Oefentoets Biologie: Dierfysiologie | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 1

Deze oefentoets bevat 87 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

87

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Dierfysiologie

Reacties in cellen van de mens.

In cellen kunnen de volgende reacties plaatsvinden:

1. water en koolstofdioxide ® glucose en zuurstof;
2. glucose en zuurstof ® water en koolstofdioxide;
3. glucose ® glycogeen;
4. glycogeen ® glucose.

Welke van deze reacties kunnen plaatsvinden in cellen van de mens?

Dierfysiologie

Kurklaag en/of hoornlaag.

Organismen kunnen zich tegen uitdroging beschermen, onder andere door een kurklaag of door een hoornlaag.

Komt een kurklaag voor bij dieren?
En een hoornlaag?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Bescherming tegen uitdroging en infecties

Insecten worden tegen uitdroging en infecties beschermd door een stof die zich aan de buitenzijde van het lichaam bevindt.

Welke stof is dit?

Dierfysiologie

Veranderingen tijdens het maken van kniebuigingen.

Hieronder staan vier veranderingen die in het lichaam van de mens kunnen optreden:

1. Het aantal ademhalingsbewegingen per minuut neemt toe.
2. De productie van insuline neemt toe.
3. De warmteproductie stijgt.
4. De beenspieren ontvangen meer zuurstof.

Welke van deze veranderingen treden op tijdens het maken van een aantal diepe kniebuigingen?

Dierfysiologie

1/3 Zwartvoetbunzings.

Zwartvoetbunzings, roofdieren uit Amerika, eten vooral prairiehonden.
Prairiehonden zijn knaagdieren die in grote groepen leven in gangen onder de grond. Ze voeden zich vooral met gras.

Het verteringskanaal van een zwartvoetbunzing wordt vergeleken met dat van een prairiehond.

Is het verteringskanaal van een zwartvoetbunzing in verhouding tot zijn lichaamslengte korter, langer of even lang als dat van een prairiehond?

Dierfysiologie

2/3 Zwartvoetbunzings.
Zie figuur B 4462 van de bijlage.

De afbeelding geeft de aantallen weer van een populatie zwartvoetbunzings gedurende enkele jaren.

Zwartvoetbunzings planten zich niet het hele jaar voort.

Leid uit het diagram af in welke maand de jonge bunzings geboren worden.

In de maand [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

3/3 Zwartvoetbunzings.

Niet alleen de voortplanting heeft invloed op de grootte van een populatie.

Noem een milieufactor die invloed heeft op de populatiegrootte.

Dierfysiologie

1/16 Agapornissen.
Informatie 1 Vogels
Agapornissen behoren tot de papegaaien. Het lichaam van vogels zoals agapornissen is bedekt met veren. Deze geven het lichaam een gestroomlijnde vorm. Bovendien beschermen ze tegen afkoeling en helpen zo bij het handhaven van de constante lichaamstemperatuur (40°C – 43°C).
Het skelet bestaat uit lichte botten die vaak hol zijn en met lucht gevuld. De borstspieren zijn bijzonder sterk ontwikkeld en maken ongeveer 20% uit van het gewicht van de vogel.
Omdat een vogel een grote energiebehoefte heeft, treedt er in het lichaam veel verbranding op. Dit wordt mogelijk gemaakt door de bijzondere bouw van de longen en het goed ontwikkelde bloedvatenstelsel.
Vogels leggen eieren met een kalkschaal, die in nesten worden uitgebroed. Door de plaatsing van de ogen hebben ze een groter gezichtsveld dan mensen. Bovendien kunnen ze bijzonder scherp zien.

Informatie 2 Huisdier
Zie figuur B 4352 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
Een agapornis is ongeveer 15 cm groot en kan wel 15 jaar oud worden. Ze worden veel als huisdier gehouden, als siervogels in een kooi.
Er zijn veel soorten agapornissen. De naam betekent ‘onafscheidelijken'. Als een mannetje en een vrouwtje een paartje vormen, blijven ze dat hun leven lang. Zo'n paartje tortelt veel met elkaar. Daarom worden ze ook wel ‘lovebirds' genoemd. Als een agapornis alleen in een kooi wordt gehouden, richt hij zijn tortelgedrag op zijn eigenaar.
In het wild komen agapornissen voor in Afrika, ten zuiden van de Sahara, waar ze in kleine groepen van tien tot vijftien vogels samenleven.

Zie volgende scherm

Dierfysiologie

2/16 Agapornissen.

Informatie 3 Voeding
Het voedsel van een agapornis moet naast koolhydraten in ieder geval de volgende percentages voedingsstoffen bevatten:
afbeeldingafbeelding
Als een agapornis verkeerde voeding krijgt, kunnen er problemen met de gezondheid ontstaan. Zo wordt de lever aangetast bij dieren die te veel vet eten.

Informatie 4 Orgaanstelsels
Zie figuur A 972 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
In de afbeelding zijn enkele orgaanstelsels van een agapornis weergegeven, waaronder het verteringsstelsel.

Zie volgende scherm

Dierfysiologie

3/16 Agapornissen.

Informatie 5 Erfelijke eigenschappen
Zie figuur B 4353 van de bijlage.

afbeeldingafbeelding
Bij vogels wordt het geslacht bepaald door geslachtschromosomen. Het grote verschil met de mens is dat met twee verschillende geslachtschromosomen de vogel een vrouwtje is (XY) en met twee gelijke geslachtschromosomen een mannetje (XX).
In de afbeelding worden de chromosomen weergegeven uit twee gewone lichaamscellen van twee verschillende agapornissen.
De kleuren van de veren van agapornissen worden bepaald door erfelijke factoren. De veren op de kop zijn dikwijls afwijkend van kleur en vormen een zogenaamd masker. Het gen voor een oranje masker is recessief (a), dat voor een roze masker dominant (A).

Informatie 6 De zwartwang agapornis
Er is veel onderzoek gedaan naar agapornissen. Zo heeft men in Zambia onderzocht, wat de oorzaak was van de sterke afname van een populatie zwartwang agapornissen.
Uit het onderzoek bleek dat er voldoende voedsel en nestgelegenheid was. Ook was er geen sprake van een besmettelijke ziekte.
De onderzoekers ontdekten dat de zwartwang agapornis minstens tweemaal per dag moet drinken. In de periode voorafgaand aan het onderzoek was minder regen gevallen dan normaal. Dit had uitdroging van het gebied tot gevolg gehad.

Zie volgende scherm

Dierfysiologie

4/16 Agapornissen.

Informatie 7 Het gedrag van agapornissen
Het gedrag van agapornissen wordt mede bepaald door het geslacht. Zo blijkt uit onderzoek dat de mannetjes de jongen vaker voeren dan de vrouwtjes en dat mannetjes met hun pootjes dichter bij elkaar zitten. Er is ook een verschil in bijtgedrag.
In de tabel staan de resultaten van een onderzoek naar het bijten van de vogels als mensen ze vastpakken. Het onderzoek werd gedaan met 29 vogels.
afbeeldingafbeelding

Zie volgende scherm

Dierfysiologie

5/16 Agapornissen.

In informatie 1 worden enkele eigenschappen van vogels genoemd die belangrijk zijn om goed te kunnen vliegen.

Noem twee van zulke eigenschappen uit informatie 1.

Dierfysiologie

6/16 Agapornissen.

In informatie 1 worden verschillende eigenschappen van vogels genoemd.
Hieronder staan twee levenskenmerken.

reageren op prikkels:
voortplanting:

Schrijf achter elk levenskenmerk een eigenschap uit informatie 1 die te maken heeft met dat levenskenmerk.

Dierfysiologie

7/16 Agapornissen.

Kasper heeft thuis een paartje agapornissen in een kooi. Het mannetje weegt 55 gram.

Hoeveel gram borstspieren heeft dit mannetje ongeveer volgens de gegevens in informatie 1?

Dit is ongeveer [invulveld] gram

Dierfysiologie

8/16 Agapornissen.

Kasper ontdekt tot zijn schrik dat het voer voor zijn agapornissen op is. De buren houden ook siervogels en hij gaat vragen of zij wat voer voor zijn vogels hebben. Ze hebben alleen voer voor grasparkieten en kanaries. Kasper bekijkt de etiketten van twee soorten voeding (zie de tabellen).

afbeeldingafbeelding

Voldoen deze soorten vogelvoer aan het advies over de samenstelling in informatie 3?

Dierfysiologie

9/16 Agapornissen.
Zie figuur A 972 van de bijlage.

Welke letter uit de afbeelding in informatie 4 geeft het orgaan aan dat wordt aangetast als een agapornis te veel vet eet?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

10/16 Agapornissen.

In informatie 6 staat dat er onderzoek is gedaan naar mogelijke oorzaken voor de afname van een populatie agapornissen. Er worden enkele factoren genoemd die als oorzaak uitgesloten kunnen worden.

Noem een biotische factor uit informatie 6 die als oorzaak uitgesloten kan worden.

Dierfysiologie

11/16 Agapornissen.
Zie figuur B 4354 van de bijlage.

In de tabel van informatie 7 staan de resultaten van een onderzoek naar bijtgedrag bij agapornissen.
afbeeldingafbeelding

Op de uitwerkbijlage is een stuk grafiekpapier afgebeeld.

Maak van de gegevens uit de tabel een staafdiagram waarin het verschil in bijtgedrag tussen mannetjes en vrouwtjes te zien is.

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

12/16 Agapornissen.

Schrijf een conclusie op uit de resultaten van dit onderzoek naar het verband tussen het bijten en het geslacht van een agapornis.

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

13/16 Agapornissen.

Noem een verbetering of een aanvulling van dit onderzoek waardoor de resultaten betrouwbaarder worden.

Dierfysiologie

14/16 Agapornissen.

Noem twee vormen van sociaal gedrag die in de informatie worden genoemd.

Dierfysiologie

15/16 Agapornissen.
Zie figuur B 4353 van de bijlage.

Welk cijfer in informatie 5 geeft een cel aan die afkomstig is van een mannetje, cijfer 1 of cijfer 2?
Leg uit waaraan je dat kunt zien in de afbeelding.

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

16/16 Agapornissen.

Een mannetje met een oranje masker wordt gekruist met een vrouwtje met een roze masker.
Het paartje krijgt 5 jongen. Twee van deze jongen hebben een oranje masker.

Wat is het genotype van het vrouwtje?

Dierfysiologie

Veranderingen bij een aantal diepe kniebuigingen.

Hieronder staan vier veranderingen die in het lichaam van de mens kunnen optreden:

1. Het aantal ademhalingsbewegingen per minuut neemt toe.
2. De productie van insuline neemt toe.
3. De warmteproductie stijgt.
4. De beenspieren ontvangen meer zuurstof.

Welke van deze veranderingen treden op tijdens het maken van een aantal diepe kniebuigingen?

Fysiologie

Opnemen van organische stoffen.

Drie organismen zijn: een paardebloem, een champignon, een muis.

Welk organisme neemt of welke nemen anorganische stoffen uit de omgeving op?

Dierfysiologie

De oorsprong van een aantal materialen.

Hieronder staan enkele materialen van plantaardige of van dierlijke oorsprong die door de mens worden gebruikt.

dons - katoen - leer - papier - wol.

Welke materialen zijn van dierlijke oorsprong?

Dierfysiologie

1/5 Beren in winterslaap.

Een zwarte beer slaat in de zomer en de herfst veel van een energierijke reservestof op. Daarmee kan hij de winter doorkomen. Een zwarte beer slaat dezelfde reservestof op als de mens.

Welke reservestof slaat een zwarte beer vooral op om de winter door te komen?
En in welk deel van het lichaam slaat de beer die reservestof vooral op?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

2/5 Beren in winterslaap.

Zwarte beren eten alles wat zij in een bos te pakken kunnen krijgen: veel vruchten en andere voedzame delen van planten, maar ook kleine dieren.

Dierfysiologie

3/5 Beren in winterslaap.

Beren maken deel uit van voedselketens in hun ecosysteem.

Behoren de beren in dat ecosysteem tot de consumenten, tot de producenten of tot de reducenten?

Dierfysiologie

4/5 Beren in winterslaap.

Een zwarte beer in winterslaap drinkt niet. Hij verliest bij het uitademen wel vocht. Toch droogt de beer niet uit.

Schrijf de naam op van een stofwisselingsproces waarbij in het lichaam van de beer water ontstaat.

Dierfysiologie

5/5 Beren in winterslaap.

Tijdens de winterslaap wordt bij een zwarte beer het afvalproduct ureum uit de urine weer opgenomen in het bloed via de wand van de urineblaas. De lever gebruikt dit ureum bij het maken van eiwitten in de lever.
In het schema hieronder is de kortste weg weergegeven die ureum kan gaan van de wand van de urineblaas naar de lever. In het schema ontbreken de namen van drie grote bloedvaten.

blaasader - (1) - rechter harthelft - longslagader - (2) - linker harthelft - aorta - (3) - haarvaten van de lever.

Wat zijn de namen van die drie bloedvaten?

1 = [invulveld]
2 = [invulveld]
3 = [invulveld]

Dierfysiologie

1/2 Voedsel voor een egel.

In een tuin bij een huis komt 's avonds regelmatig een egel rondscharrelen. De egel eet veel insecten op en dat kunnen Neel en Joep, de bewoners van het huis wel waarderen. Zij houden niet zo van insecten. Neel beweert dat een egel in de zomer wel vijf keer zijn gewicht aan insecten kan opeten. Joep lijkt dat onzin. Dan zou de egel toch veel dikker moeten zijn.

Welke bewoner heeft gelijk? Geef een verklaring voor je antwoord.

Dierfysiologie

2/2 Voedsel voor een egel.

Als Neel en Joep de egel extra eten willen geven, kunnen zij beter melk op een schoteltje klaar zetten dan broodkruimels geven.

Geef daarvoor een verklaring.

Dierfysiologie

1/4 Kamelensoorten.
Zie figuur B 3588 van de bijlage.

Op de wereld komen verschillende soorten kamelen voor. In Afrika leven kamelen met één bult: de dromedarissen. Ze worden vaak als rijdier gebruikt, maar ook voor wol en vlees.
In Zuid-Amerika zijn kamelen zónder bult: de lama's. Ook dit zijn rijdieren en ze leveren ook wol en vlees.

In de afbeelding zijn - bij dezelfde vergroting - de koppen van een dromedaris en een lama weergegeven.
Een dromedaris heeft één bult. Een lama heeft geen bulten.

Noem nog twee verschillen in bouw tussen een dromedaris en een lama. Gebruik hierbij de afbeelding.

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

2/4 Kamelensoorten.
Zie figuur B 3589 van de bijlage.

In koude streken in Midden-Azië leeft de tweebultige kameel. Opvallende kenmerken van deze soort zijn de twee bulten en de dikke vacht.

Leg uit waarvoor dit dier een dikke vacht nodig heeft.

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

3/4 Kamelensoorten.

Alle kamelensoorten eten alleen maar plantaardig voedsel.

Welk type kiezen hebben kamelen?

Dierfysiologie

4/4 Kamelensoorten.

Veel mensen denken dat in de bult van kamelen water zit. Dat is niet waar.
De bult van een kameel is een opslagplaats van vet.

Waarvoor gebruikt een kameel dit vet?

Dierfysiologie

1/2 Lichaamstemperatuur.

De lichaamstemperatuur van gezonde mensen ligt gemiddeld tussen 36,5°C en 37,5°C.
's Nachts, tijdens de slaap, is de temperatuur gemiddeld 0,5°C lager dan overdag en bij zware, lichamelijke inspanning soms wel 3°C hoger dan in rust.

Leg uit waardoor de lichaamstemperatuur van de mens bij inspanning hoger wordt.

Dierfysiologie

2/2 Lichaamstemperatuur.
Zie figuur B 2993 van de bijlage.

Sommige zoogdieren zijn vooral 's nachts actief (nachtdieren), andere vooral overdag (dagdieren). In het diagram is het verloop van de lichaamstemperatuur van een nachtdier en van een dagdier weergegeven.

Welke lijn in het diagram geeft het verloop van de lichaamstemperatuur weer van een nachtdier, lijn 1 of lijn 2? Leg je antwoord uit met behulp van het diagram.

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

1/3 In een sloot in de winter.

Vissen en kikkers verblijven in de winter op de bodem van een sloot.

Met welke organen nemen ze dan zuurstof op?
Doe het zo op je antwoordblad:

vissen met: .........
kikkers met: ........

Dierfysiologie

2/3 In een sloot in de winter.

De lichaamstemperatuur van de vissen wordt vergeleken met de temperatuur van het slootwater in de winter. De temperatuur van het slootwater is ongeveer 4°C.

Zal de lichaamstemperatuur van de vissen veel lager zijn dan die van het water, of veel hoger of zal er niet veel verschil zijn in temperatuur?

Dierfysiologie

3/3 In een sloot in de winter.

Vissen en kikkers krijgen in een dichtgevroren sloot eerder last van zuurstofgebrek als er veel dood plantenmateriaal op de bodem ligt.

Leg uit waardoor veel dood plantenmateriaal leidt tot zuurstofgebrek bij de vissen en kikkers.

Dierfysiologie

1/4 De ringslang.
Zie figuur B 2870 van de bijlage.

De ringslang is de meest voorkomende slang in Nederland. Hij moet ‘s morgens eerst een tijd opwarmen voordat hij actief kan worden. Een ringslang (zie de afbeelding) beweegt zich op kronkelende wijze voort.
De ringslang legt eieren in rottend plantenmateriaal. Door de warmte die daarin ontstaat worden de eieren uitgebroed. Zo'n broedplaats moet ook vochtig en luchtig zijn. Mest- en composthopen zijn prima broedplaatsen.

Door welke eigenschap moet een ringslang ‘s morgens eerst in de zon opwarmen voordat hij actief kan worden?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

2/4 De ringslang.

Welk orgaan of welke organen gebruikt een ringslang om zuurstof op te nemen?

Dierfysiologie

3/4 De ringslang.

De broedplaats moet vochtig, luchtig en warm zijn.

Zijn deze drie milieufactoren abiotisch of biotisch?
Of zijn sommige abiotisch en andere biotisch?

Dierfysiologie

4/4 De ringslang.
Zie figuur B 2871 van de bijlage.

In de afbeelding is het skelet van een ringslang weergegeven.

Een slang heeft geen borstkas, zoals een mens, doordat een bepaald bot ontbreekt.

Wat is de naam van dat bot?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

1/3 Voorns en reigers.

Bij een kanaal meet men op twee momenten het zuurstofgehalte: 's avonds aan het eind van een dag in de zomer en 's avonds aan het eind van een dag in de winter. In beide gevallen is het zuurstofgehalte van het water laag. Het is bekend dat vissen sterven door zuurstofgebrek als het zuurstofgehalte van het water te laag wordt.

Op welk van beide meetmomenten is de kans het grootst dat de vissen doodgaan door zuurstofgebrek? Leg je antwoord in twee stappen uit.

Dierfysiologie

2/3 Voorns en reigers.

De voorns krijgen in een dichtgevroren kanaal eerder last van zuurstofgebrek als er veel dood plantenmateriaal op de bodem ligt.

Leg uit waardoor veel dood plantenmateriaal leidt tot meer kans op zuurstofgebrek bij de voorns.

Dierfysiologie

3/3 Voorns en reigers.

Van de voorns die in het kanaal leven, is het aantal tamelijk constant. Dat geldt ook voor de reigers in de buurt, hoewel zij veel minder eieren leggen dan de voorns. Een voorn legt jaarlijks ongeveer 40.000 eieren, een reiger 4.

Verklaar, met behulp van het begrip verzorging, waardoor het komt dat bij de reigers het aantal ongeveer constant blijft met veel minder eieren dan bij de voorns.

Dierfysiologie

1/3 Winterrust.

De Grizzlybeer heeft in de zomer een lichaamstemperatuur van ongeveer 37°C. In de winter liggen de dieren meestal in hun holen te slapen. Hun lichaamstemperatuur daalt dan tot ongeveer 31°C. Af en toe verlaten ze hun hol om voedsel te zoeken. Vóór de winter slaat de Grizzlybeer een vetvoorraad op in zijn lichaam.

Waar wordt in het lichaam veel vet opgeslagen?

Dierfysiologie

2/3 Winterrust.

Het opgeslagen vet dient onder andere als reservevoedsel.

Noem nog een andere functie van de vetvoorraad.

Dierfysiologie

3/3 Winterrust.

Als de beer tijdens de winterrust ligt te slapen, is ook de hartslagfrequentie anders dan tijdens het slapen in de zomer.

Is het aantal hartslagen per minuut dan groter of kleiner dan in de zomer? Leg je antwoord uit.

Dierfysiologie

1/4 Zwanen.
Zie figuur B 2538 van de bijlage.

Bepaalde zwanen maken soms lange trekvluchten. Om voldoende energie te hebben tijdens het vliegen bouwen zij een vetreserve op. Het vet kan tijdens het vliegen verbrand worden. Men heeft lang gedacht dat de vetreserve voldoende zou zijn voor de gehele trekvlucht. Die veronderstelling blijkt niet te kloppen. Zwanen hebben daarvoor een te kleine vetvoorraad. Zij verbranden bij een lange vlucht niet alleen vet, maar ook een deel van het spierweefsel.

Een grote vetreserve is een nadeel bij een lange vlucht.

Noem dit nadeel.

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

2/4 Zwanen.

Bij zwanen zijn bepaalde spieren meer ontwikkeld dan andere spieren. Deze grote spieren verbruiken veel brandstof.

Waarvoor gebruikt een zwaan deze grote spieren vooral?

Dierfysiologie

3/4 Zwanen.

Bij het vliegen ontstaat veel water in een zwaan.

Wat is de naam van het proces waarbij dit water ontstaat?

Dierfysiologie

4/4 Zwanen.
Zie figuur B 2539 van de bijlage.

De lichaamsbouw van zwanen is geschikt voor verblijf op het water en in de lucht. Zij eten vooral plantaardig voedsel.

Welke van de afgebeelde tekeningen hoort bij een zwaan?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

1/4 Zeehonden.
Zie figuur B 3371 van de bijlage.

Zeehonden zijn aangepast aan het leven in zee. Ze kunnen zich soepel door het water bewegen. Daarbij halen ze snelheden van wel 35 kilometer per uur. Zo jagen ze bijvoorbeeld op hun voedsel.

In de afbeelding B 3371 zijn enkele voedselrelaties weergegeven. Daar is te zien dat een zeehond onder andere haring eet.

Welke twee andere soorten voedsel eet een zeehond volgens de afbeelding?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

2/4 Zeehonden.

Doordat het bloed van een zeehond veel bloeddeeltjes bevat die zuurstof transporteren, kan het dier lang onder water blijven.

Welke bloeddeeltjes worden hier bedoeld?

Dierfysiologie

3/4 Zeehonden.
Zie figuur B 3372 van de bijlage.

In een verslag is te lezen hoeveel zeehonden in verschillende jaren in een bepaald gebied zijn geteld. Deze resultaten zijn in de grafiek van de afbeelding weergegeven.
In de jaren 70 van de vorige eeuw hadden zeehonden veel te lijden onder milieuvervuiling. Doordat bepaalde maatregelen werden genomen, verbeterde de situatie.

In welke periode bleek dat de genomen maatregelen succesvol waren?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling dieren

2/2 De galago.

Het omzetten van stoffen, zoals bij het eten, is een levenskenmerk.

Geef twee andere levenskenmerken die bij galago's kunnen voorkomen.

Dieren

1/4 Jachtluipaarden.

In een boek staat het volgende:
"Een antilope staat rustig gras te eten. Een jachtluipaard rent naar de antilope. Als hij de antilope gevangen heeft, eet hij hem op."

Welke voedselketen wordt in de informatie beschreven?

Dieren

2/4 Jachtluipaarden.

Een jachtluipaard is een vleeseter.

Welk type kiezen heeft een jachtluipaard?

Dieren

3/4 Jachtluipaarden.
Zie figuur B 4609 van de bijlage.

In de afbeelding is een orgaanstelsel van een jachtluipaard te zien.

Welk type orgaanstelsel toont de afbeelding?

afbeeldingafbeelding

Dieren

4/4 Jachtluipaarden.
Zie figuur B 4610 van de bijlage.

Een jachtluipaard heeft ogen die lijken op de ogen van een kat.
In een kattenoog en in een mensenoog is eenzelfde deel aangegeven met de letter P.

Wat is de naam van het deel dat is aangegeven met de letter P?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

1/16 Vleermuizen.
Informatie 1 Algemeen
Vleermuizen komen in grote delen van de wereld voor. Er zijn bijna duizend verschillende soorten.
Sommige soorten in de tropen leven van vruchten of van nectar en stuifmeel. Er zijn ook soorten die dieren zoals vissen of kikkers eten. De vampiervleermuis drinkt zelfs bloed van andere zoogdieren. In Nederland zijn de meeste vleermuizen insecteneters. Ze gaan 's nachts op jacht. Overdag rusten ze meestal in groepen, hangend in schuilplaatsen.

Informatie 2 Het lichaam
Zie figuur B 4634 van de bijlage.
Zie figuur A 1023 van de bijlage.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Vleermuizen zijn de enige zoogdieren die echt kunnen vliegen. Hun vleugels bestaan uit een zogenaamde vlieghuid die tussen de botten van de armen en benen is gespannen (zie de afbeelding). In de vlieghuid bevinden zich onder andere zenuwen en bloedvaten. De spieren die de vleugels laten bewegen bevinden zich in de romp.
In de afbeelding is de ligging van enkele organen weergegeven in het lichaam van een vleermuis.

Zie volgende scherm

Dierfysiologie

2/16 Vleermuizen.

Informatie 3 Vliegen
Omdat vliegen zeer veel energie kost, is er veel verbranding in de spieren tijdens het vliegen. Het hart is ongeveer driemaal zo groot als het hart van een even groot ander zoogdier. Het kan daardoor in korte tijd veel bloed rondpompen door het lichaam. Het bloed bevat naar verhouding ook veel meer rode bloedcellen dan dat van andere zoogdieren.
Tijdens het vliegen ontstaat er veel warmte door de verbranding in de vliegspieren. De bloedvaten in de vlieghuid spelen een belangrijke rol bij het afvoeren van deze warmte.

Informatie 4 Jagen
Zie figuur B 4635 van de bijlage.

afbeeldingafbeelding

De vleermuizen die in Nederland leven, zijn insecteneters. Ze gaan meestal 's nachts op jacht. In het donker maken ze gebruik van echolocatie. Ze maken daarbij zeer hoge geluiden die door voorwerpen en organismen in de omgeving worden weerkaatst. De vleermuizen vangen de teruggekaatste geluiden op en kunnen zo bepalen waar prooien zich bevinden. Ook verkennen ze op die manier de omgeving, zodat ze nergens tegenaan vliegen.
De oren van een vleermuis zijn aangepast aan het gebruik van echolocatie. Aan de stijgbeugel, één van de gehoorbeentjes, zit een spiertje vast (zie de afbeelding). Dit spiertje trekt zich tijdens het uitzenden van geluiden samen. Daardoor wordt de stijgbeugel weggetrokken van het slakkenhuis. Zo worden de oren minder gevoelig en worden de dieren niet door hun eigen geluid verdoofd.
Bij het jagen zijn de ogen van deze vleermuizen minder belangrijk. Het netvlies bevat maar één type zintuigcellen. Daardoor kunnen ze wel verschil in helderheid en vormen zien, maar geen kleuren.

Zie volgende scherm


-

Dierfysiologie

3/16 Vleermuizen.

Informatie 5 Winterslaap
Zie figuur B 4636 van de bijlage.

afbeeldingafbeelding

Actieve vleermuizen hebben een lichaamstemperatuur tussen de 35°C en 40°C. Als het in het najaar kouder wordt, zouden ze meer voedsel nodig hebben om die lichaamstemperatuur op peil te houden. Er zijn dan juist steeds minder insecten te vinden. Om de ongunstige, koude winterperiode te kunnen overleven, gaan de vleermuizen in Nederland in winterslaap van november tot maart. Daarvoor zoeken ze een geschikte ruimte op zoals een grot, een zolder of een kelder waarin ze in groepen dichtbij elkaar aan hun achterpoten gaan hangen.
Een ruimte is geschikt als winterverblijf als het er vochtig is en de temperatuur er tussen de 2°C en 8°C is. Tijdens de winterslaap verbruikt een vleermuis het vet dat in zijn lichaam als reservevoedsel is opgeslagen.
In de afbeelding is te zien hoe de lichaamstemperatuur en het aantal hartslagen veranderen tijdens de winterslaap. Ook de snelheid waarmee een vleermuis ademhaalt, verandert dan.

Zie volgende scherm

Dierfysiologie

4/16 Vleermuizen.

Informatie 6 Voortplanting
Zie figuur B 4637 van de bijlage.

afbeeldingafbeelding

Als twee vleermuizen gepaard hebben, kunnen de zaadcellen maandenlang opgeslagen worden in de baarmoeder van het vrouwtje. In de wintermaanden komen paringen maar zelden voor. De meeste vrouwtjes krijgen maar één jong per jaar.
In de afbeelding wordt weergegeven wanneer enkele gebeurtenissen plaatsvinden die te maken hebben met de voortplanting van vleermuizen in Nederland.

Informatie 7 Rabiës
De laatvlieger is een vleermuis die in Nederland voorkomt. Ongeveer een vijfde deel van deze dieren is besmet met het virus dat rabiës of hondsdolheid veroorzaakt. Als zo'n besmette vleermuis iemand bijt, kan het virus overgedragen worden.
Rabiës is een zeer ernstige, dodelijke ziekte. Daarom is het belangrijk om na een beet van een laatvlieger meteen voor behandeling naar een dokter te gaan.
Zo'n behandeling bestaat uit het toedienen van een serum en een inenting met een vaccin tegen rabiës.

Zie volgende scherm

Dierfysiologie

5/16 Vleermuizen.
Zie figuur B 4638 van de bijlage.

In informatie 1 worden verschillende soorten voedsel van vleermuizen genoemd.
In de afbeelding hiernaast wordt de kaak van een bepaalde vleermuis weergegeven.

Wat voor soort voedsel eet deze vleermuis? Noem een eigenschap van het gebit in de afbeelding waaraan je dat kunt zien.

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

6/16 Vleermuizen.

In de vleugels van een vleermuis bevinden zich delen van het bottenstelsel.

Noem nog twee andere orgaanstelsels waarvan zich volgens de informatie delen in de vleugels bevinden.

Dierfysiologie

7/16 Vleermuizen.

In de afbeelding van informatie 2 zijn zeven organen in het lichaam van een vleermuis met een cijfer aangegeven. Enkele van deze organen behoren tot het uitscheidingsstelsel.

Geef twee cijfers die organen van het uitscheidingsstelsel aangeven.

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

8/16 Vleermuizen.

Als een vleermuis vliegt, wordt er veel zuurstof naar de vliegspieren vervoerd. In de informatie worden verschillende eigenschappen van een vleermuis genoemd waardoor in korte tijd veel zuurstof vervoerd kan worden door het lichaam.

Noem twee van zulke eigenschappen.

Dierfysiologie

9/16 Vleermuizen.

Tijdens het vliegen worden de bloedvaten in de vlieghuid wijder, zodat er meer bloed door de huid stroomt.

Leg uit welk voordeel het heeft dat er dan meer bloed door de vlieghuid stroomt.

Dierfysiologie

10/16 Vleermuizen.

Tijdens het uitzenden van geluid voor echolocatie trekt een spiertje de stijgbeugel weg van het slakkenhuis (zie informatie 4).

Leg uit waardoor de oren van de vleermuis dan minder gevoelig voor geluid worden.

Dierfysiologie

11/16 Vleermuizen.

In informatie 4 staat dat het netvlies van Nederlandse vleermuizen één type zintuigcellen bevat.

Bevat het netvlies alleen staafjes of bevat het alleen kegeltjes? Leg je antwoord uit.

Dierfysiologie

12/16 Vleermuizen.

Vleermuizen in Nederland houden een winterslaap om ongunstige omstandigheden te kunnen overleven.

Noem een biotische factor uit de informatie die bepalend is voor die ongunstige omstandigheden.

Dierfysiologie

13/16 Vleermuizen.

Leg uit wat het voordeel is van de verandering in de lichaamstemperatuur voor een vleermuis die in winterslaap gaat.

Dierfysiologie

14/16 Vleermuizen.
Zie figuur B 4634 & figuur A 1023 van de bijlage.

Welk cijfer in de afbeelding van Informatie 2 Het lichaam geeft het orgaan aan waarin zaadcellen na de paring kunnen worden opgeslagen?

Het orgaan waarin de zaadcellen worden opgeslagen wordt aangegeven met cijfer [invulveld]

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

15/16 Vleermuizen.
Zie figuur B 4637 van de bijlage.

Twee vleermuizen paren in het begin van oktober.

Wanneer kan als gevolg van deze paring een bevruchting plaatsvinden volgens de informatie?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

16/16 Vleermuizen.

Na een beet van een laatvlieger krijgt iemand dezelfde dag nog een serum en een vaccin toegediend tegen rabiës.

Welke vloeistof geeft meteen bescherming tegen een ziekteverwekker, een serum of een vaccin? Leg je antwoord uit.

Dierfysiologie

1/5 Luiaards.
Zie figuur B 4653 van de bijlage.

Luiaards zijn zoogdieren die in het tropisch regenwoud in Zuid-Amerika leven. Ze hangen aan takken in bomen, waarvan ze de bladeren eten. Ze bewegen zich heel langzaam. Ze slapen ruim achttien uur per dag. In die tijd verteren ze hun voedsel.
De lichaamstemperatuur van luiaards is veel lager dan die van de meeste andere zoogdieren.

Plantenetende apen uit hetzelfde gebied en met een vergelijkbaar lichaamsgewicht eten veel meer dan luiaards, omdat ze veel meer energie nodig hebben.

Noteer twee oorzaken waardoor die apen meer energie nodig hebben dan de luiaards.

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

2/5 Luiaards.
Zie figuur B 4654 van de bijlage.

Luiaards hebben een langer darmkanaal dan even grote vleeseters, omdat plantaardig voedsel moeilijker te verteren is dan vlees.

In de afbeelding is een plantencel weergegeven.

Welke letter geeft het deel aan dat vooral moeilijk te verteren is?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

3/5 Luiaards.
Zie figuur B 4655 van de bijlage.

In het verteringskanaal van luiaards bevinden zich veel bacteriën die plantencellen goed kunnen afbreken.
De afbeelding toont twee verschillende cellen die aangetroffen worden in het verteringskanaal van een luiaard: een bacterie en een cel van een luiaard.

Welke letter stelt de dierlijke cel voor? Leg uit waaraan je dat kunt zien in de afbeelding.

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

4/5 Luiaards.

De drievingerige luiaard hangt een groot deel van zijn leven in dezelfde boom.
Ongeveer eenmaal per week komt hij uit zijn boom naar beneden om te poepen.
Hij begraaft zijn ontlasting aan de voet van zijn boom. De ontlasting wordt door organismen in de bodem afgebroken.

Noem een groep organismen die ontlasting afbreken.

Dierfysiologie

5/5 Luiaards.

Als er een drievingerige luiaard in een boom leeft, heeft dit voor de boom zowel voordelen als nadelen.

Noem een voordeel en een nadeel voor die boom.

Schrijf je antwoord zó op:
voordeel: ...........................................
nadeel: ..............................................