Oefentoets Biologie: Celleer | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 2

Deze oefentoets bevat 16 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

16

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Broeikaseffect

1/3 Koolstofdioxide.

De toename van de hoeveelheid koolstofdioxide in de lucht wordt een groot milieuprobleem genoemd. Sommige wetenschappers denken dat hierdoor de temperatuur op aarde stijgt. Zo'n temperatuurstijging kan ernstige gevolgen hebben voor het leven op aarde.

Door het planten van veel bossen zou de toename van het koolstofdioxidegehalte van de lucht geremd kunnen worden. Bomen kunnen de koolstof uit koolstofdioxide vastleggen in stoffen.

Noem drie groepen stoffen waarin bomen deze koolstof kunnen vastleggen.

Broeikaseffect

2/3 Koolstofdioxide.

Enkele menselijke activiteiten in Nederland zijn:

- opwekken van elektriciteit in met hout gestookte centrales,
- het verbouwen van snelgroeiende bomen,
- het vervoer van bomen naar een zagerij.

Welke van deze activiteiten dragen bij aan een stijging van het koolstofdioxidegehalte van de lucht ?

Broeikaseffect

3/3 Koolstofdioxide.

Vier groepen organismen zijn: bacteriën, dieren, planten en schimmels.

Welke van deze groepen organismen kunnen koolstofdioxide afgeven ?

Broeikaseffect

1/2 Broeikaseffect.

Koolstofdioxide is één van de gassen in de lucht die het broeikaseffect veroorzaken. Wetenschappers hebben van diverse landen berekend wat de gemiddelde koolstofdioxide-uitstoot per inwoner is. De onderstaande tabel geeft een deel van de resultaten weer.

afbeeldingafbeelding

Zie figuur A 800 van de bijlage.

Zet de bovenstaande gegevens uit in het staafdiagram.

afbeeldingafbeelding

Broeikaseffect

2/2 Broeikaseffect.

Koolstofdioxide ontstaat door het verbranden van fossiele brandstoffen. Het gebruik van fossiele brandstoffen neemt toe doordat steeds meer mensen op de aarde leven.

Noem nog een andere oorzaak voor de sterke toename van het gebruik van fossiele brandstoffen.

Broeikaseffect

1/3 Broeikaseffect.

Op internet staat de volgende informatie:

Fossiele brandstoffen zijn ontstaan uit vergane organismen van miljoenen jaren geleden. Opstoken van fossiele brandstoffen versterkt het broeikaseffect.

Drie brandstoffen zijn: gas, hout en olie.

Welke van deze brandstoffen zijn fossiele brandstoffen?

Broeikaseffect

2/3 Broeikaseffect.

Welk gas in de lucht is vooral verantwoordelijk voor het broeikaseffect?

Broeikaseffect

3/3 Broeikaseffect.

Wat is het belangrijkste gevolg van het broeikaseffect?

Broeikaseffect

Fossiele brandstoffen.

Verschillende stoffen werden vroeger en worden nu door de mens gebruikt als brandstoffen.
Voorbeelden hiervan zijn aardolie, benzine, hout en steenkool.

Welke van deze brandstoffen zijn fossiele brandstoffen?

Broeikaseffect

1/4 Bio-plastic.
Zie figuur A 480 van de bijlage.

Bioplastic is een nieuw soort verpakkingsmateriaal. Het wordt in fabrieken gemaakt van koolhydraten die uitsluitend afkomstig zijn van planten. Bioplastic kan na gebruik weer terug naar de fabriek of het kan in de vuilverbranding "schoon" worden verbrand.
De afbeelding geeft schematisch de kringloop weer waarvan bioplastic deel uitmaakt.

Is er, onder de stoffen die bij proces 1 betrokken zijn, één die verder in deze kringloop niet meer gebruikt wordt ?
Zo ja, welke ?

afbeeldingafbeelding

Broeikaseffect

2/4 Bio-plastic.
Zie figuur A 480 van de bijlage.

Enkele koolhydraten zijn: cellulose, glycogeen en zetmeel.

Welk van deze koolhydraten kan of welke kunnen ontstaan in de plant bij proces 2 van de kringloop ? (Zie de afbeelding)

afbeeldingafbeelding

Broeikaseffect

3/4 Bio-plastic.

Over bioplastic worden twee beweringen gedaan:

1. Bioplastic maakt deel uit van een koolstofkringloop.
2. Bioplastic kan gerecycled worden.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist ?

Broeikaseffect

4/4 Bio-plastic.

Noem twee groepen reducenten die voor de afbraak van bioplastic zorgen.

Broeikaseffect

1/2 Bio-plastic.

Bioplastic is een nieuw soort verpakkingsmateriaal. Het wordt in fabrieken gemaakt van het afval van aardappels. Bioplastic kan na gebruik weer terug naar de fabriek of het kan in de vuilverbranding ‘schoon' worden verbrand of het verteert in de grond.
Over bioplastic worden twee beweringen gedaan:

1. Bioplastic maakt deel uit van een kringloop.
2. Bioplastic kan gerecycled worden.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist ?

Broeikaseffect

2/2 Bio-plastic.

Noem twee groepen organismen die meehelpen bij de afbraak van bio-plastic.

Broeikaseffect

Compost uit afval.

Een deel van het Nederlandse afval wordt verbrand in grote afvalovens. Het warme water dat afkomstig is van de ovens wordt in sommige steden gebruikt om de huizen te verwarmen. Deze huizen met stadsverwarming hebben geen eigen gasgestookte verwarmingsketel meer.
Afvalverwerking in combinatie met stadsverwarming heeft enkele voordelen.
Bijvoorbeeld: met stadsverwarming is het aandeel van de stadsbewoners in het ontstaan van het 'broeikaseffect' kleiner dan bij afvalverwerking zonder stadsverwarming.

Leg in twee stappen uit waardoor dit zo is.