Bloed
Een opening tussen de twee hartkamers.
Bij mensen met een opening tussen de twee hartkamers, verandert het zuurstofgehalte van het bloed.
In welk(e) bloedvat(en) zal het bloed dus zuurstofrijker worden dan normaal?
Deze oefentoets bevat 24 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
24
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 5, VWO 6
NVON
cc-by-sa-40
Een opening tussen de twee hartkamers.
Bij mensen met een opening tussen de twee hartkamers, verandert het zuurstofgehalte van het bloed.
In welk(e) bloedvat(en) zal het bloed dus zuurstofrijker worden dan normaal?
De ductus Botalli.
Zie figuur B 1126 van de bijlage.
Bij een ongeboren kind bevindt zich tussen de longslagader en de aorta een bloedvat: de ductus Botalli. Bij de meeste kinderen sluit dit bloedvat zich binnen enkele dagen na de geboorte.
Bij een ongeboren kind is de weerstand in het bloedvatenstelsel van de longen hoog, na de geboorte daalt deze weerstand sterk.
Bij een bepaald kind is de ductus Botalli een maand na de geboorte nog steeds open. De bloedstroom door de ductus Botalli voor de geboorte bij dit kind wordt vergeleken met de bloedstroom door de ductus Botalli een maand na de geboorte.
Stroomt bij dit kind voor de geboorte bloed door de ductus Botalli van de longslagader naar de aorta of van de aorta naar de longslagader?
En na de geboorte?
afbeelding
Bloed- en lymfeproblemen.
De volgende situaties kunnen zich voordoen bij bepaalde aandoeningen in het lichaam van de mens:
1. door aanwezigheid van parasieten zijn de lymfevaten in een bepaald weefsel verstopt;
2. door afsterven van cellen bevindt zich meer eiwit dan normaal in de weefselvloeistof in een bepaald weefsel;
3. door een bepaalde aandoening is de bloeddruk lager dan normaal in de slagader waar doorheen bloed naar een bepaald weefsel stroomt;
4. door een bepaalde aandoening is de bloeddruk hoger dan normaal in de slagader waar doorheen bloed naar een bepaald weefsel stroomt.
Door welke van deze situaties kan oedeem (ophoping van weefselvloeistof) in het desbetreffende weefsel veroorzaakt worden?
1/4 Boezemfibrilleren.
Boezemfibrilleren is de meest voorkomende ritmestoornis van het hart bij mensen ouder dan 50 jaar. Dit fibrilleren wordt gekenmerkt door een ongecoördineerd, voortdurend impulsverloop in de wanden van de boezems met een frequentie van 350 tot 500 impulsen per minuut. Hierbij ontstaat géén gecoördineerde samentrekking van de boezems. Het ritme van de kamersamentrekkingen wordt bewerkstelligd door impulsen die min of meer toevallig in de AV-knoop ontstaan. Meestal stijgt de frequentie van de kamersamentrekkingen en is de polsslag onregelmatig.
Bij een patiënt met de verschijnselen van boezemfibrilleren is de polsslag nauwelijks voelbaar.
Geef hiervoor een verklaring.
2/4 Boezemfibrilleren.
Zie figuur E 44 en figuur B 3915 van de bijlage.
In het diagram van de afbeelding zijn allerlei veranderingen die optreden tijdens een volledige hartslag bij een gezonde persoon, weergegeven.
Aan de hand van deze gegevens is te bepalen hoeveel bloed er bij een gezond persoon per hartslag vanuit de linkerkamer in de aorta wordt gepompt en wanneer dit gebeurt.
Zie figuur B 3915 van de bijlage.
In de uitwerkbijlage is een assenstelsel afgedrukt (afbeelding B 3915), met op de X-as de duur van één hartslag.
Teken in dit assenstelsel een grafiek waarin is weergegeven het verloop van de hoeveelheid bloed die gedurende één hartslag in de aorta komt.
afbeelding
afbeelding
3/4 Boezemfibrilleren.
De ongecoördineerde en onregelmatige frequentie van de impulsen bij het boezemfibrilleren leidt vaak tot het ontstaan van bloedstolsels in het hart.
Drie ziekten die het gevolg kunnen zijn van een bloedstolsel dat de aanvoer van bloed belemmert, zijn:
1. hartinfarct;
2. herseninfarct;
3. longembolie.
Welke van deze ziekten kan of welke kunnen het directe gevolg zijn van een bloedstolsel dat door boezemfibrilleren is ontstaan?
4/4 Boezemfibrilleren.
Om het risico van het ontstaan van bloedstolsels te verminderen, krijgen patiënten met boezemfibrilleren meestal medicijnen toegediend die de bloedstolling vertragen.
Veel gebruikt is een pil die een cumarinederivaat bevat. Deze stof gaat de competitie aan met vitamine K, dat een rol speelt bij de productie van stollingsfactoren. Een nadeel van het gebruik van een cumarinederivaat is, dat dit medicijn pas effectief is na één tot twee dagen.
Noem twee oorzaken waardoor een cumarinederivaat niet onmiddellijk na opname in het bloed, maar pas na enige tijd een merkbaar effect heeft.
1/5 Boezemfibrilleren.
Zie figuur A 271 van de bijlage.
Onder normale omstandigheden ontstaan impulsen in de sinusknoop, die in de rechterboezem van het hart van een mens is gelegen (zie de afbeelding A 271).
afbeelding
Dit is de boezemactivatie. Impulsen verspreiden zich door de wand van de boezems en prikkelen vervolgens een andere knoop, de atrio-ventriculaire knoop of AV-knoop. Vanuit de AV-knoop verspreiden de impulsen zich via geleidende vezels naar de spieren van de kamers kameractivatie).
Boven het vijftigste jaar is bij mannen boezemfibrilleren een veel voorkomende hart-ritmestoornis. Bij boezemfibrilleren ontstaan impulsen tegelijkertijd op verschillende plaatsen in de boezems. Door de abnormale impulsen is een normale samentrekking van de boezems niet mogelijk. De kamers trekken zich nog wel samen, maar de frequentie wordt onregelmatig. Zie figuur B 1259 van de bijlage.
afbeelding
Zie volgende scherm
2/5 Boezemfibrilleren.
Zie figuur B 1259 van de bijlage.
In de afbeelding zijn twee elektrocardiogrammen (ECG's) getekend op dezelfde schaal. ECG 1 is gemaakt van een normaal kloppend hart, ECG 2 is gemaakt van een hart tijdens boezemfibrilleren. Bovendien is in de afbeelding een schema opgenomen van het ECG tijdens een normale hartcyclus.
In het ECG-schema geeft het PQ-interval de tijd aan die verloopt tussen het begin van de boezemactivatie en het begin van de kameractivatie. Het QRS-interval komt overeen met de activatie van beide kamers. De T-top komt overeen met de repolarisatie van de beide kamers.
Hoeveel T-toppen bevinden zich in het totale in de afbeelding weergegeven ECG 2 tijdens boezemfibrilleren ?
Dit zijn [invulveld] toppen
afbeelding
3/5 Boezemfibrilleren.
Zie figuur B 1259 van de bijlage.
Maak een keuze uit de woorden PQ-interval, QRS-interval, P-top en R-top bij het beantwoorden van de volgende vraag.
Beschrijf, met gebruikmaking van tenminste twee van deze woorden, twee verschillen tussen het normale ECG 1 en het ECG 2 tijdens boezemfibrilleren.
afbeelding
4/5 Boezemfibrilleren.
Tijdens het boezemfibrilleren stroomt het bloed in de boezems slechts voor een deel naar de kamers. In het bloed dat in de boezems achterblijft, kan zich gemakkelijk een stolsel vormen.
Zo'n stolsel kan in de bloedsomloop terecht komen en daar een bloedvat afsluiten. Het weefsel dat door het desbetreffende bloedvat van bloed dient te worden voorzien, krijgt dan een tekort aan zuurstof en sterft af: dit wordt een infarct genoemd. Een infarct kan in verschillende organen of delen van het lichaam voorkomen.
Het hartminuut-volume van het hart is de hoeveelheid bloed die per minuut door een hartkamer wordt weggepompt.
Zal het hartminuut-volume van het hart tijdens het boezemfibrilleren, zoals dat hierboven is beschreven, kleiner zijn dan, gelijk zijn aan of groter zijn dan dat voorafgaand aan het fibrilleren?
1/5 Hartoperatie.
In de westerse wereld is hartfalen, een verzamelnaam voor hartziekten waarbij de pompfunctie van het hart tekortschiet, een groot probleem voor de volksgezondheid. Ongeveer een derde van de totale sterfte in Nederland wordt door hart- en vaatziekten veroorzaakt.
Bepaalde lichamelijke verschijnselen duiden op een verhoogd risico, zoals atherosclerose (vroeger ook wel aderverkalking genoemd), en trombose.
Als de kransslagader vernauwd is, kan met een bypassoperatie de doorbloeding van het hartspierweefsel worden hersteld. Hiervoor wordt een ander bloedvat als omleiding (bypass) gebruikt. Door de bypass krijgt het hartweefsel achter de vernauwing weer voldoende bloedtoevoer.
Een hartinfarct kan worden veroorzaakt door een combinatie van atherosclerose en trombose.
Beschrijf hoe deze risicofactoren samen tot een hartinfarct kunnen leiden.
2/5 Hartoperatie.
Het type bloedvat dat wordt gebruikt als bypass kan variëren. Van oudsher werd een beenader gebruikt voor de bypass. Sinds een aantal jaren wordt ook de borstwandslagader gebruikt. Het gebruik van de beenader heeft als voordeel de grote lengte van dit bloedvat. Bovendien is de ader gemakkelijk te verwijderen uit het been. Een nadeel is dat er veel atherosclerose kan optreden in een bypass van deze ader, ook al zijn de aderkleppen verwijderd. Daarom gebruikt men de laatste decennia ook slagaders, zoals een borstwandslagader (meestal de linker), als bypass.
Noem nog een voordeel van het gebruik van een slagader als bypass.
3/5 Hartoperatie.
Zie afbeelding B 4398 van de bijlage.
In de afbeelding zijn vier plaatsen aangegeven.
Een patiënt met een vernauwing in het bovenste deel van de rechter kransslagader krijgt een bypass vanuit de linker borstwandslagader.
Hoe loopt de verbinding van deze bypass?
afbeelding
4/5 Hartoperatie.
Zie afbeelding B 4399 van de bijlage.
Tijdens een bypassoperatie kan het bloed van de patiënt door een hart-longmachine worden geleid. De hart-longmachine neemt de functie van hart en longen over: een pomp houdt het bloed in beweging, de bloeddruk en bloedtemperatuur blijven op peil, O2
wordt toegevoegd en CO2
afgevoerd. Het hart wordt met behulp van drie slangetjes verbonden met de hart-longmachine.
In de afbeelding B 4399 is een hart schematisch afgebeeld met de plaats van deze drie slangetjes.
Door welk slangetje of door welke slangetjes gaat bloed naar de hart-longmachine toe?
afbeelding
5/5 Hartoperatie.
Wanneer een patiënt wordt aangesloten op de hart-longmachine wordt het bloed door plastic slangetjes van en naar de machine geleid. De patiënt wordt voor de aanvang van een hartoperatie met gebruik van de hart-longmachine behandeld met heparine, een stof die de vorming van het trombokinasecomplex afremt. Na afloop van de operatie wordt protamine, een antagonist van heparine, toegediend.
Waarom is het noodzakelijk dat heparine wordt toegediend?
Waarom moet snel na de operatie protamine worden toegediend?
Oedeem.
Soms hoopt zich (teveel) vocht op tussen de cellen van een orgaan. Dit wordt oedeem genoemd. Over de oorzaak van oedeem in de enkels van een bepaalde persoon worden de volgende beweringen gedaan:
1. Dit kan veroorzaakt zijn door een te hoge bloeddruk in de aders van de enkels.
2. Dit kan veroorzaakt zijn door beschadigingen in de nierkanaaltjes waardoor verlies van bloedplasma-eiwitten is opgetreden.
3. Dit kan veroorzaakt zijn doordat deze persoon zich een lange periode aan een zoutarm dieet onderworpen heeft.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
Koolstofmonoxide.
Waarop berust het giftige effect van koolstofmonoxide?
2/2 Bloedsomloop.
Zie figuur B 4988 van de bijlage.
Bij een bepaalde patiënt bestaat er een gat in het tussenschot tussen de linker en de rechter boezem. Als dat gat niet gesloten wordt, is de patiënt sneller vermoeid dan een gezond persoon.
Drie mogelijke verklaringen over het effect van het gat tussen de linker en de rechter boezem worden geopperd:
1. Hierdoor gaat ook O2
-rijk bloed naar de longen, hetgeen de efficiëntie van het systeem vermindert.
2. Hierdoor gaat ook O2
-arm bloed naar het lichaam, hetgeen de efficiëntie van het systeem vermindert.
3. Hierdoor kan het hart zich minder goed samentrekken, hetgeen de efficiëntie van het systeem vermindert.
Welk van deze verklaringen is of welke zijn juist?
afbeelding
Oedeem.
Zie figuur A 1116 van de bijlage.
In de afbeelding wordt de uitwisseling van vloeistoffen en opgeloste stoffen tussen haarvaten en omringend weefsel weergegeven.
Oedeem is het ophopen van weefselvocht.
Als mogelijke oorzaken van oedeem worden genoemd:
1. een toegenomen druk in de haarvaten;
2. een eiwittekort in het bloedplasma;
3. een tekort aan zouten in het bloedplasma;
4. een verstopping van de lymfvaten;
5. een afgenomen bloeddruk.
Welke is of welke zijn juist?
afbeelding
Oedeem.
Zie figuur B 5032 van de bijlage.
In de afbeelding hiernaast zie je oedeem van de hand. Oedeem is het ophopen van weefselvocht in organen.
Als mogelijke oorzaken van oedeem worden genoemd:
1. bloedeiwitten zijn in het weefselvocht terecht gekomen;
2. toegenomen druk in haarvaten;
3. verstopping van de lymfvaten;
4. de doorlaatbaarheid van haarvaten is verhoogd.
Geef aan welke oorzaak juist is of welke oorzaken juist zijn.
afbeelding
Malaria.
Zie figuur D 11 van de bijlage.
In de levenscyclus van malariaparasieten worden drie ongeslachtelijke stadia onderscheiden: de trofozoieten, merozoieten en sporozoieten.
In de afbeelding is de levenscyclus van de malariaparasiet weergegeven.
Uit elke sporozoiet ontwikkelen zich in een levercel 10.000 tot 30.000 trofozoieten. Deze komen na ongeveer 5 dagen in het bloed terecht. In een rode bloedcel vermenigvuldigt de trofozoiet zich in 48 uur tot 12-16 merozoieten, die vrijkomen doordat de rode bloedcel te gronde gaat. De meeste merozoieten gaan meteen over in trofozoieten, die nieuwe rode bloedcellen binnendringen.
Bereken hoeveel rode bloedcellen er bij een volwassen man, negen dagen nadat 50 sporozoieten elk een levercel binnengedrongen zijn, maximaal te gronde zijn gegaan als gevolg van deze infectie.
Leg uit dat dit geen groot verlies is voor deze patiënt.
afbeelding