Oefentoets Biologie: Plantenanatomie | VWO 5/VWO 6 | variant 5

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenanatomie

3/5 Planten.
Zie figuur B 2608 van de bijlage.

De groei van planten wordt gestimuleerd door groeistoffen zoals auxine. Auxine bevordert de celstrekking. In de afbeelding zijn organellen in een plantencel aangegeven.

Geef het cijfer van het organel dat onder invloed van auxine zeer sterk in omvang toeneemt.

Dit is [invulveld].

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

4/5 Planten.
Zie figuur B 383 van de bijlage.

Auxine wordt vooral gevormd in de stengeltopmeristemen en van daaruit getransporteerd naar andere delen van de plant. De gevoeligheid van verschillende delen van de plant voor auxine is niet dezelfde. In de afbeelding is deze gevoeligheid voor auxine van stengel, okselknop en wortel weergegeven.
In een bepaalde plant wordt de auxineconcentratie gemeten. Deze blijkt 1 mg/l te zijn. Vervolgens worden van deze plant de stengeltopmeristemen verwijderd.

Leg uit, met gebruikmaking van de informatie in de afbeelding , wat daarvan het effect is op de okselknoppen.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

5/5 Planten.
Zie figuur B 2609 van de bijlage.

Er zijn plantensoorten die alleen bloeien wanneer de daglengte langer is dan een bepaalde minimumwaarde: dit zijn langedagplanten (LDP). Andere soorten planten komen pas in bloei wanneer de daglengte korter is dan een bepaalde maximumwaarde: dit zijn kortedagplanten (KDP).
Met een bepaalde plantensoort (P) werd een experiment met belichting gedaan. De resultaten van vier verschillende wijzen van belichting zijn weergegeven in de afbeelding.

Welke resultaten moet je combineren om te kunnen concluderen dat plantensoort P bij een lange aaneengesloten donkerperiode in bloei komt en niet bij een korte lichtperiode?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Een lenticel.
Zie figuur B 1498 van de bijlage.

De afbeelding geeft schematisch een dwarsdoorsnede van een lenticel (kurkporie) in een twijg van een boom weer. Een lenticel is een bijzondere structuur in de verder aaneengesloten laag kurk van de twijg. Hieronder staan drie beweringen over het kurkcambium en over de lenticel:

1. uit het kurkcambium ontstaan op de plaats van de lenticel alleen kurkcellen;
2. de lenticel vervult een functie bij de gaswisseling van de twijg;
3. volgroeide kurkcellen kunnen niet door osmose water opnemen en afgeven; parenchymcellen van de lenticel kunnen dat wel.

Welke van deze beweringen zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Groei van tarweplant voorafgaande aan bloei.
Zie figuur A 9 van de bijlage.

Bij een tarweplant worden de verhoudingen tussen drooggewicht en versgewicht en tussen N2 -gehalte en drooggewicht bepaald in de groeiperiode voorafgaande aan de bloeiperiode.
In de figuur zijn de verkregen resultaten in diagrammen uitgezet tegen de tijd.

Uit het verloop van de curven kan men afleiden dat deze groeiperiode gekarakteriseerd kan worden door

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Concentraties van stoffen in bladeren.

In de celwanden van het palissadeparenchym in de bladeren van een zaadplant bevindt zich water met opgeloste stoffen. De oplossing in de celwanden wordt vergeleken met het cytoplasma van deze parenchymcellen wat betreft de CO2 -concentratie en de concentratie van opgeloste deeltjes die bij osmose van belang zijn. De bladeren zijn niet verwelkt en de plant staat in het zonlicht.

Waar is de CO2 -concentratie het hoogst?
En waar is de concentratie het hoogst van opgeloste deeltjes die bij osmose van belang zijn?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Stoffen in een blad.
Zie figuur B 50 van de bijlage.

De afbeelding geeft een doorsnede van een blad weer. Het gaat hier om een blad aan een boom om 10 uur op een zonnige, zomerse morgen in Nederland.

Van welke stof of van welke stoffen is bij dit blad de concentratie op plaats P hoger dan op plaats Q?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Bloem van tulp.
Zie figuur B 244 van de bijlage.

Het open- en dichtgaan van de bloem van een tulp wordt veroorzaakt door verschillen in groeisnelheid tussen de binnen- en buitenzijde van de bloembladen. Deze verschillen in groei staan onder invloed van de temperatuur; bij verhoging van de temperatuur gaat de bloem open en bij verlaging sluit zij zich.
In de diagrammen zijn de groeisnelheden van de binnen- en buitenzijde van de bloembladen weergegeven.
Op tijdstip P wordt de temperatuur verhoogd van 7°C naar 17°C.
Op tijdstip Q wordt de temperatuur verlaagd van 20°C naar 10°C.

Welke grafieken gelden voor de binnenzijde van de bloembladen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Belichting en bloei bij plant.
Zie figuur A 276 van de bijlage.

Vele processen in planten staan onder invloed van licht.
Bij twee verschillende soorten planten, P en Q, is de invloed van de belichtingsduur op het in bloei raken onderzocht. Gedurende een aantal maanden werden planten op verschillende wijzen belicht. De belichtingsduur en de resultaten daarvan zijn weergegeven in de afbeelding.
Naar aanleiding van deze resultaten worden de volgende beweringen gedaan:

1. De planten van soort P gaan bloeien als zij een aaneengesloten belichtingsduur van meer dan 8 uur per etmaal hebben gehad.
2. De planten van soort P gaan bloeien als zij een aaneengesloten donkerperiode van 16 uur per etmaal hebben gehad.
3. De planten van soort Q gaan bloeien als zij een aaneengesloten belichtingsduur van ten minste 15 uur per etmaal hebben gehad.
4. De planten van soort Q gaan bloeien als zij een aaneengesloten donkerperiode van ten minste 8 uur per etmaal hebben gehad.

Welke van deze beweringen is juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Bloeiende planten.

In een experiment werd het in bloei komen van chrysantenplanten onderzocht. Daartoe werden van vier niet-bloeiende chrysantenplanten de eindknoppen en de bladeren afzonderlijk belicht met verschillende belichtingsduur. In de tabel hieronder zijn de belichtingswijze, de belichtingsduur en de resultaten weergegeven.
De andere omstandigheden waren tijdens het experiment gelijk.
afbeeldingafbeelding

Vier leerlingen beschrijven deze resultaten als volgt:

- leerling 1: belichting van de bladeren gedurende 8 uur heeft bloei tot gevolg gehad;
- leerling 2: belichting van de bladeren gedurende 16 uur heeft bloei tot gevolg gehad;
- leerling 3: belichting van de eindknoppen gedurende 8 uur heeft bloei tot gevolg gehad;
- leerling 4: belichting van de eindknoppen gedurende 16 uur heeft bloei tot gevolg gehad.

Welke van deze leerlingen levert een juiste beschrijving?

Plantenfysiologie

Differentiatie en specialisatie bij planten.

I. Bij de vorming van wortels uit callusweefsel van planten, wordt de oorspronkelijke specialisatie en differentiatie omgezet in een andere.
II. Deze omzetting doet zich bij alle organismen van elk ontwikkelingsniveau voor.

Plantenfysiologie

Boomstammen.
Zie figuur B 1102 van de bijlage.

De stam van de middelste boom op de afbeelding is dunner dan die van de beide andere bomen.

Wat kan de oorzaak of wat kunnen de oorzaken zijn?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Celstrekking in een wortel.
Zie figuur A 26 van de bijlage.

De groeistof indolazijnzuur (IAA) heeft invloed op de celstrekking. De invloed van verschillende IAA-concentraties op de celstrekking in wortels van een bepaalde plant kan afgeleid worden uit het afgebeelde diagram.
Nadat een groene plant op de aangegeven wijze (zie tekening) is neergelegd, groeit de worteltop naar beneden.

De IAA-concentratie in ppm in de wortelcellen op de plaatsen P (bovenkant) en Q (onderkant) kan dan geweest zijn:

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Groei van kiemplantje.

Een kiemplantje van een eik wordt in een oplossing met voedingszouten geplaatst. Na een jaar is de plant 200 gram zwaarder geworden.
De plant heeft 2 gram van de zouten opgenomen.

Hoeveel water en CO2 heeft de plant opgenomen?
Is er water gebruikt bij de celgroei?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Stengeltop.

In de top van een stengel bevindt zich delingsweefsel.

Door welk proces worden nieuw gevormde cellen even groot als een oorspronkelijke cel vóór de deling?

Plantenfysiologie

Wortelgroei van kiemende boon.
Zie figuur B 228 van de bijlage.

Van een kiemende boon wordt de wortel met streepjes gemarkeerd, zoals in tekening 1 is weergegeven.
Na enige dagen van groei wordt de boon opnieuw bekeken. Er is dan een verandering in de onderlinge afstand van de streepjes opgetreden.

In welke tekening is de nieuwe toestand juist weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Rijping van appels.

Het plantenhormoon indolazijnzuur (IAA) dat in een appelboom wordt gevormd, heeft tijdens het rijpingsproces van appels een antagonistische werking ten aanzien van het gas ethyleen dat de vruchtrijping bevordert. Ethyleen wordt in de vruchten gevormd in aanwezigheid van zuurstof.
Rijping is een verouderingsverschijnsel waarbij kleur, geur en smaak van de appel veranderen en de appel zachter wordt.
Bij sommige appelrassen rijpen de appels nauwelijks zolang ze nog aan de boom hangen. Pas na het plukken komt de rijping van de appels goed op gang. Ter verklaring van dit verschil in rijpingssnelheid tussen een afgeplukte en een aan de boom hangende appel worden vier beweringen gedaan:

1. Zolang de appel aan de boom hangt, wordt IAA uit andere delen van de boom naar de appel gevoerd.
2. Zolang de appel aan de boom hangt, wordt IAA verbruikt in de groeipunten.
3. Zolang de appel aan de boom hangt, is in de appel geen zuurstof aanwezig voor de vorming van ethyleen.
4. Zolang de appel aan de boom hangt, vindt wateropname in de appel plaats waardoor de ethyleenconcentratie afneemt.

Welke van deze beweringen geeft een verklaring voor het verschil in rijpingssnelheid?

Plantenfysiologie

Groei van planten.
Zie figuur B 1121 van de bijlage.

In een experiment bestudeert een onderzoeker de groei van planten uit kiemende erwten. Hij meet de groei door regelmatig het drooggewicht van enkele erwtenplanten te bepalen.
Het drooggewicht is het gewicht van alle delen nadat al het water eruit is verwijderd. Als maat voor de groei van de erwtenplanten is de toename van het drooggewicht genomen die bij deze metingen wordt gevonden. Deze groei is gelijk aan de nettoproductie.
Tijdens het experiment worden alle omstandigheden constant gehouden. De resultaten van het experiment zijn weergegeven in het diagram van de figuur.

De onderzoeker ziet dat de bladeren gaan vergelen en dat de groei van de erwtenplanten in de tiende week tot stilstand komt. Voor het tot stilstand komen van de groei bedenkt hij twee verklaringen:

I. De nettoproductie wordt lager doordat de hoeveelheid weefsel van de erwtenplanten dat aan de fotosynthese bijdraagt, in verhouding tot de totale hoeveelheid weefsel van de plant afneemt.
II. De nettoproductie wordt lager doordat de dissimilatie in de cellen van de erwtenplanten afneemt.




-

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Topmeristeem en lengtegroei van stengel.

Om na te gaan of bij planten met bladgroen het topmeristeem van de stengel invloed heeft op de lengtegroei door middel van een hormoon, worden de volgende vier proeven uitgevoerd.

1. De top van de stengel wordt afgesneden. De stengel groeit dan niet meer.
2. De afgesneden top wordt teruggeplaatst op de stengel met een stukje zilverpapier ertussen. De groei wordt dan niet hervat.
3. De afgesneden top wordt op agar-agar geplaatst. Dit agar-agar wordt daarna op de toploze stengel gezet. Deze hervat dan de lengtegroei.
4. Agar-agar dat niet met een top in aanraking is geweest, wordt op een toploze stengel gezet. Deze gaat dan niet groeien.

Welke combinatie van twee van deze proeven toont aan, dat het meristeem uit de top de lengtegroei door middel van een hormoon beïnvloedt?

Plantenfysiologie

Groeirichting stengel.

Een plantenstengel wordt horizontaal opgehangen en in het donker geplaatst; de top groeit omhoog.
Een andere stengel van dezelfde plant wordt horizontaal opgehangen en in het donker langzaam om zijn lengte-as gedraaid; de top groeit horizontaal.

Welke conclusie uit deze waarnemingen is juist?