1/6 Joes Kloppenburg.
Lees de tekst hieronder.
In 1996 wilde Joes Kloppenburg even wat eten voordat hij naar discotheek 'Dansen bij Jansen' zou gaan. Met een vriend liep hij naar de snackbar, een paar deuren verder. Vier opgefokte, dronken jongens waren daar ruzie aan het zoeken. Ze provoceerden en sloegen mensen in elkaar. Joes riep: ‘Kappen nou!’ Het werkte als een rode lap. Joes werd geschopt en geslagen, tot hij dood was. Hij was 26 jaar.
Op die bewuste dag werd de familie Kloppenburg ’s ochtends vroeg uit bed gebeld. Vader Kloppenburg vertelt wat er daarna gebeurde: ‘Om kwart voor zes zijn we in de politieauto naar het ziekenhuis gereden. Daar troffen we onze zoon aan, voorzien van allemaal slangen. In gradaties werd verteld wat er aan de hand was, elke keer een stapje erger. Dat hadden we op dat moment niet in de gaten, maar we wisten wel dat het ernstig was. Achteraf gezien was hij toen al klinisch dood.’ Om er 100% zeker van te zijn dat Joes écht was overleden, werd in het ziekenhuis nog twee keer de hersenfunctie getest. De tests bewezen het onherroepelijke.
Korte tijd later meldde zich een arts bij de familie om te praten over donatie. De vader van Joes: ‘Later besefte ik hoe moeilijk het voor hem moet zijn geweest om ons zó kort na wat er was gebeurd, over donatie te benaderen. Hij bracht het onderwerp voorzichtig, maar draaide er niet omheen. Eerst sprak hij mij alleen aan, hij zocht een aanspreekpunt, en daarna ook de andere familieleden. We hebben ons teruggetrokken om te overleggen. Ieder heeft zijn zegje gedaan. We werden niet opgejaagd.
Er werd alleen gevraagd òf, en zo ja, wàt.’ De familie besloot het hart, de nieren, de lever en de longen van Joes beschikbaar te stellen.
(Vrij naar: Gevraagd: Donoren – U ook, Nierstichting/VNU, september 1998)