Oefentoets Biologie: Plantenanatomie | HAVO 1/HAVO 2/HAVO 3 | variant 1

Deze oefentoets bevat 24 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

24

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 1, HAVO 2, HAVO 3

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenanatomie en -fysiologie

1/7 Een aardappelplant.
Zie figuur B 2120 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch een aardappelplant weergegeven. Er zijn drie pijlen 1, 2 en 3 getekend, die opname en/of afgifte van stoffen aanduiden.

Welke van deze pijlen kan of welke kunnen betrekking hebben op het transport van zuurstof bij een aardappelplant?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/7 Een aardappelplant.

Bij een aardappelplant wordt het transport in de bastvaten vergeleken met het transport in de houtvaten. Er wordt gekeken naar het transport van koolhydraten en van zouten.

Welke van deze stoffen worden vooral door de bastvaten vervoerd?
In welke richting vindt het transport van deze stoffen vooral plaats?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/7 Een aardappelplant.

Welk van de volgende processen vindt of welke vinden plaats door de wortels van een aardappelplant?

1. afgifte van zuurstof,
2. opname van koolstofdioxide,
3. opname van zouten.

Plantenanatomie en -fysiologie

4/7 Een aardappelplant.

Een aardappelplant kan zich zowel geslachtelijk als ongeslachtelijk voortplanten.

Met welke delen plant een aardappelplant zich ongeslachtelijk voort?

Plantenanatomie en -fysiologie

5/7 Een aardappelplant.

Aardappelplanten dichtbij bossen worden soms vernield door wilde zwijnen. Deze dieren wroeten in de grond op zoek naar aardappels.

Zijn wilde zwijnen consumenten, producenten of reducenten?

Plantenanatomie en -fysiologie

6/7 Een aardappelplant.

In een aardappelplant vindt fotosynthese plaats. De plant neemt stoffen op die bij de fotosynthese worden verbruikt. Enkele delen van een aardappelplant zijn: bastvaten, huidmondjes en wortels.

Welke van deze delen hebben een functie bij het opnemen van stoffen die bij de fotosynthese worden verbruikt?

Plantenanatomie en -fysiologie

7/7 Een aardappelplant.

Voor Nederland bestaat een koolstofkringloop.

Maken aardappelplanten deel uit van deze koolstofkringloop?
Maken mensen deel uit van deze koolstofkringloop?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Asperges.
Zie figuur A 398 en B 2156 van de bijlage.

De volgende tekst en tekeningen (zie de afbeelding) zijn afkomstig uit een boek over het kweken van groenten.

Kweken van asperges.
Asperges kunnen alleen op lichte, droge grond geteeld worden. In april moeten de jonge aspergeplantjes uitgeplant worden. Hiervoor wordt de grond diep gespit en wordt een geul gegraven van 25 cm diep. De plantjes 40 cm uit elkaar planten. Oogsten kan pas in het 3e jaar, van ca. 20 april tot eind mei - later tot de 3e week van juni. De planten daarna groen laten vormen boven de grond tot november.

De afbeelding B 2156 geeft asperges weer zoals ze als "groente" door de mens worden gegeten.

Welke delen van de aspergeplant worden gegeten?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Asperges.
Zie figuur A 398 van de bijlage.

Kweken van asperges.
Asperges kunnen alleen op lichte, droge grond geteeld worden. In april moeten de jonge aspergeplantjes uitgeplant worden. Hiervoor wordt de grond diep gespit en wordt een geul gegraven van 25 cm diep. De plantjes 40 cm uit elkaar planten. Oogsten kan pas in het 3e jaar, van ca. 20 april tot eind mei - later tot de 3e week van juni. De planten daarna groen laten vormen boven de grond tot november.

Is een aspergeplant een éénjarige, een tweejarige, of een overblijvende plant?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Asperges.
Zie figuur A 398 van de bijlage.

Kweken van asperges.
Asperges kunnen alleen op lichte, droge grond geteeld worden. In april moeten de jonge aspergeplantjes uitgeplant worden. Hiervoor wordt de grond diep gespit en wordt een geul gegraven van 25 cm diep. De plantjes 40 cm uit elkaar planten. Oogsten kan pas in het 3e jaar, van ca. 20 april tot eind mei - later tot de 3e week van juni. De planten daarna groen laten vormen boven de grond tot november.

Heeft in een aspergeplant tussen het stadium van tekening 3 en het stadium van tekening 4 fotosynthese plaats gevonden?
En verbranding?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Een uienplant.
Zie figuur B 1606 van de bijlage.

In de afbeelding is een uitgelopen ui weergegeven. Daarnaast is een doorsnede van een deel van deze uitgelopen ui weergegeven. Enkele delen zijn met cijfers 1 aangegeven.

In welk van de aangegeven delen van de uienplant zijn reservestoffen vooral opgeslagen?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Een uienplant.
Zie figuur B 1606 van de bijlage.

Is een ui een bol, een knol of een wortelstok?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Een uienplant.
Zie figuur B 1606 van de bijlage.

Een deel van de uienplant in de afbeelding is aangeduid met cijfer 3.

Wordt in deel 3 koolstofdioxide verbruikt?
En zuurstof?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Schimmels.
Zie figuur B 2310 van de bijlage.

Iepen (zie de afbeelding) kunnen de iepenziekte krijgen. Bij de iepenziekte zijn bepaalde schimmels in de boom doorgedrongen. Zij vormen grote blazen die bepaalde transportvaten in de zieke iep afsluiten. Een direct gevolg hiervan is dat de bladeren verdorren en afvallen.

Welke stof of welke stoffen nemen deze ziekmakende schimmels uit een iep op?

afbeeldingafbeelding

Groei en ontwikkeling planten

Kiemplant van een boon.
Zie figuur B 1190 van de bijlage.

In de afbeelding is een pas gekiemde bonenplant getekend.

Worden de zaadlobben aangegeven door P of door Q?
Groeit deel Q na enige tijd uit tot een blad of valt het af?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Kiemende boon.
Zie figuur A 220 van de bijlage.

In de tekeningen is een kiemende boon op twee verschillende tijdstippen weergegeven.

Heeft zich van het eerste naar de tweede tijdstip groei voorgedaan?
En heeft zich duidelijke ontwikkeling voorgedaan?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Groei en ontwikkeling planten

Kieming van bonen.

Is voor het begin van de kieming van bonen licht nodig?
En water?

afbeeldingafbeelding

Groei en ontwikkeling planten

Zaadlobben.

In het plantenrijk dienen zaadlobben niet voor

Groei en ontwikkeling planten

Bruine boon.

Een bruine boon heeft verschillende onderdelen:

1. zaadlobben
2. kiem
3. navel
4. worteltje
5. poortje
6. zaadhuid
7. hartvormig bultje

Wat is aan de buitenkant van een niet-ontkiemde bruine boon zichtbaar?

Groei en ontwikkeling planten

Bruine boon.

Een bruine boon heeft een poortje.

Waarvoor dient dit?

Groei en ontwikkeling planten

Bruine boon.

In welk stadium van de ontwikkeling van een bruine boon vindt er voor het eerst fotosynthese plaats?

Groei en ontwikkeling planten

Beweringen.

I. Bij de kieming van een bruine boon komt het eerst het stengeltje naar buiten.
II. Als er veranderingen optreden in de bouw van een organisme, spreken we van groei.

Welke bewering is of welke beweringen zij juist?

Plantenanatomie

Een- en tweezaadlobbig.
Zie figuur C 239 van de bijlage.

In het hierboven afgebeelde schema wordt een aantal eigenschappen van een- en tweezaadlobbige planten gevraagd.

Vul in het schema op de bijlage de gevraagde eigenschappen van een- en tweezaadlobbigen in.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Beroepen.

Noem 2 beroepen waarvoor je verstand van hout moet hebben:

- één beroep moet een praktisch beroep zijn,
- voor het andere moet je verder doorleren.