Oefentoets Biologie: Embryologie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 5

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Embryologie

Kiemblad(en) platte dekweefselcellen.

Bij de mens bestaat de wand van de longblaasjes, evenals die van de haarvaatjes, uit een laag zeer platte dekweefselcellen.

Uit welk kiemblad is een cel in de wand van een longblaasje ontstaan?
En uit welk kiemblad een cel in de wand van een haarvat?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Cellen van ectodermale, mesodermale & entodermale oorsprong.

In welk van de onderstaande organen komen cellen voor van ectodermale oorsprong, cellen van mesodermale oorsprong en cellen van entodermale oorsprong?

Embryologie

Kliercellen en het ectoderm.

Kliercellen zijn gespecialiseerde dekweefselcellen. Veel klieren zijn ontstaan door instulpingen van dekweefsel.
In het lichaam van de mens worden kliercellen onder andere op de volgende plaatsen aangetroffen:

1. in de alvleesklier,
2. in de maagsapklieren,
3. in het slijmvlies van de luchtpijp,
4. in talgklieren in de huid,
5. in zweetklieren in de huid,

Op welke van de genoemde plaatsen bevinden zich kliercellen die niet endocrien zijn en die uit het ectoderm zijn ontstaan?

Embryologie

Mutaties tijdens de zwangerschap.

Een zwangere vrouw krijgt via haar voedsel een muterende stof in haar lichaam. Van deze stof is bekend, dat hij via de placenta in het foetale bloed wordt opgenomen en muterend werkt op omnipotente cellen.
Als de baby geboren wordt, blijkt dat deze een misvormd ruggenmerg heeft.

De meeste waarschijnlijke verklaring is, dat de vrouw

Embryologie

Verschillen in embryonale ontwikkeling.

Tot het blastula-stadium lijkt de embryonale ontwikkeling van de meeste zoogdieren sterk op die van de overige gewervelde dieren.

Daarna ontwikkelt zich bij deze zoogdieren

Embryologie

Innesteling en embryonale ontwikkelingsstadia.
Zie figuur B 1337 van de bijlage.

In de afbeelding zijn vier embryonale ontwikkelingsstadia getekend.

In welk van de afgebeelde stadia vindt innesteling in de baarmoeder plaats?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

De bloedsomloop van een ongeboren kind en van een volwassene.

Enkele leerlingen doen een bewering over de bloedsomloop van een ongeboren kind en van een volwassene.

Leerling 1
beweert dat bij een ongeboren kind geen zuurstof aanwezig is in rode bloedcellen in de haarvaten van de longen en bij een volwassene wel.
Leerling 2 beweert dat bij een ongeboren kind per hartslag veel minder dan 50% van de totale hoeveelheid van het bloed die het hart wegpompt, door de haarvaten van de longen stroomt en bij een volwassene ongeveer 50%.
Leerling 3 beweert dat zowel bij een ongeboren kind als bij een volwassene in het begin van de longslagader een hogere bloeddruk heerst dan in het begin van de aorta.

Welke van deze leerlingen heeft of welke hebben een juiste bewering gedaan?

Embryologie

Resus- en de ABO-bloedgroepen bij een tweede kind.

Een resus-negatieve vrouw met bloedgroep A en een resus-positieve man met bloedgroep B hebben een resus-negatief kind met bloedgroep B. De vrouw verwacht een tweede kind van dezelfde man. In het lichaam van de vrouw is aan het einde van deze tweede zwangerschap voor het eerst antistof tegen het resusantigeen aantoonbaar. In de tabel zijn mogelijke bloedgroepen met het bijbehorende genotype gegeven:
afbeeldingafbeelding

Noem alle mogelijke genotypen die dit tweede kind kan hebben met betrekking tot de resus- en de ABO-bloedgroepen.

Embryologie

1/4 Muizenissen.
Zie figuur A 362 van de bijlage.

Bij muizen is de vachtkleur erfelijk bepaald. In een experiment worden drie homozygote muizenstammen gebruikt: muizen van stam P zijn zwart, muizen van stam Q zijn grijs, muizen van stam R zijn wit. Het experiment bevat de volgende stappen:

Stap 1: uit een muis van stam Q wordt een pas bevruchte eicel gehaald; in deze cel bevinden zich de twee kernen Q1 en Q2, die nog niet zijn versmolten;
Stap 2: uit een jong muizenembryo-embryo van stam P, worden cellen gehaald;
Stap 3: uit één van deze cellen wordt een kern P1 gehaald, die wordt overgebracht in de cel met de kernen Q1 en Q2;
Stap 4: de kernen Q1 en Q2 worden, nog voordat ze versmelten, uit de cel verwijderd; de cel bevat nu alleen de kern P1; de cel gaat zich delen en er ontstaat een embryo;
Stap 5: het embryo wordt, als het achtcellig is, in de baarmoeder van een muis van stam R gebracht waarin het zich tegelijk met een aantal eigen embryo van deze muis innestelt;
Stap 6: de muis van stam R krijgt een aantal jongen.

Het verloop van de embryonale ontwikkeling bij muizen komt overeen met dat bij de mens.

Welke kleur heeft het jong dat zich uit het geïmplanteerde embryo heeft ontwikkeld? Geef een verklaring voor je antwoord.

afbeeldingafbeelding

Embryologie

2/4 Muizenissen.
Zie figuur A 362 van de bijlage.

Hoe heet het embryonale stadium van het embryo van stam P waaruit de getransplanteerde kern afkomstig is?

Dit stadium heet [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Embryologie

3/4 Muizenissen.
Zie figuur A 362 van de bijlage.

Waarom wordt in dit experiment een cel van een jong embryonaal stadium (stap 2) gebruikt en niet van een ouder stadium?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

4/4 Muizenissen.
Zie figuur A 362 van de bijlage.

Met het implanteren van het embryo wordt gewacht totdat dit achtcellig is.

Noem één reden waarom niet de cel met kern P1 wordt geïmplanteerd.

afbeeldingafbeelding

Embryologie

1/3 Een neurula.
Zie figuur B 2373 van de bijlage.

Uit een bevruchte eicel van een kikker ontwikkelt zich een neurula (zie de afbeelding).

Welke holte heeft zich tijdens de gastrulatie ontwikkeld?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

2/3 Een neurula.
Zie figuur B 2373 van de bijlage.

Welk weefsel zal zich ontwikkelen uit het gebied dat met P is aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

3/3 Een neurula.

Uit welk kiemblad zal zich het dekweefsel van de longen ontwikkelen?

Embryologie

1/2 Zuurstof in de kleine bloedsomloop.
Zie de figuren C 106 en B 1604 van de bijlage.

Bij een volwassene wordt de pO2 van het bloed in de kleine bloedsomloop bepaald. Het diagram in de afbeelding B 1604 geeft de pO2 van het bloed weer dat van de longslagaders (R) door de haarvaten van de longen (S) stroomt. Voor het verloop van de pO2 van het bloed in de longadertjes (T) en van het bloed in de longaders (U) zijn drie mogelijke grafieken getekend.

Welke van deze grafieken geeft het verloop van de pO2 in de trajecten T en U het beste weer?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Embryologie

2/2 Zuurstof in de kleine bloedsomloop.

Bij een zwangere vrouw wordt het zuurstoftransport van moeder naar kind bestudeerd. De vrouw ademt een zuurstofmolecuul in. Dit zuurstofmolecuul gaat van de longen van de vrouw langs de kortst mogelijke weg naar de hersenen van het kind.

Komt dit zuurstofmolecuul op deze kortste weg uit een rechter boezem in een rechter kamer?
Zo ja, hoeveel keer minimaal?

Embryologie

Trofoblast en innesteling.

Hoe zorgt de trofoblast voor innesteling in het baarmoederslijmvlies?