Deze oefentoets bevat 10 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Aantal vragen
10
Vak(ken)
Biologie
Kerndoel(en)
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
Leerniveau(s)
HAVO 4, HAVO 5
Uitgever
NVON
Copyright
cc-by-sa-40
Genetica
1/2 Proeven.
Voor 81 leerlingen had een chemische stof (fenylthio-ureum) een bittere smaak; de overige 30 proefden geen bitterheid. Vier niet-proevende leerlingen hadden ieder twee ouders die wel de bittere smaak konden proeven. De proevende leerlingen hadden nooit twee niet-proevende ouders.
Hoe erft het kunnen proeven van de bittere stof over?
Genetica
1/2 Proeven.
Wat is het genotype van proevers en niet-proevers?
Genetica
Een tonggootje. Zie figuur B 895 van de bijlage.
De meeste mensen kunnen met hun tong een gootje maken (zie de afbeelding), maar er zijn ook mensen die dat niet kunnen. Deze eigenschap is erfelijk bepaald. Een heterozygote moeder die een gootje kan maken en een vader die dat niet kan krijgen een kind.
Hoe groot is de kans dat dit kind een gootje kan maken? De kans is [invulveld] %
afbeelding
Genetica
Bloemen.
De rode bloemkleur van een plantensoort erft dominant over en wordt door één gen R bepaald. Uit een kruising van twee roodbloeiende planten ontstaan rood- en witbloeiende planten.
Wat kan men hieruit concluderen?
Genetica
Diabetes.
Stel dat een erfelijke vorm van diabetes recessief overerft. Een man en een vrouw die zelf de ziekte niet hebben, krijgen een kind met diabetes.
Hoe groot is de kans dat hun volgende kind ook die ziekte zal hebben?
Genetica
Hemochromatose.
Het gen voor hemochromatose is autosomaal, recessief en komt veel voor bij mensen van Noord-Europese afkomst. Eén op de acht mensen is drager van het hemochromatose-gen. Eén op de honderdentachtig mensen bezit de aanleg voor deze aandoening en is homozygoot recessief; toch worden niet al deze mensen ziek. De ziekte wordt gekenmerkt door een abnormaal verhoogde opname van ijzer uit het verteerde voedsel naar het bloed, met als gevolg ijzerstapeling in cellen van diverse weefsels. Bij hoge concentratie is ijzer giftig voor de cellen. Doordat de stapeling sluipend toeneemt, stijgt de kans op klachten en orgaanschade met de leeftijd. Meestal uiten de eerste symptomen zich na het veertigste levensjaar.
Over de ouders van een hemochromatose-patiënt worden drie uitspraken gedaan:
Uitspraak 1: Het kan zijn dat beide ouders van de patiënt lijden aan hemochromatose. Uitspraak 2: Het kan zijn dat beide ouders van de patiënt drager zijn. Uitspraak 3: Het kan zijn dat beide ouders van de patiënt niet lijden aan hemochromatose.
Welke van deze uitspraken is of welke zijn juist?
Genetica
Geplaagd door de wind.
Over de feiten rond flatulentie (het laten van winden) wordt niet gestreden. Het mechanisme is bekend: bepaalde sachariden kunnen in de dunne darm niet worden verteerd en worden uiteindelijk verderop, in de dikke darm, verteerd door bacteriën via een gistingsproces. Dat levert dagelijks zo'n 600 milliliter koolstofdioxide en waterstof op, dat het lichaam via de sluitspier verlaat gemiddeld 14 keer per etmaal. Behalve uit koolstofdioxide en waterstof bestaat de wind uit methaan, echter niet bij iedereen: één op de drie mensen bezit geen of onvoldoende bacteriën in de darm die methaan kunnen produceren. De oorzaak is erfelijk.
Stel dat flatulentie berust op een gen dat niet X-chromosomaal is. Een man en een vrouw die allebei methaan kunnen produceren, krijgen een kind dat geen methaan vormt.
Hoe groot is dan de kans dat hun tweede kind eveneens 'methaanloos' door het leven zal gaan?