Oefentoets Biologie: Gedrag - Algemeen | VWO 3/VWO 4/VWO 5 - variant 12

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 3, VWO 4, VWO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag bij dieren

De balts van een fruitvlieg.
Zie figuur B 5359 van de bijlage.

Het baltsgedrag van een mannetje van de fruitvlieg (Drosophila melanogaster) bestaat uit een aantal handelingen. Enkele hiervan zijn hierna in een willekeurige volgorde benoemd.

1. copulatie
2. vibratie: er wordt met één of beide vleugels getrild
3. likken: met de monddelen wordt de geslachtsopening van het wijfje aangeraakt.
4. copulatiepoging
5. oriëntatie: het dier richt zich voortdurend naar het vrouwtje

In de afbeelding hiernaast zijn de handelingen in de meest voorkomende volgorde weergegeven.

Zet de letters uit de afbeelding in de rechterkolom bij de juiste cijfers van de handelingen in de linker kolom.

afbeeldingafbeelding
  • e

  • b

  • c

  • d

  • a

  • 1

  • 2

  • 3

  • 4

  • 5

Gedrag bij dieren

2/2 Gedrag.

Een weggetrokken mannetje zoekt een nieuwe groep op. Vrouwtjes in zo'n groep waar een nieuw mannetje binnenkomt, hebben vaak grote belangstelling voor zo'n nieuw mannetje en proberen ermee te paren, ondanks dat de leiders van de eigen groep dat trachten te voorkomen.

Welk evolutionair voordeel heeft het uitwisselen van mannetjes ten opzichte van het uitwisselen van vrouwtjes?

Gedrag bij dieren

1/2 Wilde honden.
Zie figuur B 5360 van de bijlage.

Afrikaanse wilde honden (Lycaon pictus) zijn sociale dieren die de grasvlakten van Oost- en Zuid-Afrika bewonen. Zij jagen gewoonlijk in groepen en kunnen daardoor prooien vangen die veel groter zijn dan zijzelf, zoals wildebeesten (Connochaetes taurinus). Als ze op jacht zijn, benaderen zij een kudde grazende dieren, kiezen hun slachtoffer en putten hem uit, meer gebruik makend van hun uithoudingsvermogen dan van hun snelheid.

Fanshawe en Fitzgibbon observeerden gedurende twee jaar de hondenjacht in het Serengeti National Park in Tanzania. Zij bestudeerden één van de jachtgroepen in dit gebied.

De meeste jachtactiviteiten vonden plaats bij zonsopgang en zonsondergang. In totaal zagen zij ruim 200 achtervolgingen van Thomson's gazelles (Gazella thomsoni) en 100 van het wildebeest.
In het staafdiagram in de afbeelding hiernaast is het effect van de leeftijd van het prooidier op het jachtsucces van troepen wilde honden te zien. De getallen boven de staven geven het aantal jachtpartijen aan. Neem aan dat een succesvolle jachtpartij altijd eindigt met het opeten van de prooi.

Wat is volgens de gegevens in de afbeelding hiernaast de meest gegeten prooi van de wilde honden?




-



-

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

Trekgedrag van spreeuwen.
Zie figuur B 5362 van de bijlage.

Gustav Kramer bewees dat spreeuwen zich oriënteren op de zon. In een experiment (zie afbeelding) zaten spreeuwen in een ronde kooi met uitsparingen in de wand waardoor licht kon binnendringen. In de afbeelding zie je de trekrichting van de spreeuwen op verschillende momenten van de dag, met wisselende posities van de zon. De brede pijlen geven de richting van de zonnestralen aan, de smalle pijlen de trekrichting van de vogel.
In een vervolgexperiment waren alle ramen geblindeerd. De zon als lichtbron werd vervangen door een schijnwerper, die op een vaste positie in het oosten opgesteld was.

In welke richting vertonen de spreeuwen trekgedrag in het vervolgexperiment om 12 uur?

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

1/3 De raaf en de wolf.

Raven zijn aaseters. Zij proberen mee te profiteren als wolven een prooi, zoals een eland, gevangen en gedood hebben. Onderzoekers volgden drie roedels wolven. Zij noteerden onder andere:

. Het aantal wolven;
. De gedragsactiviteiten en de duur daarvan;
. De aanwezigheid van raven en het aantal daarvan;
. De tijdsduur dat de raven bij de wolven verbleven;
. De afstand tussen de wolven en de raven.
In onderstaande tabel zijn de gedragsactiviteiten van de wolven te zien. De bijbehorende percentages van de tijd dat er tijdens die activiteiten raven te zien waren, zijn niet ingevuld.
afbeeldingafbeelding
De berekende percentages waren: 27.5% (P), 37.7% (Q), 62.9% (R) en 99.7% (S).

Noteer bij de cijfers in de tabel in de linker kolom de juiste letters in de rechter kolom. Per cijfer mag slechts één letter worden genoteerd.



-

  • Q
  • P
  • R
  • S
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4

Gedrag bij dieren

2/3 De raaf en de wolf.
Zie figuur B 5363 van de bijlage.

De onderzoekers legden ook zelf elanden neer, die verkeersslachtoffer waren geworden (9 exemplaren) en vergeleken de tijd die het de raven kostte om die te vinden met het vinden van door wolven gedode elanden (29 exemplaren). In het diagram hiernaast zie je het resultaat van dit onderzoek.
Twee leerlingen trekken op basis van deze gegevens een conclusie.
Bij het zoeken reageren de raven volgens Einad vooral op het zien van dode elanden.
Volgens Erik reageren de raven bij het zoeken vooral op de geur van wolven.

Wie heeft of hebben er gelijk?

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

Chimpansees.

Chimpansees handhaven hun plaats in de rangorde door dreiggedrag. Soms komt er een korte vechtpartij voor, maar agressie is meestal geritualiseerd.

Hoe komt het dat bij deze diersoort niet vaker vechtgedrag optreedt?

Gedrag bij dieren

Gnoes.
Zie figuur B 5365 van de bijlage.

In het diagram in nevenstaande afbeelding, samengesteld door de bioloog Hans Kruuk, is weergegeven welk percentage van de gedode gnoes in een bepaald gebied ten prooi valt aan leeuwen, hyena’s of onbekende roofdieren.

Wat kun je uit het diagram afleiden over de relatie tussen prooi en roofdier?

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

Paradijsvogels.
Zie figuur B 5366 van de bijlage.

Er bestaan veel verschillende soorten paradijsvogels.
De trompetparadijsvogel (Manucodia keraudrenii) leeft volledig monogaam: mannetje en vrouwtje hebben een duurzame band. Deze soort leeft op een menu van vijgen die relatief niet erg voedzaam zijn.
De prachtparadijsvogel (Cicinnurus magnificus) is polygyn: één mannetje heeft meer dan één vrouwtje. Deze soort leeft op een menu van zeer voedzame nootmuskaatvruchten en insecten.

Bij welke van beide soorten is te verwachten dat het mannetje het vrouwtje helpt bij de broedzorg?

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

Platwormen.
Zie figuur B 5368 van de bijlage.

Als een aantal platwormen in een petrischaaltje wordt geplaatst, waarvan de helft verlicht is en de helft donker, blijken er na verloop van tijd in de donkere helft meer platwormen te zijn dan in de lichte helft.

Er worden twee verklaringen bedacht:

1. In het donker bewegen platwormen langzamer.
2. In het donker veranderen platwormen vaker van bewegingsrichting.

Welke verklaring kan of welke kunnen juist zijn?

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

Goudspecht.
Zie de figuren B 5369, B 5370 en figuur B 5371 van de bijlage.

Bij de Amerikaanse goudspecht (Colaptes auratus) lijken het mannetje en het vrouwtje zeer sterk op elkaar. Het enige opvallende verschil is het kleine zwarte 'snorretje’ van het mannetje (zie afbeeldingen).
Vrouwtjes die een kunstmatige snor kregen opgeplakt werden aangevallen door mannetjes en uit het territorium verjaagd. Het is ook mogelijk de snor van mannetjes over te schilderen met de kleur van de naastgelegen veren. Mannetjes hebben dan 'geen snor’.
Zo zijn er dus zowel mannetjes als vrouwtjes met en zonder snor mogelijk. Dit leidt tot de volgende ontmoetingsmogelijkheden:

mannetje vrouwtje
1. met snor met snor
2. met snor zonder snor
3. zonder snor met snor
4. zonder snor zonder snor

In welke van deze vier gevallen zal het mannetje het vrouwtje uit zijn territorium verjagen?
Geef alleen het/de juiste nummer(s).



-

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

De geelsnaveltok.
Zie figuur B 5372 van de bijlage.

Bij de geelsnaveltok, een Afrikaanse neushoornvogelsoort, legt het vrouwtje eieren met tussenpozen van twee dagen. Als het legsel compleet is, metselt ze zich eerst in in de holle boom waarin ze verblijft en begint daarna te broeden. Als de jongen zijn uitgekomen, verlaat de moeder na enige tijd het nest, de jongen blijven alleen en herstellen het gat dat de moeder bij haar 'uitbraak’ heeft gemaakt. Op een gegeven moment breekt ook het eerstgeboren jong uit. De andere jongen blijven achter en herstellen het gat weer. Om de twee dagen breekt opnieuw een jong uit, terwijl de achterblijvers het gat weer herstellen.
Over dit uitbreek- en herstelgedrag worden twee beweringen gedaan:

1. Bij dit gedrag heeft de leeftijd invloed op de motivatie.
2. Dit gedrag is erfelijk vastgelegd (aangeboren).

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

1/2 Koeien.
Zie figuur B 5373 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
De aanwezigheid van een kudde Schotse hooglanders in een natuurgebied heeft invloed op de vegetatie van het gebied waar de kudde zich bevindt. Een methode om de invloed van de kudde op de vegetatie en op de biodiversiteit te bestuderen is het onderzoeken van de vorm en de verspreiding van de 'koeienplakken', de ontlasting van de koeien.
In de afbeelding hiernaast zijn drie vormen van koeienplakken afgebeeld:

1. een plak gevormd bij rusten ('rustplakken'),
2. een plak gevormd bij grazen ('graasplakken'),
3. een plak gevormd bij lopen ('loopplakken').

Om de invloed van de koeien te bestuderen deelden onderzoekers het weidegebied in drie proefvlakken in. In de tabel zijn de gevonden percentages van de verschillende soorten plakken in de drie proefvakken weergegeven.

proefvak 'rustplakken' (%) 'graasplakken'(%) 'loopplakken'(%)
X 40 52 8
Y 20 20 60
Z 60 10 30

Alle koeien bevonden zich gedurende een even lange tijd in een proefvak. De totale hoeveelheid koemest is gelijk in elk proefvak

Zie volgende scherm