Oefentoets Biologie: Assimilatie-dissimilatie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 2

Deze digitale toets over energieprocessen en stofwisseling in organismen richt zich op studenten biologie en behandelt onderwerpen zoals fotosynthese, dissimilatie en de rol van verschillende organismen in ecosystemen. Ontdek de mechanismen achter de energiehuishouding in spierweefsel, planten en eencellige organismen. - 20 vragen

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Energieprocessen in spierweefsel

Processen in het spierweefsel.

Hieronder staat een aantal processen welke plaatsvinden in het spierweefsel:

1. de vorming van eiwitten uit aminozuren.
2. de vorming van glycogeen uit glucose.
3. de vorming van melkzuur uit glucose.
4. de vorming van vet uit vetzuren en glycerol.

Energie die de spier gebruikt voor het samentrekken komt vrij bij

Weefselkweek op steriele voedingsbodem

Weefsels gekweekt op een steriele voedingsbodem.

Weefsels van organismen kunnen op steriele voedingsbodems gekweekt worden.
Men slaagt erin een bepaald weefsel zich te laten ontwikkelen op zo'n steriele voedingsbodem, die in het licht is geplaatst.
Een voorwaarde daarbij blijkt te zijn dat de voedingsbodem glucose bevat.

Kan dit weefsel afkomstig zijn van een autotroof en/of van een heterotroof organisme?

afbeeldingafbeelding

Processen in een maïsplant

Processen in een maïsplant.

Bij een maïsplant vinden onder andere de volgende processen plaats:

1. koolstofassimilatie;
2. stikstofassimilatie;
3. dissimilatie.

Welke van deze processen kunnen uitsluitend in het licht en welke zowel in het licht als in het donker verlopen?

afbeeldingafbeelding

Vorming van glucose in organismen

Vorming van glucose uit andere stoffen.

Drie groepen organismen zijn:

1. autotrofe planten,
2. heterotrofe planten,
3. dieren.

In deze organismen is glucose aanwezig.

Bij welke van deze groepen organismen kan glucose worden gevormd uit één of meer andere stoffen?

Massa droge stof van aardappelknollen

Experiment met aardappelknollen
Zie figuur B 468 van de bijlage.

Bij een experiment wordt een aantal aardappelknollen gepoot.
De knollen hebben ieder dezelfde massa droge stof. Gedurende acht weken wordt telkens de massa droge stof bepaald van een knol en van de hieruit gegroeide stengels en bladeren. De droge stof is dat wat van de plant overblijft, wanneer al het water eruit is.

De resultaten van deze bepalingen zijn weergegeven in het afgebeelde diagram.

Waardoor neemt de massa droge stof van de knollen in de laatste vier weken vooral af?

afbeeldingafbeelding

Koolstofassimilatie versus dissimilatie

Verhouding tussen de koolstofassimilatie en de dissimilatie.

In de volgende vier situaties in Nederland wordt onderzocht hoe de verhouding is tussen de koolstofassimilatie en de dissimilatie:

1. bij een loofboom zonder bladeren in januari,
2. bij een loofboom in juli,
3. bij een ontkiemende tarwekorrel onder de grond,
4. bij een uitlopende aardappelknol in het donker.

In welke van deze situaties kan de intensiteit van de koolstofassimilatie groter zijn dan de intensiteit van de dissimilatie?

Levenscyclus van Ulothrix en energietransformatie

Een veelcellig draadwiertje (Ulothrix).
Zie figuur A 162 van de bijlage.

De afbeelding geeft de levenscyclus weer van een veelcellig draadwiertje (Ulothrix), dat in zoet water leeft. De cellen van een wierdraad zijn haploïd. Sommige cellen kunnen zich delen.
De cytoplasma-bolletjes die dan ontstaan, komen door een opening in de celwand naar buiten.
Ze vormen vier zweepharen en zwemmen weg: zwermsporen. Een zwermspore kan tot een nieuw draadwiertje uitgroeien.
Andere cellen kunnen gameten vormen. Een gameet heeft twee zweepharen. Een gameet afkomstig uit een bepaalde wierdraad kan versmelten met een gameet die uit een andere wierdraad afkomstig is. Zo ontstaat een zygote. Onder gunstige omstandigheden deelt deze
zygote zich en vormt vier sporen die zich ieder tot een nieuw draadwiertje ontwikkelen.

Kan in een zwermspore dissimilatie plaatsvinden?
En fotosynthese?

afbeeldingafbeelding

Afgifte van stoffen door organismen

Afgifte van stoffen.

Organismen geven stoffen aan hun milieu af. Enkele stoffen zijn: koolstofdioxide melkzuur en water.

Welke van deze stoffen kunnen zowel door planten met bladgroen als door een mens aan het externe milieu worden afgegeven?

Fotosynthese en zetmeelvorming in bladeren

Processen In groene bladcellen.

In groene bladcellen van één plant kunnen onder andere de volgende processen voorkomen.

proces 1: de vorming van glucose uit koolstofdioxide en water.
proces 2: De vorming van zetmeel uit glucose.

Welke van de genoemde processen kunnen plaatsvinden in twee verschillende groene bladeren waarvan de ene zich een tijdlang in het licht bevindt en de andere zich een lange tijd in het donker bevindt?

afbeeldingafbeelding

Fotosynthese en dissimilatie bij groene oogdiertjes

Het groene oogdiertje.

Het groene oogdiertje is een ééncellig organisme dat in het bezit is van bladgroen.
Afhankelijk van de omstandigheden kan het autotroof of heterotroof zijn.

Vindt onder omstandigheden waarbij een groen oogdiertje autotroof is, alleen fotosynthese plaats of ook dissimilatie?
Vindt onder omstandigheden waarbij een groen oogdiertje heterotroof is, alleen dissimilatie plaats of ook fotosynthese?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling bij eencellige wieren

Stofwisseling bij eencellige wieren.

Vier processen die bij organismen kunnen voorkomen, zijn:

1. chemosynthese
2. dissimilatie met zuurstof,
3. koolstofassimilatie
4. stikstofassimilatie.

Welke van deze processen komen voor bij eencellige wieren met bladgroen?

Verplaatsing van gassen in plantencellen

Verplaatsing van zuurstof en kooldioxide.
Zie figuur B 1695 van de bijlage.

In elke cel vindt de verplaatsing van de gassen zuurstof en kooldioxide gelijktijdig plaats.
Bij de schematisch weergegeven cellen is met pijlen aangegeven welke gassen in of uit de cel gaan.

Welk schema geldt voor een plantencel met bladgroenkorrels, die in het licht staat en welk schema geldt voor dezelfde cel in het donker?

afbeeldingafbeelding

Opname en productie van stoffen in organismen

Opname en productie van stoffen.
Zie figuur B 1715 van de bijlage.

In afgebeelde schema betekent een pijl naar het hokje toe dat genoemde stof wordt opgenomen en een pijl van het hokje af dat genoemde stof wordt geproduceerd.

Welke organismen worden door hokje I, respectievelijk door hokje II, voorgesteld?

afbeeldingafbeelding

Producenten en heterotrofen in een ecosysteem

Blauwe wieren en eencellige dieren.

In een bepaald meer leven blauw gekleurde wieren, die chlorofyl en een blauwe kleurstof bevatten. Deze wieren worden opgegeten door eencellige dieren, die geen andere voedselbron hebben.

Welke organismen worden tot de producenten gerekend: de blauwe wieren of de eencellige dieren?
Welke organismen zijn heterotroof: de blauwe wieren of de eencellige dieren?

afbeeldingafbeelding

Koolstofassimilatie bij organismen

Assimilatie en dissimilatie.

Over organismen worden de volgende uitspraken gedaan.

1. Bepaalde organismen kunnen licht als energiebron gebruiken voor de koolstofassimilatie.
2. Bepaalde organismen kunnen assimileren.
3. Bepaalde organismen kunnen organische stoffen opbouwen uit uitsluitend anorganische stoffen.
4. Bepaalde organismen kunnen energie die vrijkomt bij de omzetting van anorganische stoffen gebruiken voor de koolstofassimilatie.

Welke van deze uitspraken geldt niet alleen voor bepaalde maar voor alle organismen?

Vergelijking stofwisseling gisten en mens

Stofwisseling gisten & mens.

Een leerlinge vergelijkt de stofwisseling van gisten met die van de mens.
Ze onderscheidt de volgende processen:

1. stikstofassimilatie
2. dissimilatie van glucose met zuurstof,
3. dissimilatie van glucose zonder zuurstof.

Welk van deze processen komt of welke komen zowel bij gisten als bij de mens voor?

Beperkende factor voor koolstofassimilatie

Koolstofdioxide-opname en koolstofdioxide-afgifte.
Zie figuur B 346 van de bijlage.

De invloed van de verlichtingssterkte op de koolstofdioxide-opname en koolstofdioxide-afgifte van een toendraplant wordt onderzocht.
De resultaten zijn in het diagram weergegeven.

Wat is bij 10°C en verlichtingssterkte P de beperkende factor voor de koolstofassimilatie bij deze toendraplant?

afbeeldingafbeelding

Beperkende factor O2-afgifte bij planten

O2 -afgifte bij verschillende verlichtingssterkten.
Zie figuur B 388 van de bijlage.

In het diagram wordt het resultaat weergegeven van drie experimenten met één en dezelfde plant. Steeds werd de O2 -afgifte gemeten bij verschillende verlichtingssterkten.
Het CO2 -gehalte van de lucht waarin de plant stond, was in de drie experimenten verschillend.
De niet genoemde omstandigheden zijn bij alle drie de experimenten optimaal.

Wat is de beperkende factor van de O2 -afgifte bij een CO2 -gehalte van 0.01% en een verlichtingssterkte q?
En bij een CO2 -gehalte van 0.01% en een verlichtingssterkte r?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Energiebronnen van heterotrofe planten

Heterotrofe planten & energie.

Bepaalde heterotrofe planten betrekken hun energie van autotrofe planten.

In welke vorm?

Verband tussen lichtsterkte en kooldioxide-uitwisseling

Verlichtingssterkte en de opname of afgifte van kooldioxide.
Zie figuur B 316 van de bijlage.

In het afgebeelde diagram is het verband aangegeven tussen de verlichtingssterkte en de opname of afgifte van kooldioxide door een plant.

In traject P geldt dat

afbeeldingafbeelding