Oefentoets Biologie: Plantenanatomie | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 24

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenanatomie en -fysiologie

5/5 Kiemende bonen.
Zie figuur B 775 van de bijlage.

Treedt tussen de getekende stadia meiose op?
Zo ja, tussen welke stadia?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Kieming van zaden.
Zie figuur B 2028 van de bijlage.

De afbeelding geeft een proefopstelling weer: op natte watten liggen dennenzaden of witte bonen, in het licht of in het donker.
Na enige tijd zijn alle zaden ontkiemd. De kiemplantjes van de dennenzaden bevatten bladgroen, zowel in bak 1 als in bak 2. De kiemplantjes van de witte bonen in bak 3 bevatten eveneens bladgroen; de kiemplantjes van de witte bonen in bak 4 bevatten echter geen bladgroen.

Blijkt uit de proef die bij de afbeelding is beschreven dat dennenzaden voor het ontkiemen licht nodig hebben?
En dat witte bonen voor het ontkiemen licht nodig hebben?

afbeeldingafbeelding


-

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Kieming van zaden.
Zie figuur B 2028 van de bijlage.

De afbeelding geeft de proefopstelling weer: op natte watten liggen dennenzaden of witte bonen, in het licht of in het donker.
Na enige tijd zijn alle zaden ontkiemd. De kiemplantjes van de dennenzaden bevatten bladgroen, zowel in bak 1 als in bak 2. De kiemplantjes van de witte bonen in bak 3 bevatten eveneens bladgroen; de kiemplantjes van de witte bonen in bak 4 bevatten echter geen bladgroen.

Blijkt uit de proef die bij de afbeelding is beschreven dat kiemplantjes van dennen voor de vorming van bladgroen licht nodig hebben?
En dat kiemplantjes van witte bonen voor de vorming van bladgroen licht nodig hebben?

afbeeldingafbeelding





-

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Maïs en erwten.
Zie figuur B 786 van de bijlage.

Twee bakken zijn gevuld met vochtig zand.
In de ene bak worden drie maïskorrels gelegd, in de andere bak drie maïskorrels en drie erwten.
Verder zijn alle omstandigheden voor beide bakken gelijk. Na enkele dagen ontkiemen de maïskorrels en de erwten en beginnen de plantjes te groeien zoals in de tekening is weergegeven.
Een paar weken later worden de maïsplanten in bak 1 vergeleken met die in bak 2. Het blijkt dan dat de maïsplanten in bak 2 beter gegroeid zijn dan die in bak 1.

Welke stof moet of welke stoffen moeten de zaden opnemen om te kunnen ontkiemen?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Maïs en erwten.
Zie figuur B 786 van de bijlage.

Welke van onderstaande conclusies uit deze proef is juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Een proef met zaden.

Een leerling doet een proef met twintig zaden. Zij verdeelt de twintig zaden in twee groepen van tien (groep 1 en groep 2). De zaden van groep 1 wegen evenveel als de zaden van groep 2.
Zij legt de zaden van groep 1 op vochtige watten, in een glazen bak in het donker. Tijdens de proef blijven deze watten vochtig.
Zij legt de zaden van groep 2 op droge watten, in een glazen bak in het licht.
Na een dag weegt zij beide groepen zaden. Het gewicht van de zaden van groep 1 blijkt te zijn toegenomen. Het gewicht van de zaden van groep 2 blijkt gelijk te zijn gebleven.

Leg uit waardoor de zaden van groep 1 zwaarder zijn geworden.

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Een proef met zaden.

Een leerling doet een proef met twintig zaden. Zij verdeelt de twintig zaden in twee groepen van tien (groep 1 en groep 2). De zaden van groep 1 wegen evenveel als de zaden van groep 2.
Zij legt de zaden van groep 1 op vochtige watten, in een glazen bak in het donker. Tijdens de proef blijven deze watten vochtig.
Zij legt de zaden van groep 2 op droge watten, in een glazen bak in het licht.

De leerling gebruikte de zaden van groep 2 als controlegroep.

Welke onnauwkeurigheid bevatte haar proefopstelling?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Maretak.
Zie figuur B 1619 van de bijlage.

Een maretak (zie de afbeelding) is een bijzondere plant die in Nederland in Zuid-Limburg voorkomt. Een maretak leeft op de stam of op de takken van bomen, zoals populieren. Aan deze plant met bladgroen komen in de herfst besjes. Een bloem levert maar één besje. De besjes worden gegeten door vogels. De kleverige zaden blijven daarbij aan hun snavels plakken. De vogels proberen ze eraf te krijgen door hun snavel langs takken van bomen te wrijven. De zaden blijven daarbij aan een tak kleven. Bij de ontkieming van een zaad dringt de jonge wortel de tak binnen. De wortel van de maretak staat in verbinding met de houtvaten van de boom.

Leg uit dat een maretak bij de gastheer alleen stoffen uit de houtvaten nodig heeft en niet uit de bastvaten.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Maretak.

Neemt een maretak in de zomer in de loop van een dag koolstofdioxide uit de lucht op?
En zuurstof?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Maretak.

Sommige bloemen zijn éénslachtig. Deze bloemen hebben alleen meeldraden of alleen stampers. Andere bloemen zijn tweeslachtig. Deze bloemen hebben zowel stampers als meeldraden.

Is uit de tekst af te leiden of de bloemen van de maretak éénslachtig of tweeslachtig zijn?
En zo ja, zijn ze dan éénslachtig of tweeslachtig?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Slaplanten en champignons.

Men vergelijkt welke stoffen door slaplanten en champignons uit het milieu worden opgenomen.

Kunnen slaplanten zuurstof opnemen?
En kunnen champignons dat?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Slaplanten en champignons.

Nemen slaplanten energierijke stoffen uit de bodem op?
En doen champignons dat?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Een blad.
Zie figuur B 3547 van de bijlage.

In de afbeelding is een doorsnede van een blad schematisch getekend. Enkele delen zijn genummerd.

Kunnen op alle genummerde plaatsen bladgroenkorrels voorkomen?
Zo nee, op welke plaatsen niet?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Een blad.
Zie figuur B 3547 van de bijlage.

Wordt in cel 1 in het licht glucose gevormd uit anorganische stoffen?
En wordt in deze cel in het licht glucose verbrand?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Een blad.
Zie figuur B 3547 van de bijlage.

Wordt in cel 2 in het licht zuurstof gevormd?
En in cel 4?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/4 Bladeren in kleurstofoplossing.
Zie figuur C 53 van de bijlage.

Drie jampotjes worden voor een deel gevuld met water waarin een rode kleurstof is opgelost.
In alle drie de potjes wordt een blad gezet. De bladeren zijn even groot en afkomstig van dezelfde plant. Van het blad in pot 2 is de bovenzijde ingesmeerd met vet. Van het blad in pot 3 is de onderzijde ingesmeerd met vet. Het blad in pot 1 is niet behandeld.
Na een dag blijkt dat het blad in pot 1 helemaal rood is. Het blad in pot 2 is iets minder rood en het blad in pot 3 is nauwelijks rood.

Wordt het transport van de gekleurde vloeistof in deze bladeren veroorzaakt door worteldruk, door zuigkracht of door beide?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/4 Bladeren in kleurstofoplossing.
Zie figuur C 53 van de bijlage.

Welk blad heeft na een dag het meeste water verdampt?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/4 Bladeren in kleurstofoplossing.
Zie figuur C 53 van de bijlage.

Aan welke kant van de bladeren zitten vermoedelijk de meeste huidmondjes?
Of zitten er aan beide kanten ongeveer evenveel?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

4/4 Bladeren in kleurstofoplossing.
Zie figuur C 53 van de bijlage.

In welke pot zal het waterpeil na een dag het minst zijn gezakt?

afbeeldingafbeelding