Oefentoets Biologie: Genetica - dihybried | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 4

Ontdek de digitale toets over erfelijkheid en genotypen, gericht op studenten biologie, met vragen over koppelingsgroepen, vruchtvormen en de overerving van eigenschappen bij verschillende organismen zoals cavia's, duiven en kanaries. Test je kennis en begrip van genetische principes en verhoudingen in de F2-generatie. - 20 vragen

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Aantal koppelingsgroepen in chromosomen

Koppelingsgroepen.
Zie figuur B 2399 van de bijlage.

In de figuur is de plattegrond getekend van drie paar homologe chromosomen in één kern, waarop de ligging van de allelen A t/m H en a t/m h is aangegeven.

Hoeveel koppelingsgroepen zijn in deze figuur weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Vruchtvormen en erfelijkheid

Vruchtvormen.

De vruchtjes van het herderstasje zijn rond of driehoekig.
Een kruising van een plant met driehoekige vruchtjes en een plant met ronde vruchtjes levert een F1 op met driehoekige vruchtjes.
Na zelfbestuiving van de F1 -individuen ontstaat een F2 waarin planten met driehoekige vruchtjes en een planten met ronde vruchtjes voorkomen in een verhouding van 15:1.

Hoeveel allelenparen zijn ten minste betrokken bij de totstandkoming van de vorm van de vruchtjes?

Genotypen van de P-generatie bij insecten

Aantallen haren.

Bij een insectensoort wordt het aantal haren (drie, vier of vijf) op het rugschild bepaald door twee onafhankelijk van elkaar overervende allelenparen (E, e; F, f). Er bestaan van deze soort drie homozygote rassen: met drie, vier of vijf haren.
Een homozygoot dier met vijf haren en een homozygoot dier met vier haren worden gekruist. In de F1 worden uitsluitend dieren met vijf haren gevonden.
Na onderlinge kruising van de F1 blijkt dat één zestiende deel van de talrijke nakomelingen op het rugschild drie haren heeft.

Wat zijn de genotypen van de dieren in de P-generatie?

Oogkleur en genotypen bij ratten

Oogkleur.

Bij ratten komt de oogkleur tot stand onder invloed van twee gekoppelde allelenparen. Als er van elk allelenpaar tenminste één dominant allel aanwezig is, dan heeft de desbetreffende rat een donkere oogkleur.
Als er van één of van elk van beide allelenparen alleen het recessieve allel aanwezig is, dan heeft de desbetreffende rat een lichte oogkleur. Homozygoot donkerogige ratten worden gekruist met homozygoot recessieve ratten. De F1 -dieren worden vervolgens weer gekruist met homozygoot recessieve soortgenoten. Uit deze laatste serie kruisingen ontstaan in totaal 450 donkerogige en 550 lichtogige nakomelingen.

Wat is het percentage nakomelingen met een genotype dat door crossing-over is ontstaan?

Erfelijkheid van Cavia-eigenschappen

1/3 Cavia's kruisen.

Gegeven een kruising van cavia's:

- zwart, gladharig x wit, ruwharig.

De F1 -dieren zijn alle zwart, ruwharig.

Hoe erven de eigenschappen over?

Genotypen van Cavia's bij Kruisingen

2/3 Cavia's kruisen.

Werk de genotypen uit tot en met de F2 .

Overerving van Duivenverentekening en -kleur

1/3 Duiven.
Zie figuur B 1410 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
Een bepaald ras sierduiven (Altstümmer Tuimelaars) kan wit, witpen of geëksterd zijn. In de afbeelding is de overerving van de verentekening en van de veerkleur weergegeven.
Homozygote witpen duiven (eenkleurig met witte buitenste slagpennen) worden gekruist met homozygote witte duiven. De talrijke nakomelingen vertonen alle een geëksterde tekening.
In de talrijke F2 die uit deze nakomelingen wordt gefokt, komen witpen, geëksterde en witte exemplaren voor in de verhouding 1 : 2 : 1.

De volgende twee verklaringen voor dit kruisingsresultaat worden geopperd:

1. Bij de beschreven kruising spelen twee onafhankelijk overervende allelenparen een rol; het ene allelenpaar bepaalt de kleur (witpen of wit), het andere allelenpaar bepaalt de verentekening (geëksterd of niet-geëksterd). De duiven in de F1 hebben zowel allelen voor kleurstof als voor geëksterd.
2. Bij de beschreven kruising spelen twee gekoppelde allelenparen een rol waartussen geen crossing-over optreedt: het ene allelenpaar bepaalt de kleur (witpen of wit), het andere allelenpaar bepaalt de verentekening (geëksterd of niet-geëksterd). De witpenduif uit de P-generatie heeft wel de allelen voor kleurstof, maar niet voor geëksterd. De witte duif uit de P-generatie heeft niet de allelen voor kleurstof, maar wel voor geëksterd.

Zie volgende scherm

Verhouding van fenotypen in F2 generatie

2/3 Duiven.

Geef een volledige en stapsgewijze uitwerking van beide verklaringen. Bereken voor elk van beide verklaringen welke verhouding van de fenotypen op grond van die verklaring in de F2 te verwachten is.

afbeeldingafbeelding

Juistheid van Verklaringen Beoordelen

3/3 Duiven.

Is op grond van deze berekeningen verklaring 1 of verklaring 2 juist?

Erfelijkheid van Haarkleur en Haarstructuur

1/3 Een kruising.

Gegeven een kruising van cavia's: zwart, gladharig x wit, ruwharig.

De F1 -dieren zijn alle zwart, ruwharig.

Hoe erven de eigenschappen over?

Genotypen en kruisingen tot F2

2/3 Een kruising.

Werk de genotypen uit tot en met de F2 .

Verhouding fenotypen in de F2 generatie

3/3 Een kruising.

Wat is de verhouding van de fenotypen in de F2 ?

Genotype van de ouderplant met gele zaden

1/3 Een kruising.

Men kruist een erwtenplant met gele, ronde zaden met een plant met groene kantige zaden.
Er ontstaan in de F1 vier verschillende fenotypen in de zaden.
Geel en rond zijn dominant.

Wat is het genotype van de ouderplant met gele, ronde zaden?

Genotypen van gele, ronde zaden

2/3 Een kruising.

Welke andere genotypen kunnen planten met gele, ronde zaden hebben?

Resultaat van terugkruising bij planten

3/3 Een kruising.

Wat is het resultaat (fenotype) van de terugkruising van planten met gele, ronde zaden met de dubbelrecessieve ouder?

Kruisen van Maïsplanten en F2 Generatie

Maïs kruisen.

Bij maïsplanten bestaat de bloeiwijze uit een bloeikolf in de oksel van een blad en waarop de vrouwelijke bloemen zitten. De mannelijke bloemen bevinden als een bloeipluim in de top van de plant.
Men kruist twee maïsplanten waarvan de maïskorrels zijn:

- zwart, geschrompeld en geel, glad.

In de F1 ontstaan planten waarvan de kolven geheel uit zwarte en geschrompelde korrels bestaan.

Geef met een kruisingsschema aan hoe de maïskolven in de F2 er uit zullen zien?

Kleur en patroonovererving bij runderen

Koeien kruisen.

Bij runderen bestaat het zogenaamde 'blaarkop'-type uit een dier met een egale lichaamskleur en een witte kop.
Gekruist worden twee homozygote runderen:

- rode, blaarkop koe x zwart, bonte stier.

Alle F1 -dieren zijn zwart en blaarkop.
Na onderlinge kruising van de F1 -dieren ontstaat een F2 met:

zwart, blaarkop,
zwart, bont,
rood, blaarkop,
rood, bont.

Hoe erven de kleur en het kleurpatroon bij runderen over? Verklaar deze uitspraak met een snelrekenschema.

Genotype van Leeuwenbekjes Kruising

1/2 Leeuwenbekjes.

Gegeven een kruising van leeuwenbekjes:

- rode, onregelmatige bloemen x witte, regelmatige bloemen.

De F2 ziet er als volgt uit:

119 rose, onregelmatig,
61 rode, onregelmatig,
21 rode, regelmatig,
62 witte onregelmatig,
39 rose, regelmatig,
18 witte, regelmatig.

Wat is het genotype van de ouders?

Geno- en fenotypen van F1-planten

2/2 Leeuwenbekjes.

Wat zijn de geno- en fenotypen van de F1 -planten?

Kleurverhouding bij kanaries in F2 generatie

Genetica van kanaries.

Bij kanaries bepalen drie genen, A, B en D, de kleur van de veren.
Zijn A, B en D alle drie minstens eenmaal dominant aanwezig, dan wordt de kanarie groen. Ontbreekt alleen het dominante allel B, dan wordt de kanarie bruin. Als alleen het dominante allel D ontbreekt, dan wordt de kanarie agaatkleurig. Als zowel B als D ontbreken en alleen A als dominant allel aanwezig is, dan wordt de kanarie isabelkleurig.
Een homozygoot groene mannetjeskanarie wordt gekruist met een homozygoot isabelkleurig vrouwtje. De F1 wordt onderling gekruist. De drie betrokken factoren erfelijk onafhankelijk van elkaar over.

Wat is de verhouding van de kleuren in de F2 ?