Serengeti. Sommige biologen geven hiervoor een evolutionaire verklaring. Voor leeuwen in Tsavo is het belangrijkste voedsel de Kaapse buffel (een groot sterk dier). Er zijn daar minder kleinere prooidieren dan in Serengeti.

Leg met behulp van bovenstaande informatie uit dat Tsavoleeuwen gemiddeld groter zijn dan Serengetileeuwen.

Gedrag

4/5 Manenloze leeuwen.

Onderzoekers tasten nog in het duister over de verklaring voor de korte lengte van de manen bij de leeuwen in Tsavo. De temperatuur in Tsavo is hoger dan in Serengeti. Gebruikmakend van dit gegeven kan een hypothese geformuleerd worden met betrekking tot het verschil in manenlengte.

Hoe luidt deze hypothese?

Gedrag

5/5 Manenloze leeuwen.

De onderzoekers zelf zijn er nog niet uit of het verschil in lengte van de manen erfelijk is, of door de omgeving wordt veroorzaakt.

Beschrijf een experiment waarmee je dit kunt onderzoeken. Je hebt de beschikking over 14 jonge mannetjes (welpen) uit Tsavo National Park.
Beschrijf ook bij welk resultaat de conclusie moet worden getrokken dat het verschil erfelijk is.

Gedrag

1/5 Misleiding van bijen.
Zie figuur B 2401 van de bijlage.

In de afbeelding is de bestuiving weergegeven van een Vliegenorchis (Ophrys insectifera L.) door een bij.
Deze orchidee maakt geen grote hoeveelheden stuifmeel en ook geen nectar. De aantrekkingskracht van de bloem is gelegen in de grote gelijkenis met een bepaalde bijensoort en met een bepaalde soort graafwesp.
Mannetjes van deze insecten worden door de vorm van de bloemen aangetrokken: ze proberen met de bloemen te paren. Wanneer een mannetje dat doet, komen door de bouw van de bloem stuifmeelklompjes op zijn kop terecht. Bij het bezoek aan een volgende bloem worden deze stuifmeelklompjes overgebracht op de stempel van deze bloem.

Wat is de motiverende factor voor het beschreven gedrag van de mannetjes?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/5 Misleiding van bijen.

Wat is de prikkel die leidt tot het beschreven gedrag van de mannetjes?

Gedrag

3/5 Misleiding van bijen.

De beschreven manier van bestuiving wordt aangeduid met 'parasitaire bestuiving', omdat de orchidee voordeel heeft en het insect nadeel.

Leg uit waarom deze manier van bestuiving voor het insect nadelig is.

Gedrag

4/5 Misleiding van bijen.

In Nederland komt de Vliegenorchis tegenwoordig uitsluitend in Zuid Limburg voor. In Europa wordt de Vliegenorchis verder onder meer aangetroffen in Ierland, Denemarken, Oostenrijk en Frankrijk, zowel in bosjes als op stenige hellingen en tussen gras. Met betrekking tot de pH en het kalkgehalte van de bodem is de Vliegenorchis niet kieskeurig.
Op grond daarvan zou je kunnen verwachten dat de Vliegenorchis in de genoemde landen algemeen voorkomt. Toch is de Vliegenorchis een zeldzame plant.

Formuleer op grond van de gegevens over de Vliegenorchis een hypothese waarmee deze zeldzaamheid kan worden verklaard.

Gedrag

5/5 Misleiding van bijen.

In een volk bijen komen drie verschillende typen bijen voor: de werkster, de dar en de koningin. Wanneer in een volk een nieuwe koningin ontstaat, verlaat deze meestal met een deel van het volk de bijenkast waardoor een nieuw volk kan worden gevormd. Tijdens deze zogenaamde bruidsvlucht paart zij meestal met meer dan één dar. Ze slaat de spermacellen van deze darren in haar lichaam op; deze spermacellen kunnen de eieren bevruchten die zij tijdens haar leven legt.
Bij bijen ontstaat uit een bevrucht ei een werkster of een koningin; darren ontstaan uit onbevruchte eieren en zijn haploïd.
Een bepaalde bijenkoningin heeft een borststuk dat kort behaard is. Kortharig is een intermediair fenotype dat ontstaat als zowel het allel voor kaal als het allel voor langharig aanwezig zijn.

Welke fenotypen met betrekking tot deze eigenschap komen voor bij darren die zich uit eieren van deze koningin ontwikkelen?
En in welke verhouding?
Of is daarover geen uitspraak mogelijk?

Gedrag

1/2 Kleine plevieren.
Zie figuur A 328 van de bijlage.

Bij de Kleine plevier komt schijnnestelgedrag voor. Dit houdt in dat een mannetje en een wijfje samen nestkuiltjes maken, waarbij ze onder andere een gedrag vertonen dat lijkt op de aflossing tijdens het broeden.
In deze schijnnestkuiltjes zijn echter nog geen eieren aanwezig. In de afbeelding is te zien hoe het mannetje, tijdens een schijnaflossing, zijn vleugels opvallend als een parapluutje uitspreidt over het wijfje dat schijnnestelgedrag vertoont.

Bij welk gedragssysteem hoort het schijnnestelen van de Kleine plevier?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/2 Kleine plevieren.

Als er enkele dagen later wel eieren in zo'n nestkuiltje liggen, nemen de partners tijdens het aflossen bij het broeden veel minder opvallende houdingen aan dan de afbeelding weergeeft.

Welk gevaar is eraan verbonden als de partners elkaar tijdens het werkelijke broeden op dezelfde wijze zouden aflossen als tijdens het schijnnestelgedrag?

Gedrag

1/3 Stekelbaarsvrouwtje kiest slechte man.

Tekst:
Het vrouwtje van de driedoornige stekelbaars wil lang niet altijd de beste man die ze zou kunnen krijgen.
Haar keus voor een toekomstige partner blijkt afhankelijk te zijn van haar eigen lichamelijke conditie. Dit blijkt uit onderzoek van het zoölogisch instituut van de universiteit van Bern.
Bij de mannetjes van de stekelbaars is de roodkleuring van de buik een maat voor de conditie van de dieren.
Hoe roder de buik, hoe vitaler het mannetje.
Vrouwtjes die op een beeldscherm tegelijkertijd een filmpje van een superrode topatleet en een zielig oranje kneusje krijgen voorgeschoteld, maken hun keus afhankelijk van hun eigen conditie. Is het vrouwtje zelf in goede doen, dan kiest ze voor de helderrode Tarzan, is ze zelf in slechte conditie, dan beperkt ze zich tot het maken van avances naar de zielige kneus.

bewerkt naar: de Volkskrant, 18 september 1999

Als een ‘paarlustig' stekelbaarsvrouwtje een stekelbaarsmannetje met een rood of oranje gekleurde buik ziet, reageert zij daarop door de baltshouding aan te nemen. De gekleurde buik veroorzaakt dus een bepaald gedrag bij het vrouwtje.

Geef de term die in de ethologie voor een dergelijk signaal, dat tot een vaste reactie leidt, wordt gebruikt.

Gedrag

2/3 Stekelbaarsvrouwtje kiest slechte man.

Een stekelbaarsvrouwtje maakt haar partnerkeuze afhankelijk van haar eigen conditie. Door dit gedrag paren vrouwtjes met een erg goede conditie met de meest vitale mannetjes.

Leg uit hoe dit gedrag voor de soort van belang kan zijn.

Gedrag

3/3 Stekelbaarsvrouwtje kiest slechte man.
Zie figuur B 3633 van de bijlage.

Een leerling trekt de conclusie in twijfel, dat minder vitale vrouwtjes eerder paren met mannetjes met een oranje buik dan met mannetjes met een rode buik. Hij vindt dat de experimenten niet juist uitgevoerd zijn.
Hij is van mening dat het kiezen van een partner via een beeldscherm makkelijk vertekende resultaten kan opleveren. Hij wil een experiment met levende dieren opzetten. Hij heeft de beschikking over een aquarium, waarin op 4 verschillende plaatsen doorzichtige of ondoorzichtige glasplaten kunnen worden geschoven (zie de afbeelding). Verder heeft hij een vrouwtje (afbeeldingafbeelding), een mannetje met een rode buik (roafbeeldingafbeelding) en een mannetje met een oranje buik (orafbeeldingafbeelding).

Teken het bovenaanzicht van het aquarium na en geef aan hoe de leerling glasplaten in het aquarium schuift en zet erbij of die platen doorzichtig of ondoorzichtig zijn. Geef in je tekening aan waar de leerling de drie vissen moet plaatsen, gebruik hiervoor de afkortingen.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

1/4 Zwarte tapuit sleept met kiezelsteentjes.
Zie figuur B 4530 van de bijlage.

De Zwarte tapuit (Oenanthe leucura) (zie de afbeelding) is een vogel die leeft in rotsachtige woestijnen en bergterreinen in Zuid-Spanje en aan de kust van Noordoost-Afrika.
Een mannetjes- en een vrouwtjestapuit blijven hun hele leven bij elkaar; ze zijn monogaam. Verschillende mannetjes proberen een vrouwtje het hof te maken. Uit deze mannetjes kiest zij haar partner. Er worden na de paring 3-6 eieren gelegd in een nest, dat zich meestal in een rotsholte bevindt. Alleen het vrouwtje broedt, maar het mannetje en het vrouwtje zorgen samen voor de kuikens. Bijzonder is dat er bij het nest een muurtje van kiezelsteentjes is te vinden dat door het mannetje wordt gebouwd met materiaal dat hij verzamelt in een straal van 10 meter rond het nest.
Met het bouwen van het muurtje probeert een mannetje een vrouwtje het hof te maken.

Hoe noem je het verzamelen van steentjes en het bouwen van een muurtje door het mannetje?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/4 Zwarte tapuit sleept met kiezelsteentjes.
Zie figuur B 4531 van de bijlage.

Moreno, Soler, Moder en Linden deden onderzoek naar aspecten van dit verzamelgedrag. Zij markeerden de kiezelsteentjes in de buurt van de nesten met verf en telden hoeveel steentjes naar de verschillende nesten werden gebracht. In de afbeelding is te zien hoeveel steentjes er bij de verschillende nesten in totaal werden gevonden.

Bereken het percentage van de nesten waarbij 100-200 steentjes zijn aangevoerd. Rond het percentage af op één decimaal.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

3/4 Zwarte tapuit sleept met kiezelsteentjes.

Wat is een mogelijke verklaring voor de waarneming dat er twee nesten zijn met een veel groter aantal steentjes dan de rest: een nest met 1100-1200 en een nest met 1300-1400 steentjes.

Gedrag

4/4 Zwarte tapuit sleept met kiezelsteentjes.

Moreno en medewerkers denken dat het gedrag van het stenen verzamelende mannetje door het vrouwtje wordt gebruikt om de kwaliteit van haar partner te ‘meten'. Zo ontdekten zij dat er een positief verband is tussen het aantal jongen in een nest dat uitgroeit tot volwassenheid en het aantal steentjes dat een mannetje bij dat nest verzamelt.

Waardoor is het vermogen om stenen aan te dragen een goede ‘maat' voor een vrouwtje om de kwaliteit van een mogelijke partner te 'meten'?

Gedrag

1/5 Een vergeten mensaap.
Zie figuur B 4934 en figuur A 743 van de bijlage.

In 1929 werd ontdekt dat er behalve de toen bekende soorten mensapen (gorilla, chimpansee en orang-oetan), nog een soort bestaat: de dwergchimpansee of bonobo.
Bonobo en chimpansee lijken in bouw erg op elkaar, maar verschillen sterk in gedrag. Met name de rolpatronen van man en vrouw verschillen. Bij chimpansees zijn de mannen dominant over de vrouwen. De mannen sluiten onderling coalities. Hierdoor verkrijgen zij het beste voedsel. Daarnaast biedt zo'n coalitie toegang tot seksueel actieve vrouwen. Conflicten worden met veel vertoon van macht opgelost.
Bij bonobo's zijn er veel minder conflicten. Hier sluiten de vrouwen coalities. Zij domineren de mannen. Met behulp van seksueel gedrag voorkomen zij geweld van de mannen en hebben zij als eerste toegang tot het voedsel. Tussen mannen worden geen coalities gesloten. Bonobovrouwen zijn zeer frequent seksueel actief met vrijwel alle mannen. Chimpanseevrouwen zijn alleen rond de ovulatie seksueel actief, met vrijwel uitsluitend hooggeplaatste mannen.

In de afbeelding A 743 is op een kaart van een westelijk deel van Afrika rond de evenaar de mogelijke verspreiding weergegeven van enige groepen mensapen omstreeks 1900.

Over deze groepen mensapen in dit deel van Afrika en hun verspreidingsgebied worden de volgende beweringen gedaan:

Bewering l: Er is één populatie weergegeven namelijk die van de mensapen.
Bewering 2: Er zijn twee populaties weergegeven namelijk bonobo's en chimpansees.
Bewering 3: Er zijn vier populaties weergegeven per verspreidingsgebied komt één populatie voor.
Bewering 4: Er zijn geen afzonderlijke populaties weergegeven; in één verspreidingsgebied kunnen meer populaties voorkomen.

Welk van deze beweringen is juist?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Gedrag

2/5 Een vergeten mensaap.

Bij zowel chimpansees als bonobo's verwisselen opgroeiende vrouwen hun geboortegroep voor een andere groep.

Leg uit welk probleem er ontstaat als mannen en vrouwen beide in hun geboortegroep zouden blijven.

Gedrag

3/5 Een vergeten mensaap.
Zie figuur B 3008 van de bijlage.

In de afbeelding zijn de menstruatie en de zwelling van de uitwendige geslachtsorganen weergegeven bij bonobo-(1) en chimpanseevrouwen (2).

Leid uit de gegevens in de tekst en de grafieken af wat een mogelijke sleutelprikkel voor bonobomannen is om tot paren te komen.
Verklaar waardoor bonobomannetjes vaker seksueel actief zijn dan chimpanseemannetjes.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

4/5 Een vergeten mensaap.

Bij chimpansees komt regelmatig kindermoord voor. Een man doodt dan een of meer jongen in de groep. De wetenschapper Sarah Blaffer Hrdy uitte de veronderstelling dat de evolutionaire achtergrond van dit gedrag is dat een man de jongen die niet van hem zijn, uitschakelt. Zijn genen hebben dan meer kans zich in de populatie te handhaven.

Hoe noemt men deze veronderstelling van Sarah Blaffer Hrdy?

Gedrag

5/5 Een vergeten mensaap.

Verklaar naar aanleiding van de veronderstelling van Sarah Blaffer Hrdy dat bij chimpansees wel regelmatig kindermoord voorkomt en bij bonobo's niet.

Gedrag

1/5 Mevrouw Withals haalt haar zaad bij de buurman.

Vrouwtjes van withalsvliegenvangers (een zangvogelsoort) plegen overspel met een aantrekkelijke buurman en doen dat bovendien op een tijdstip dat gunstig is voor het bevruchten van de eieren.
De vliegenvangervrouwtjes meten de kwaliteit van hun partner af aan de maat van de witte vlek op zijn kop.
En niet zonder reden, want onderzoek heeft uitgewezen dat de jongen van de mannetjes met een grote kopvlek bij het uitvliegen vitaler zijn en dus een betere overlevingskans hebben. Toch moeten vrouwtjes voorzichtig zijn met hun buitenechtelijke relaties, want als een mannetje twijfels heeft over zijn nakomelingschap is hij minder geneigd om mee te helpen bij het voeren van de jongen.
Als een vrouwtje met verschillende mannetjes paart, treedt in haar cloaca en eileider competitie op tussen de spermacellen van de verschillende mannetjes.

bewerkt naar: Rik Nijland, 'Mevrouw Withals haalt haar zaad bij de buurman', de Volkskrant, 13 april 2002

Spermacompetitie wordt door verschillende factoren beïnvloed. Iemand noemt de volgende drie factoren:

1. de kwaliteit van het sperma van een bepaald mannetje;
2. het aantal mannetjes waarmee een vrouwtje 'vreemdgaat';
3. het aantal zaadcellen dat in het sperma voorkomt.

Welk van de genoemde factoren kan of welke kunnen de spermacompetitie beïnvloeden?

Gedrag

2/5 Mevrouw Withals haalt haar zaad bij de buurman.

Om de rol van buitenechtelijke paringen en de spermacompetitie te onderzoeken, hebben wetenschappers een populatie van 33 paartjes withalsvliegenvangers onderzocht. Alle vogels broedden in nestkasten.
Bij 15 mannetjes lijmden de onderzoekers vóór het broedseizoen een 'kuisheidsgordeltje' vast. Hierdoor konden ze wel paren, maar er werden geen zaadcellen overgebracht. De dieren hadden verder geen last van het kuisheidsgordeltje; er werd geen verandering in het paringsgedrag vastgesteld.
De andere 18 paartjes fungeerden als controlegroep. Bij alle 33 paartjes werden bevruchte eieren aangetroffen.

Van hoeveel broedparen is het vastgesteld dat het vrouwtje is 'vreemdgegaan'? Van [invulveld] broedpaartjes

Gedrag

3/5 Mevrouw Withals haalt haar zaad bij de buurman.

Gemiddeld brengt één ouderpaar per broedseizoen zes jongen groot. De populatie van 33 broedparen is al jaren constant.

Hoeveel procent van de totale populatie gaat in de periode tot het volgende broedseizoen dood of verlaat de populatie?

Gedrag

4/5 Mevrouw Withals haalt haar zaad bij de buurman.
Zie figuur B 3741 en figuur B 3742 van de bijlage.

Tijdens het onderzoek werden elke dag de nieuw gelegde eieren onderzocht op het aantal spermacellen dat op het dooiervlies (zie de afbeelding B3741) aanwezig was.
Uit het onderzoek is gebleken dat de vrouwtjes een strategie ontwikkelden voor een succesvolle paring met een mannetje met een grote kopvlek.
In de periode vlak voor de eileg onttrekken ze zich twee dagen lang aan de paring. Na die periode, als het dan oude zaad in de geslachtsorganen al een beetje in kwaliteit terugloopt en het eerste ei of de eerste eieren gelegd zijn, wagen zij zich weer aan een paring, het liefst met een mannetje met een grote kopvlek. Hierdoor kan het vrouwtje zich ervan verzekeren dat minstens een deel van haar nageslacht vitaler is.

In de afbeelding B 3742 zijn de resultaten weergegeven van drie legsels. Op de Y-as staat het aantal zaadcellen dat op het dooiervlies werd aangetroffen. Op de X-as staat de dag waarop het betreffende ei werd gelegd. Er werden eieren onderzocht die werden gelegd op dag 3 tot en met dag 8. Op dag drie werd het eerste ei gelegd. In totaal werden er zes eieren gelegd.

Geef op basis van de resultaten aan welk vrouwtje waarschijnlijk is 'vreemdgegaan'. Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Gedrag

5/5 Mevrouw Withals haalt haar zaad bij de buurman.

Bij vogels geldt dat de vrouwtjes een X- en een Y-chromosoom hebben, terwijl de mannetjes twee X-chromosomen hebben. Stel dat het bezit van een grote kopvlek een eigenschap is die X-chromosomaal is.
De eigenschap erft onvolledig dominant over. Dit wil zeggen dat vogels met twee dominante allelen een grote kopvlek hebben, dieren met slechts én dominant allel hebben een normale kopvlek. Dieren zonder een dominant allel hebben een kleine kopvlek.
Van twee withalsvliegenvangers heeft het vrouwtje een normale kopvlek. Het mannetje is heterozygoot voor deze eigenschap.

Hoe groot is de kans dat een eerste mannelijke nakomeling van dit paartje een grote kopvlek heeft?