Oefentoets Biologie: Ordening | HAVO 4/HAVO 5 | variant 8

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ordening

2/3 'Surrogaatspechten'.
Zie figuur C 309 van de bijlage.

Op bepaalde eilandengroepen worden geen spechten aangetroffen; daar vindt men echter wel andere boombewonende insecteneters, zoals de spechtvink op de Galápagos-eilanden, de honingkruiper op Hawaii, de gevlekte opossum op Nieuw-Guinea en de aye-aye op Madagaskar (zie de afbeelding). De spechtvink en de honingkruiper behoren tot de vogels, de opossum tot de buideldieren en de aye-aye tot de placentale zoogdieren. Deze soorten hebben zich ontwikkeld uit voorouders op het vasteland. Naast deze manier van soortvorming kan er op het eiland zelf ook een nieuwe soort ontstaan die deze ecologische plaats (niche) op het eiland overneemt.
Drie factoren die bij soortvorming een belangrijke rol spelen, zijn:

l. isolatie,
2. mutatie,
3. natuurlijke selectie.

Aan welke factor of aan welke factoren moet tenminste zijn voldaan om op het eiland zelf de nieuwe soort die daar ontstaat, deze niche te laten overnemen van de soort die deze niche daarvóór op dit eiland innam?




-

afbeeldingafbeelding

Ordening

3/3 'Surrogaatspechten'.

Bij de gevlekte opossum is de vierde vinger verlengd, bij de aye-aye is de derde vinger verlengd. Zo'n extra lange vinger wordt gebruikt bij het vangen van insecten. Bij deze soorten is voor het vangen van insecten niet dezelfde vinger verlengd.

Welke verklaring hiervoor is juist?

Ordening

1/5 Het vrouwtje van Bakkum.
Zie figuur C 310 van de bijlage.

Van 1980 tot 1993 werd in de duinen bij Bakkum een zwarte specht (Dryocopus martius) gevolgd. Dit was een vrouwtje, het 'vrouwtje van Bakkum'. Het onderzoek leverde veel kennis op over het leven van deze vogelsoort. Zwarte spechten bezetten in oude bossen een territorium van minimaal 5 km2 . Ze leven van insecten die ze uit de spleten in de bast van de dennen halen. Ze slapen in abelen (zilverpopulieren). In de vrij zachte stam van zo'n abeel wordt een gat uitgehakt, dat als slaap- en nestholte dient.
Het vrouwtje van Bakkum deelde lange tijd een slaapboom met een groene specht (Picus viridis) en een grote bonte specht (Dendrocopos major). Deze vogels eten allemaal insecten.
Uit het onderzoek bleek verder dat de volgorde waarin ze gingen slapen vastlag: eerst de groene specht, dan de zwarte specht en tenslotte de grote bonte specht. Als de groene specht toch eens laat arriveerde werd de vogel flink afgetuigd door de grotere zwarte specht. Na enige tijd kwam de groene specht altijd eerder naar de slaapboom dan de zwarte specht.

(Bron: Bewogen kustlandschappen, Roos R. 60-63)

Tot hoeveel soorten horen de in de tekst genoemde spechten? tot [invulveld] soorten (antwoord in een getal)
En tot hoeveel genera (geslachten)? tot [invulveld] genera




-

afbeeldingafbeelding

Ordening

2/5 Het vrouwtje van Bakkum.

Over de grootte van het territorium van de zwarte specht worden drie beweringen gedaan:

Bewering 1: de zwarte specht heeft zo'n groot territorium om aan voldoende voedsel te komen;
Bewering 2: de zwarte specht heeft zo'n groot territorium nodig omdat hij zeldzaam is in de duinen;
Bewering 3: sterke vogels bezitten altijd grote territoria.

Welke bewering is juist?

Ordening

3/5 Het vrouwtje van Bakkum.

De groene specht leerde op tijd bij de slaapboom aan te komen.

Met welke term wordt dit type leergedrag aangeduid?

Ordening

4/5 Het vrouwtje van Bakkum.
Zie figuur C 310 van de bijlage.

De grote bonte specht is, anders dan zijn naam doet vermoeden, veel kleiner dan de groene en de zwarte specht.

Leg aan de hand van de afbeelding uit waardoor de zwarte specht bij de slaapboom wel agressief gedrag vertoont ten opzichte van de groene specht maar niet ten opzichte van de grote bonte specht, als die gelijktijdig bij de slaapboom aankomt.

afbeeldingafbeelding

Ordening

5/5 Het vrouwtje van Bakkum.

Het vrouwtje van Bakkum werd regelmatig lastiggevallen door kauwtjes, die probeerden haar nestholte in te nemen. Jaarlijks werden enkele van haar jongen uit het nest geroofd door een boommarter.
Tussen organismen komen verschillende relaties voor zoals bijvoorbeeld commensalisme, competitie, mutualisme, parasitisme en predatie.

Met welke van de genoemde termen geeft men de relatie aan tussen deze kauwtjes en de zwarte specht?
En met welke term geeft men de relatie aan tussen de boommarter en de jongen van de zwarte specht?

tussen deze kauwtjes en de zwarte specht: [invulveld]
tussen de boommarter en de jongen van de zwarte specht: [invulveld]

Ordening

1/5 Gemixte vliegenvangers.
Zie figuur B 3613 van de bijlage.

Tekst:
De doctoraalstudent biologie Thor Veen baarde opzien met een artikel in het befaamde tijdschrift Nature. Hij deed onderzoek aan twee groepen vliegenvangers: de Bonte vliegenvanger (Ficedula hypoleuca) en de Withalsvliegenvanger (Ficedula albicollis) (zie de afbeelding). Beide groepen vliegenvangers leven van insecten. In principe leven ze in verschillende gebieden, maar onder andere op de Zweedse eilanden Öland en Gotland is een geringe overlap. De Withalsvliegenvanger domineert daar: 95% van alle daar levende vliegenvangers behoort tot deze groep. Onderling komen kruisingen voor: vrouwtjes van de Bonte vliegenvanger paren met mannetjes van de Withalsvliegenvanger. De vrouwtjes kiezen alleen mannetjes die een territorium hebben verworven.

(bewerkt naar: Marcus Werner, Paren met een andere soort is zo slecht nog niet, Bionieuws 9, mei 2001
bron: Petersons vogelgids van alle Europese vogels, 24ste druk, 1999, plaat 80)


Uit welk gegeven in de tekst kun je afleiden dat het vreemd is dat er op Öland en Gotland paringen voorkomen tussen de Bonte vliegenvanger en de Withalsvliegenvanger? Leg je antwoord uit.




-

afbeeldingafbeelding

Ordening

2/5 Gemixte vliegenvangers.

Op die eilanden komen bovengenoemde paringen vrijwel alleen voor tussen het vrouwtje van de Bonte vliegenvanger en het mannetje van de Withalsvliegenvanger.

Leg met behulp van een gegeven uit de tekst uit waardoor de omgekeerde paring op de Zweedse eilanden niet vaak voorkomt.

Ordening

3/5 Gemixte vliegenvangers.

Veen deed onderzoek aan deze niet veel voorkomende paarvorming tussen mannetjes van de Bonte vliegenvanger en een vrouwtje van de Withalsvliegenvanger. Mannelijke nakomelingen van zulke paartjes kregen op hun beurt een nageslacht met meer zonen dan dochters, terwijl deze dochters ook nog steriel bleken te zijn. Veen gebruikte bij zijn onderzoek ook moleculaire technieken.

Welk type molecuul wordt onderzocht om het vaderschap van zo'n steriele dochter te achterhalen?

Ordening

4/5 Gemixte vliegenvangers.

Een tweede verrassende ontdekking was dat bij het onderzoek van broedsels van een withalsvrouwtje en een bont mannetje bleek dat de helft van de jongen toch een Withalsvliegenvanger als vader had: de vrouwtjes waren 'vreemdgegaan'.

Noem een biologisch voordeel van dit 'vreemdgaan'.

Ordening

5/5 Gemixte vliegenvangers.
Zie figuur C 338 van de bijlage.

Bekijk de afbeelding (kaarten met broedgebieden).
Veen wilde weten of hij op Öland en Gotland iets uitzonderlijks had ontdekt. Daarom wilde hij zijn resultaten in een ander gebied bevestigd zien.

In welke van de volgende gebieden moest hij zijn onderzoek herhalen om uit te sluiten dat het om een plaatsgebonden verschijnsel gaat?

afbeeldingafbeelding

Ordening

Determinatie.
Zie figuur B 2771 van de bijlage.

Alle organismen zijn ingedeeld in vier groepen die men rijken noemt. Er is nog een vijfde groep, maar die wordt niet tot de organismen gerekend. Door gebruik te maken van het schema in de afbeelding kan men deze vijf groepen, aangeduid met P, Q, R, S en T determineren.

Noteer de letters P, Q, R, S en T onder elkaar op je antwoordblad en vermeld achter de letters de namen van de vijf bijbehorende groepen.

afbeeldingafbeelding

Ordening

1/3 Een amoebe.
Zie figuur B 2 van de bijlage.

In de afbeelding is een amoebe getekend die een groenwiertje insluit.

Welke van de stoffen cellulose, chitine, eiwitten en vetten maakt of welke maken deel uit van de laag die met P is aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Ordening

2/3 Een amoebe.

Deze amoebe verteert het groenwiertje volledig in een voedselvacuole.

Zal de amoebe daarbij chitineverterende, eiwitverterende, koolhydraatverterende en/of vetverterende enzymen afscheiden in de voedselvacuole?

Ordening

3/3 Een amoebe.
Zie figuur B 1458 van de bijlage.

Een amoebe heeft een kloppende vacuole met behulp waarvan stoffen uit de cel kunnen worden verwijderd. Het aantal klopbewegingen van deze vacuole hangt samen met de concentratie van opgeloste deeltjes in het water waarin de amoebe zich bevindt.

Het diagram in de afbeelding geeft het verband weer tussen het aantal klopbewegingen van deze vacuole en de concentratie NaCl in het water rond de amoebe.

Wordt door het kloppen van de vacuole vooral CO2 , vooral NaCl of vooral water uit de amoebe verwijderd?

afbeeldingafbeelding

Evolutie

1/4 Evolutionaire aanpassingen van het rendier.
Zie de figuren C 352 en B 3829 van de bijlage
afbeeldingafbeelding
Dieren die in de loop van de tijd succesvol geëvolueerd zijn, vertonen soms anatomische aanpassingen. Verschillende kenmerken van bijvoorbeeld rendieren, zoals de vacht en platte poten wijzen erop dat zij al in een vroeg stadium van hun evolutie, aangepast waren om in een koud gebied en diepe sneeuw of op een andere zachte ondergrond te lopen. De nu nog levende soort Rangifer tarandus is het meest voorkomende hoefdier in Scandinavië, Noord-Rusland en de arctische gebieden van Noord-Amerika, waar hij kariboe wordt genoemd (zie de afbeelding). De verschillende rassen van deze rendiersoort zoals het Svalbard rendier en het Noorse rendier en hun leefgebieden worden met de letters P t/m U aangegeven.

Gedurende de geologische periode ‘het Pleistoceen' waren wolven de belangrijkste roofdieren voor de rendieren. Zelfs nu nog vormen de rendieren in Canada en Alaska het voornaamste voedsel voor de wolf.
In de Svalbard archipel (gebied Q in afbeelding C 352) komen geen wolven en ook geen andere roofdieren, zoals de hyena of de mens, voor. Er zijn ook geen fossiele vondsten gedaan die aangeven dat deze dieren ooit op de eilanden zijn geweest. De enige andere grote carnivoor, de ijsbeer, die deze eilanden zwemmend kan bereiken, eet zeehonden en zelden of nooit een rendier.
afbeeldingafbeelding
Het Svalbard rendier (zie de afbeelding links) leeft in kleine groepjes. De volwassen mannetjes leven solitair. Het Noorse rendier (zie de afbeelding rechts) leeft in grote kudden van meer dan 1000 dieren die honderden kilometers afleggen om steeds gebieden te vinden die genoeg voedsel bevatten.

Zie volgende scherm




-

Evolutie

1/4 Een bij met een rugzak.
Zie figuur A 1040 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
In de Dominicaanse Republiek heeft een bioloog een stuk barnsteen (versteende hars) van 15 tot 20 miljoen jaar oud gevonden met daarin een angelloze bij met een pakketje stuifmeelkorrels van een orchidee op haar rug (zie de afbeelding).
Uitgaande van dit stukje barnsteen heeft de onderzoeker geprobeerd om de ouderdom van de plantenfamilie van de Orchideeën opnieuw vast te stellen.
Orchideeën behoren tot een van de soortenrijkste plantenfamilies met een verspreiding over de hele wereld. Over de evolutie ervan is weinig bekend, omdat fossielen van orchideeën ontbreken. De angelloze bij uit het stukje barnsteen werd gedetermineerd als Problebeia dominicana, een uitgestorven soort. De bioloog determineerde de stuifmeelkorrels. Uit dit onderzoek bleek dat deze toebehoorden aan de orchidee Meliorchis caribea. Omdat de bij de stuifmeelkorrels op haar rug droeg veronderstellen de onderzoekers dat de bouw van de bloem van Meliorchis caribea verschilde van de bloem van ‘moderne' verwante orchideeën. Deze ‘moderne' bloemen zijn zo gebouwd, dat hun stuifmeelpakketjes geplakt worden op de monddelen van de bijen.

Zie volgende scherm




-

Schimmels

1/4 Leven van radioactieve straling.

Sommige schimmels groeien opvallend goed in een radioactief besmet gebied. Niet zo gek, want deze schimmels blijken straling als energiebron te gebruiken.

Onderzoekers ontdekten dat in het zeer radioactieve gebied rondom de in 1986 ontplofte kernreactor van Tsjernobyl opvallend veel zwarte schimmels voorkomen. Dat sommige schimmels niet doodgaan in een radioactieve omgeving was al bekend. Maar nu blijkt dat ze de stralingsenergie kunnen omzetten in energie om te groeien, is dat groot nieuws. Volgens de onderzoekers maken de zwarte schimmels hierbij gebruik van melanine. Zij vergeleken schimmels zonder melanine en schimmels met melanine terwijl ze bestraald werden door een radioactieve bron. De schimmels met melanine groeiden onder deze condities sneller dan de schimmels zonder dit pigment.

Melanine is ook het pigment in de huid waardoor we bruin kunnen worden in de zon. Van de stof is bekend dat het een beschermende werking heeft tegen UV, röntgen en radioactieve straling. Maar blijkbaar doet het in deze zwarte schimmels nog meer. Het blijkt dat dit pigment van structuur verandert wanneer het door radioactieve straling wordt getroffen en dat het de energie kan overdragen op andere stoffen in de cel. De zo verkregen energie wordt gebruikt voor de aanmaak van organische stoffen en voor allerlei andere celprocessen.
Dit mechanisme doet denken aan de wijze waarop planten chlorofyl inzetten om energie te verkrijgen uit licht.
De zwarte schimmels uit het onderzoek maken met behulp van de energie uit radioactieve straling zelf organische stoffen.

Hoe noem je de voedingswijze van normale schimmels en hoe zou je de verkregen voedingswijze van de zwarte schimmels bij Tsjernobyl noemen?

afbeeldingafbeelding



-

Schimmels

2/4 Leven van radioactieve straling.

Vóór de ontploffing in de kerncentrale van Tsjernobyl, waarbij radioactieve straling vrijkwam, kwamen er in dat gebied voornamelijk schimmels voor zonder melanine. Zowel mutatie, migratie als selectie kunnen een rol gespeeld hebben bij de verandering van de schimmelpopulaties na de ramp.

Voor welke twee van deze drie processen is de radioactieve straling van betekenis? Leg voor beide processen je antwoord uit.