Oefentoets Biologie: Voortplanting | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 13

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voortplanting

5/7 Voor en na een zwangerschap.
Zie figuur A 350 van de bijlage.

In de placenta gaat O2 uit het bloed van de moeder naar het bloed van het ongeboren kind. Ten einde meer inzicht te krijgen in de zuurstofuitwisseling tussen twee vloeistoffen is het volgende experiment gedaan.
Er worden drie modelsystemen gebouwd, elk bestaande uit twee buizen die elk gevuld zijn met vloeistof. Door de wand van de buizen is diffusie van zuurstof mogelijk. De totale uitwisselingsoppervlakken in de drie systemen zijn gelijk. De hoeveelheid vloeistof die per tijdseenheid elke buis binnenstroomt, is in de drie systemen gelijk en ook andere omstandigheden worden gelijk gehouden. De drie systemen zijn weergegeven in de afbeelding.
De stroomrichting is met pijlen aangegeven.

In elk systeem stroomt bij P vloeistof binnen die met O2 is verzadigd, terwijl bij Q vloeistof binnenstroomt die geen O2 bevat.

In welk van deze systemen bevat de vloeistof die bij R uitstroomt, de minste O2 ?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

6/7 Voor en na een zwangerschap.
Zie figuur B 1644 van de bijlage.

In de afbeelding is de concentratie antistoffen in het lichaam van een kind vóór en na de geboorte weergegeven. Antistoffen kunnen worden gevormd door de moeder èn door het kind.

Welke van de grafieken 1, 2, 3 en 4 geeft of welke geven de concentratie van antistoffen weer die door cellen in het lichaam van het kind worden gevormd?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

7/7 Voor en na een zwangerschap.

Na de geboorte komt de baby in contact met antigenen die voor de baby lichaamsvreemd zijn. Bescherming tegen deze antigenen kan worden geboden door stoffen in de moedermelk.

Noem twee structuren van het lichaam van de baby die na de geboorte een rol spelen bij bescherming van de baby tegen het binnendringen van lichaamsvreemde antigenen in het interne milieu.

Voortplanting

Zwangerschap.
Zie figuur B 1359 van de bijlage.

Soms is een reageerbuisbevruchting' de enige manier voor een man en een vrouw kinderen te krijgen. Bij deze methode worden eicellen uit de ovaria gehaald. In een voedingsmedium worden deze eicellen samengebracht met zaadcellen zodat bevruchting kan plaatsvinden. Na de bevruchting vindt de eerste ontwikkeling van de embryo's in het voedingsmedium plaats Twee of meer embryo's worden daarna in de baarmoeder van de moeder ingebracht.

Om mogelijke afwijkingen van een ongeboren kind te onderzoeken, kan een vruchtwaterpunctie worden gedaan. Hierbij wordt via een buisje dat door de buikwand en door de wand van de baarmoeder van de zwangere vrouw gaat, een kleine hoeveelheid vruchtwater opgezogen. De in het vruchtwater zwevende cellen worden onderzocht.

Vruchtwater bevat geen cellen van de moeder. Geef hiervoor een verklaring.

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

1/3 Voor en na de geboorte.

Bij een bepaalde baby was vóór de geboorte de concentratie van het hormoon thyroxine in het bloed vrijwel normaal. Na de geboorte nam de thyroxineconcentratie sterk af en bleef veel lager dan normaal. Dit kind kreeg vervolgens extra thyroxine toegediend.

Leg uit waardoor dit kind vóór de geboorte een vrijwel normale thyroxineconcentratie had, terwijl dat na de geboorte niet het geval was.

Voortplanting

2/3 Voor en na de geboorte.

Er is een aantal redenen te noemen waarom het krijgen van borstvoeding voordelen heeft voor een baby. Moedermelk bevat bijvoorbeeld antistoffen, terwijl deze in flesvoeding ontbreken.
Over deze antistoffen worden de volgende beweringen gedaan:

1. de antistoffen zijn eiwitten,
2. de antistoffen worden door dekweefselcellen in de melkklier geproduceerd,
3. in de moedermelk bevinden zich antistoffen die de baby beschermen tegen die bacteriën waarmee de moeder ooit in aanraking is geweest.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

Voortplanting

3/3 Voor en na de geboorte.

De volgende delen van de bloedsomloop van een ongeboren kind worden genoemd:

1. de aorta direct na de overgang van de linker kamer van het hart,
2. een beenader,
3. de navelstrengader,
4. de onderste holle ader bij de overgang naar de rechter boezem van het hart.

Zet deze delen in de juiste volgorde - van laag naar hoog - te beginnen met het deel waarin zich bloed met de kleinste hoeveelheid O2 per ml bloed bevindt.

Voortplanting

1/2 Anticonceptiepil.

In een leerboek staat de volgende tekst:

Tekst:De hormonale anticonceptie zoals de 'pil' en de prikpil, beïnvloeden de hypothalamus-hypofyse waardoor ovulatieremming optreedt ten gevolge van toediening van oestrogene en progestagene stoffen. Deze stoffen onderdrukken de FSH- en LH-productie in de hypofyse waardoor zich geen follikels ontwikkelen. Veranderingen in het endometrium1) door gebruik van de pil verhinderen nidatie2) van een embryo. Bovendien vormt het als gevolg van pilgebruik verdikte slijm in de baarmoederhals een barrière voor de spermiën. Tijdens de pilvrije periode wordt het endometrium door de menstruatie afgestoten.

1) baarmoederslijmvlies
2) innesteling

bewerkt naar: W. G. Burgerhout e.a., Fysiologie, Leerboek voor paramedische opleidingen, 1998, 333

afbeeldingafbeelding

De afbeelding hierboven geeft een aantal gebeurtenissen weer die aan de geboorte van een kind voorafgaan. De cijfers geven plaatsen en processen aan waar kan worden ingegrepen om een zwangerschap te voorkomen.

Zie volgende scherm

Voortplanting

2/2 Anticonceptiepil.

afbeeldingafbeelding

Waar kan volgens de tekst de anticonceptiepil ingrijpen? Geef de nummers van de betreffende pijlen in de afbeelding.

Voortplanting-evolutie

1/5 Virus onmisbaar bij de placentavorming.

Volgens de endosymbiose-theorie hebben plantaardige en dierlijke cellen ooit eencellige organismen opgenomen, die vervolgens evolueerden tot celorganellen. De aanwezigheid van eigen DNA in deze organellen is daarvoor een aanwijzing. Uit nieuw onderzoek is gebleken dat ook virussen onderdeel van eukaryote cellen kunnen zijn.
Bepaalde virussen die zo'n 100 miljoen jaar geleden blijvend in het genoom van zoogdieren zijn opgenomen, zogenoemde endovirussen, hebben zelfs een beslissende invloed op het goed verlopen van de zwangerschap en de groei van de placenta. Waarschijnlijk betreft dit een van de stappen in de evolutie van eierleggende naar levendbarende zoogdieren.
Het bewijs daarvoor is nu bij schapen geleverd: in het genoom van deze dieren zijn restanten van het Jaagsiektevirus aangetoond. Als deze virusgenen bij een ooi geblokkeerd zijn, loopt de zwangerschap uit op een vroege miskraam.
Ook bij mensen zijn verschillende endovirussen bekend: ERV-genen (ERV = Endogeen Retro Virus) stimuleren onder andere de hechting van het enkele dagen oude embryo in de baarmoederwand en geven de zich ontwikkelende placenta een groeispurt.
Volgens de endosymbiose-theorie zijn enkele celorganellen van eukaryote cellen ooit als zelfstandige organismen opgenomen. Deze organellen zijn in het bezit van eigen DNA.

Welke organellen zijn dat?

Voortplanting-evolutie

2/5 Virus onmisbaar bij de placentavorming.

In placentaweefsel van de mens kan het enzym reverse transcriptase worden aangetoond. Dat kan een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van ERV-genen in de cellen.

Leg dit uit aan de hand van de functie van reverse transcriptase.

Voortplanting-evolutie

3/5 Virus onmisbaar bij de placentavorming.
Zie figuur A 998 van de bijlage.

Een van de ERV-genen bevat de erfelijke informatie voor het eiwit syncytine. Dit eiwit vervult een sleutelrol bij de placentavorming. Vlak voor de innesteling is het jonge embryo omhuld door trofoblastcellen, die syncytine vormen. Syncytine laat deze cellen fuseren. Hieruit ontstaat de syncytiotrofoblast-laag die zich in het baarmoederslijmvlies nestelt. In de placenta die zich vervolgens ontwikkelt, vormt de syncytiotrofoblast-laag de grenslaag tussen weefsel van moeder en kind.
In de afbeelding is schematisch het baarmoederslijmvlies met een embryo van 12 dagen oud weergegeven. Enkele delen zijn met een cijfer aangegeven.

Met welk cijfer wordt de syncytiotrofoblast-laag aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting-evolutie

4/5 Virus onmisbaar bij de placentavorming.

Waarschijnlijk is een ERV-genproduct betrokken bij de vorming van het hormoon HCG. Bij 1 procent van de mensen komt een mutatie in dit ERV-gen voor. De mutatie betreft de vervanging van de code voor arginine door een stopcodon. Toch leidt deze mutatie, zelfs bij een foetus die homozygoot is voor het mutantgen, niet tot afwijkingen bij de embryonale ontwikkeling. Een verklaring hiervoor is, dat bij de transcriptie soms over een stopcodon wordt doorgelezen.

Geef nog een andere mogelijke verklaring.

Voortplanting-evolutie

5/5 Virus onmisbaar bij de placentavorming.

De trofoblast maakt het hormoon HCG dat van belang is voor het instandhouden van de zwangerschap. Na de achtste week van de zwangerschap neemt de concentratie van het hormoon HCG in het bloed af.

Hoe wordt door HCG instandhouding van de zwangerschap geregeld? Leg uit waarom dit na de achtste week niet meer nodig is.

Voortplanting

Implantaten, libido, endocrinoloog, gynaecoloog, obstetrie.

Geef de betekenis van de volgende termen.

a. implantaten,
b. libido,
c. endocrinoloog,
d. gynaecoloog,
e. obstetrie.

Voortplanting

1/6 Gevaar op de werkvloer.
OP DE WERKVLOER LOERT HET GEVAAR.
Mannelijke onvruchtbaarheid baart Europa zorgen.

Over de recreatieve kwaliteit van het minnespel zijn bibliotheken volgeschreven, nieuw is dat seks achteruitgaat in zijn scheppende functie en hier wordt de man als boosdoener aangewezen. Was tot voor kort de (oorzaak van) onvruchtbaarheid bij paren fifty-fifty over het stel te verdelen, nieuwe onderzoeken wijzen uit dat meer en meer de vruchtbaarheid van de man in het geding is: zijn zaad wil niet meer deugen.

De maatschappelijke realiteit wil dat het werken aan nageslacht naar een steeds hogere leeftijd wordt verschoven. Toch kan wie zich wil voortplanten dat maar het beste jong doen, voor het arbeidzame leven. Niet alleen bevinden beide partners zich dan in de vruchtbaarste fase van hun leven, maar vooral ook heeft arbeid nog geen kans gehad negatieve invloed op de vruchtbaarheid te hebben. Zelden deugt een werkplek ergonomisch helemaal: je krijgt er platvoeten, hernia, psoriasis, knobbelknieën of grauwe staar; maar dat werkt gelukkig niet door in de zaadaanmaak, qua hoeveelheid en kwaliteit. Maar in bedrijfstakken waar met 'gevaarlijke stoffen' wordt gewerkt - en dat zijn er meer dan je zo op het eerste gezicht zou denken - kan de mannelijke vruchtbaarheid negatief worden beïnvloed. En wordt dat ook, blijkens onderzoeken in binnen- en buitenland.
Sinds duidelijk werd dat het afnemen van het reproductieve vermogen van de man samenhangt met de negatieve kwaliteiten van het milieu en de werkomgeving, hebben wetenschappelijk onderzoekers zich op dit fenomeen gestort. Behalve dat al dat onderzoek allerhande - vaak voorzichtige en soms tegengestelde - conclusies oplevert werpt het meer nieuwe vragen op dan er te beantwoorden waren. Ook worden bij voortduring nieuwe chemische stoffen ontwikkeld die dan wel getest zijn op hun effectiviteit, maar veelal nog onderzocht moeten worden op hun belasting van het milieu in het algemeen en de arbeidsplaats in het bijzonder.

Zie volgende scherm

Voortplanting

2/6 Gevaar op de werkvloer.

Werkplek
Berucht zijn allerlei insectenbestrijdings- en grondontsmettingsmiddelen, koelvloeistoffen, vinylbenzeen (styreen) dat gebruikt wordt bij de productie van kunststoffen, (vooral buiten-)verf en gelode benzine; ongezond voor het (ontbreken van gewenst) nageslacht is onder meer lassen, werken in operatiekamers (ontsmettingsmiddelen, narcosegassen), farmaceutische industrie, chemische wasserijen, recyclingindustrie, keramiek- en kristalvervaardiging.
En werken in kerncentrales: teveel kinderen van werknemers daar worden geboren met bloedkanker. In de regio rondom Sellafield, de beruchte kerncentrale in Noordwest-Engeland, werden de laatste jaren tien keer zoveel gevallen van leukemie bij jonge kinderen vastgesteld dan elders in Groot-Brittannië. Onafhankelijke specialisten vermoeden dat bij deze kinderen het bloedkankerrisico al bestond voordat zij werden geboren, meer nog: voordat zij werden verwekt. Zij gaan ervan uit dat de zaadproductie bij de ouders beïnvloed wordt door radioactieve straling.
De overheid wil wat doen aan verbetering van werkmilieu en scherpt de milieuregels met het jaar aan. Soms met meer, soms met minder gevolg. Zo legde toenmalig minister De Vries (Sociale Zaken) zo'n drie jaar geleden het gebruik in de bollenteelt van dichloorpropeen en methylisothiocynaat aan banden en verbood hij metamnatrium, omdat - zo bleek uit TNO-onderzoek - deze grondontsmettingsmiddelen te gevaarlijk zijn voor de werknemers in die sector. Niet alleen ging het om het veroorzaken van huidaandoeningen en allergieën, het ging vooral om negatieve effecten op het zenuwstelsel. Maar volgens de bollenkwekers is het gebruik van metamnatrium in de bollenteelt onmisbaar en een verbod onacceptabel... en vervolgens vernietigde het College van beroep voor het bedrijfsleven het verbod van De Vries, omdat het TNO-onderzoek de schadelijkheid van metamnatrium onvoldoende zou hebben aangetoond.

Verwijfde alligators
Op grond van al jaren bestaande veiligheidsbesluiten zijn bedrijven verplicht om een register bij te houden van de aanwezige gevaarlijke stoffen. Die regeling is per 1 april 1995 aangescherpt, speciaal met het oog op stoffen die de vruchtbaarheid verminderen en de kans op een miskraam of op gezondheidsschade bij nakomelingen verhogen. Geregistreerd moet nu ook worden welke werknemers met deze stoffen in aanraking komen, hoe dat gebeurt - inademing, inslikken, oog- en/of huidcontact - en wat er gedaan is om gezondheidsschade te voorkomen.
Afgelopen maand kondigde minister Borst (Volksgezondheid) onderzoek door de Gezondheidsraad aan naar het verband tussen de toenemende onvruchtbaarheid bij mannen en bepaalde in het milieu geloosde stoffen. Het gaat met name om de invloed op oestrogenen - in geringe mate door de man geproduceerde vrouwelijke geslachtshormonen. Zo is het al een aantal jaren verboden om de onderzijde van schepen te behandelen met tributyltin, dat de aangroei voorkomt van allerlei organismen. Onderzoek had uitgewezen dat dit middel er onbedoeld voor zorgt dat slakken impotent werden. Ook bij wulken in de Noordzee werd dit effect gesignaleerd. Er werden ook door chemische stoffen 'verwijfde' alligators in Florida gesignaleerd en daar voegden onderzoekers van de Landbouwuniversiteit Wageningen nog hun bericht aan toe over de Nederlandse fruittelers, die meer dan gemiddeld problemen hebben met 'kindjes-kopen' en wier vrouwen, wanneer dat probleem is opgelost, vervolgens tweemaal zoveel meisjes- als jongensbaby's baren.

Zie volgende scherm

Voortplanting

3/6 Gevaar op de werkvloer.

Van de in de fruitteelt veel gebruikte middelen ethyleendibromide carbaryl, benomyl, maneb, zineb en thiram is al langer bekend dat ze de geslachtsorganen aantasten en de voortplanting remmen. Bekend is ook dat dibromochloorpropaan verantwoordelijk is voor de grote toename van meisjesbaby's. Dat echter doorgaans met cocktails van middelen wordt gewerkt, maakt het allemaal erg ingewikkeld.
Uit het vorig jaar gepubliceerde onderzoek van de Wageningse epidemiologen bleken degenen die vaker per jaar spoten met het insecticide azinphosmethyl, het schimmelbestrijdingsmiddel metinam en de onkruiddoder paraquat steeds vader waren van een gezin met een overmatig aantal dochters. De fruittelers die het intensiefst met bestrijdingsmiddelen omgingen, hadden de grootste moeite om kinderen te krijgen. Wie de moderne cross current air blast sprayer gebruikte, bleek eerder een kind te kunnen verwekken dan wie ouderwetse technieken hanteerde, zoals de ouderwetse rugspuit die een wolk van adembenemende chemische nevel verspreidt. Iemand die dat allemaal inademt, wordt aan een duizendtal hogere dosis blootgesteld dan diegene die vanaf een moderne tractor met gesloten cabine zit te spuiten.

Vrees voor verbod
Nu is er sinds vorig jaar binnen Europa een onderzoek gaande naar de effecten van pesticiden, styreen en lood op het afnemen van de spermakwaliteit. In Nederland dreigt dat echter vast te lopen, vanwege de geringe bereidheid in de 'verdachte' bedrijfstakken eraan mee te werken. De loodindustrie, die wel wil meewerken, levert onderzoeksproblemen op omdat daar nog geen nieuwe werknemers werden aangenomen, wier sperma kan worden onderzocht.
Maar de kunststofindustrie die vooral styreen (styrol) als grondstof gebruikt, liet weten altijd de schuld te krijgen als er iets mis gaat met het milieu; en verder hadden de werkgevers nooit signalen gekregen dat er iets loos was met de vruchtbaarheid van hun personeel.
Zeker zo frappant was de argumentatie van de fruitwerkgevers: zij vrezen een verbod op bepaalde gevaarlijke stoffen, wanneer de onderzoeksresultaten worden gepubliceerd; bovendien zou alleen het onderzoek al - zeker na de voorzichtige conclusies van eerdere naspeuringen - hun imago schaden.

(Brabants Dagblad, 23 augustus 1995.)

Zie volgende scherm

Voortplanting

4/6 Gevaar op de werkvloer.

Leg het verband uit tussen de invloed van bepaalde middelen op oestrogenen en de genoemde impotentie bij slakken (onder de kop 'Verwijfde alligators").

Voortplanting

5/6 Gevaar op de werkvloer.

Welke stoffen in de voortplantingscellen van mensen zijn gevoelig voor radioactieve straling?