Oefentoets Biologie: Ecologie - algemeen | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 90 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

90

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

De Oosterscheldedam.

Tekst:
De Oosterschelde is een zeearm. Bij laag water zijn grote delen van de Oosterschelde drooggevallen. Op de grote zandige platen die dan zichtbaar zijn, krioelt het van de vogels die op zoek zijn naar wormen en schelpen in de bodem. Door de vloed worden de vogels verdreven en kunnen de talrijke wormen en schelpdieren de microscopisch kleine algen en diertjes vangen die in het zeewater rondzweven.
In de Oosterschelde is een waterdoorlatende dam gebouwd. De Oosterscheldedam gaat alleen met storm helemaal dicht. Door de dam verandert het waterpeil bij hoog en laag water minder dan vroeger. Daardoor is het deel dat bij laag water droogvalt kleiner geworden.
Een bepaalde plaats in de Oosterschelde valt tegenwoordig nog maar zelden droog. Op die plaats zitten meer wormen in de bodem dan voor de komst van de dam.

Welke twee biotische factoren houden verband met deze toename van het aantal wormen?
Welke invloed heeft elke factor op het aantal wormen?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Juist of onjuist.

1. Door een laag geboortecijfer kan de populatiedichtheid toenemen. [invulveld]

2. Door immigratie kan de populatiedichtheid toenemen. [invulveld]

3. Elke populatie in een ecosysteem vertoont exponentiële groei. [invulveld]

4. Als een soort zich nieuw in een ecosysteem vestigt waar veel natuurlijke vijanden aanwezig zijn, vindt populatiegroei plaats volgens een J-vormige kromme. [invulveld]

5. Als een soort zich nieuw in een ecosysteem vestigt en er vindt populatiegroei plaats volgens een J-vormige kromme plaats, zal de populatie na enige tijd instorten. [invulveld]

6. Elke populatie in een ecosysteem heeft zijn eigen habitat. [invulveld]

7. Zie figuur B 1233 van de bijlage.

Bij een groeicurve zoals in de figuur is weergegeven, is er sprake van een plaag. [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/4 Een reisje langs de Rijn.
Zie figuur D 12 van de bijlage.

In de bijlage zie je de verdeling van vissoorten over verschillende zones als je de Rijn afzakt van Zwitserland naar Nederland. Iedere vissoort heeft een eigen plek in het riviersysteem. De bovenste drie rijen vissen in de afbeelding laten pure zoetwatervissen zien. Zij leven en planten zich voort op één bepaalde plaats. Daaronder zie je zoutwatervissen (zoals zalm of steur) die door de jaarlijkse voortplantings- of paaidrang een deel van hun leven in zoet water doorbrengen. Zij zwemmen de rivier op tot ze een geschikte paaiplek vinden.
Omgekeerd zijn er ook zoetwatervissen (zoals bot) die richting zee zwemmen in de paaitijd (=voortplantingstijd).
------- geeft de paaizone aan.

Biologen onderzoeken de diversiteit aan vissoorten in de Rijn. In de verschillende zones vangen ze elke maand vis. Na een jaar wordt per zone de diversiteit aan vissoorten genoteerd.

In welk van de volgende zones is op grond van de afbeelding in de bijlage de diversiteit aan vissoorten het laagst?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Een reisje langs de Rijn.

Leerling 1 bestudeert de vissen uit de barbeelzone. Hij trekt de conclusie dat voor vissen als sneep en alver het tolerantiegebied voor zomertemperatuur in die zone tussen 15°C en 18°C ligt.
Leerling 2 trekt de conclusie van leerling 1 in twijfel. Volgens hem kunnen ook andere abiotische factoren ervoor zorgen dat sneep en alver alleen in de barbeelzone van de Rijn voorkomen.

Noem twee abiotische factoren die hiervoor kunnen zorgen.

Ecologie

3/4 Een reisje langs de Rijn.
Zie figuur D 12 van de bijlage.

Deze twee leerlingen bestuderen de afbeeldingen in de bijlage.
Leerling 1 zegt: Het vetje heeft een smaller tolerantiegebied voor de factor zoutconcentratie dan de fint;
Leerling 2 zegt: De zeeprik en het bermpje hebben hetzelfde tolerantiegebied voor de factor temperatuur.

Welke leerling heeft of welke leerlingen hebben op grond van de afbeelding gelijk?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Een reisje langs de Rijn.
Zie figuur B 3791 van de bijlage.

In de afgelopen eeuw is de waterkwaliteit in de Rijn door vervuiling nogal veranderd. De waterkwaliteit in de Rijn wordt onder andere bepaald met behulp van vissen (biomonitoring). In de afbeelding is weergegeven hoe dat gebeurt.
Er wordt gemeten hoe vaak de vissen de sensor raken wanneer er rivierwater door het apparaat wordt gepompt. Naarmate het water vervuilder is, zijn de vissen zwakker en raken ze vaker de sensor. Om vast te stellen of water vervuild is, is een controlemeting nodig.

Hoe dient deze controlemeting te worden uitgevoerd?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/6 De Atitlánfuut.
Zie figuur B 3616 van de bijlage.

afbeeldingafbeelding

Tekst:
In Midden-Amerika komen futensoorten voor, die niet kunnen vliegen. Eén daarvan was de Atitlánfuut, Podylimbus gigas, nauw verwant aan de gewone Amerikaanse fuut, Podylimbus podiceps, die wel kan vliegen. De Atitlánfuut is sinds 1990 niet meer waargenomen. Zijn verspreidingsgebied was beperkt tot het Atitlánmeer in Guatemala. Hij leefde er van vis. Er wordt aangenomen dat hij is uitgestorven. Elders, in Zuid-Amerika, komen nog wel niet-vliegende futen voor.
Aangenomen wordt dat het verspreidingsgebied van de gewone Amerikaanse fuut in de IJstijden zuidelijker heeft gelegen. De Atitlánfuut is, zo denkt men, na de laatste IJstijd ontstaan uit een populatie achterblijvers, die langzamerhand het vliegvermogen heeft verloren. De niet-vliegende futen hebben in het voedselarme meer waarschijnlijk meer voordeel gehad doordat zij geen grote vleugels en zware vliegspieren aanlegden. De Atitlánfuut bezit wel vleugels maar ze zijn te klein om er mee te vliegen. En zelfs al zou hij dat kunnen dan is op 2000 meter hoogte de lucht te ijl en zijn de bergen rond het Atitlánmeer te hoog voor hem om weg te vliegen. In de jaren zestig werd de Atitlánfuut voor het eerst bedreigd met uitsterven. Oorzaak was toen het maaien van de rietvelden.
De fuut had riet nodig, niet alleen om in te nestelen maar ook als beschutting tegen de wind. De indianen gebruikten het riet om er matten en meubels van te maken en maaiden het riet aanvankelijk op ieder moment. Toen ze overgingen tot het regelmatig, ééns per jaar maaien van het riet, herstelde de populatie zich weer.

Zie volgende scherm

Ecologie

2/6 De Atitlánfuut.

In andere meren in Guatemala is geen nieuwe soort fuut ontstaan. Bij soortvorming in het algemeen zijn naast natuurlijke selectie nog andere processen nodig.

Welke twee processen zijn samen met natuurlijke selectie noodzakelijk voor het ontstaan van een nieuwe soort als de Atitlánfuut?

Ecologie

3/6 De Atitlánfuut.

Factoren die van invloed zijn op de omvang van populaties zijn:

1. emigratie;
2. immigratie;
3. geboortecijfer;
4. sterftecijfer.

Welk van deze factoren werd of welke werden bevorderd toen de indianen overgingen van het op ieder willekeurig moment maaien naar het maaien eens per jaar?

Ecologie

4/6 De Atitlánfuut.

Aan het eind van de jaren zestig werd roofbaars in het meer uitgezet. Dit leidde aanvankelijk niet tot problemen. Voor de indianen betekende het eten van die vis een aanzienlijke aanvulling op hun eenzijdige maïsmenu.

Noem een voedingsstof uit de roofbaars die een aanzienlijke aanvulling betekende op het éénzijdige maïsmenu van de indianen.

Ecologie

5/6 De Atitlánfuut.

In 1976 vond een ramp plaats: bij een grote aardbeving moet er een barst in de bodem van het meer zijn ontstaan. Sinds die tijd zakt het water gemiddeld 30 cm per jaar. De rietvelden verdwenen doordat ze het tempo van het zakken van het water niet bij konden houden. De roofbaarzen aten de kleinere vissen op. De futen verloren hun broedgelegenheid en stierven letterlijk van de honger. De jongen van de futen die nog uit het ei kwamen werden bovendien opgegeten door de roofbaars.

Met welk begrip of met welke begrippen kunnen de relaties tussen de Atitlánfuut en de roofbaars worden aangeduid?

Ecologie

6/6 De Atitlánfuut.

Noem twee biotische factoren die medeverantwoordelijk zijn geweest voor het uitsterven van de Atitlánfuut. Zet erachter waaruit die invloed bestond.

Ecologie

1/5 PLANTEN STERVEN UIT DOOR BOSBRANDEN.
'Smog boven regenwoud Amazone veel erger dan die boven Zuidoost-Azië'
De bosbranden op de Indonesische eilanden zullen tot gevolg hebben dat planten- en insectensoorten voorgoed van de aardbodem verdwijnen.

De bosbranden in Sumatra en Kalimantan worden ieder jaar veroorzaakt door grote houtvesterijen die minder lucratieve houtsoorten in het regenwoud in brand steken. Dit jaar zijn de effecten extra hevig door de lang aanhoudende droogte, veroorzaakt door 'El Niño', een warme golfstroom die tijdelijk het klimaat beïnvloedt.
Tienduizend brandweerlieden, onder wie duizend man uit Maleisië, doen verwoede pogingen de meer dan honderd vuurhaarden te bestrijden. Tot nu toe lijken zij geen enkele vooruitgang te boeken. Geschat wordt dat er inmiddels tussen de 500.000 en 800.000 hectare bos en struikgewas in vlammen is opgegaan.
(NRC-Handelsblad, 16 september 1997).

[...] Ongetwijfeld zijn door de branden al bepaalde planten en dieren verdwenen. Sommige planten zijn endemisch, wat betekent dat ze slechts op één bepaalde plek in de wereld voorkomen. Wanneer zo'n gebied door brand wordt verwoest, verdwijnen ze voorgoed, meestal samen met een insectensoort die uitsluitend deze plant bestuift."
[...] "In Maleisië is een kentering aan de gang. De plaatselijke kranten schrijven dagelijks over nieuwe en meer milieuvriendelijke methoden van houtkap. Een van die methoden bestaat hierin dat zware helikopters omgekapte woudreuzen oppakken en wegbrengen. Een methode met een prijskaartje, maar je hoeft dan niet hele bosgebieden plat te branden om een paar bomen weg te slepen." [...]
(Brabants Dagblad, 1 oktober 1997).

[...] De bosbranden zullen tot een natuurramp van onvoorstelbare omvang leiden, meent Rizal Roy van het Maleisische Natuurgenootschap. Dieren en vogels kunnen misschien wel aan de vlammen ontsnappen, maar niet aan de smog. De bijen in Noord-Borneo verliezen door de smog hun oriëntatievermogen. Ze eten minder, produceren minder honing en verder bestuiven ze minder gewassen, zodat uiteindelijk de planteneters minder te eten zullen krijgen. Gevreesd wordt ook voor het leefgebied van de op Sumatra en Borneo levende orang-oetans.
(De Telegraaf, 27 september 1997).

Amazone
De zwarte rookwolken die oprijzen uit bosbranden in het regenwoud in het Amazonegebied zijn trouwens nog veel omvangrijker en dikker dan de dampen die het gevolg zijn van de bosbranden in Indonesië. Dit zegt het Braziliaanse Nationale Instituut voor Ruimte-onderzoek (INPE). "In het Amazonegebied stichten de boeren steeds vaker bosbranden om hun land zaaiklaar te maken. Op beelden van een Amerikaanse satelliet is volgens het INPE te zien dat vorige maand in de Amazonewouden 13.200 branden en brandjes woedden. De immense rookwolken belemmeren het zicht in het miljoenen vierkante kilometers grote gebied zodanig dat vliegvelden het grootste deel van de tijd gesloten zijn. De lucht is er nog smeriger dan in de grote industriestad Sao Paolo.
Op sommige plaatsen is de hoeveelheid zonlicht die de aarde bereikt 30 procent lager dan normaal.
(Brabants Dagblad, 1 oktober 1997).

Zie volgende scherm

Ecologie

2/5 PLANTEN STERVEN UIT DOOR BOSBRANDEN.

[...] "Die smogwolken kunnen nog wel een maand blijven hangen, misschien wel drie maanden", vreest dokter Paul Leeflang. Ze verwachten de moesson niet eerder dan medio oktober.
(De Telegraaf, 26 september 1997).

[...] De autoriteiten hebben in een brief gewaarschuwd dat de problemen nog kunnen verergeren door het uitblijven van de regens. Morgen zal in de buurt van de stad Pekanbaru op Sumatra worden geprobeerd op kunstmatige manier regenval te veroorzaken. Volgens de krant The Indonesian Times zullen daartoe twee militaire vliegtuigen gedurende dertig dagen acht maal per dag opstijgen om telkens 800 kilo van een zoutoplossing in de wolken te verspreiden. De hoop is dat de rook door de kunstmatige regen zal neerslaan. Meteorologen voorspellen dat de droogte dit jaar zal voortduren tot november.
(NRC-Handelsblad, 16 september 1997).

Zie volgende scherm

Ecologie

3/5 PLANTEN STERVEN UIT DOOR BOSBRANDEN.
Zie figuur C 174 van de bijlage.

Gesteld dat de verwachte droogte inderdaad tot november aanhoudt en de smogwolken de gevreesde drie maanden blijven hangen, zal dat onder andere van invloed zijn op de assimilatie in planten in de getroffen gebieden (Zie figuur C 174 van de bijlage.)

Teken een grafiek met op de x-as de tijd, te beginnen op 1 september en eindigend op 1 maart, waarin de vermoedelijke hoeveelheid gevormde glucose door planten wordt weergegeven (geen glucosegetallen geven).

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/5 PLANTEN STERVEN UIT DOOR BOSBRANDEN.

In de tekst worden twee effecten genoemd die de groep van de geleedpotigen treffen.

Welke effecten zijn dat?

Ecologie

5/5 PLANTEN STERVEN UIT DOOR BOSBRANDEN.

Normaal groeit een afgebrand bos in verloop van ± 10 jaar weer uit tot nieuw bos. De branden in Indonesië woeden zolang omdat het bos niet alleen bovengronds brandt maar de bodem ter plaatse vooral uit veen bestaat en zelf ook gaat branden.

Waarom zal het opgroeien van nieuw bos in Indonesië door de omstandigheden extra vertraagd kunnen worden?

Ecologie

1/4 Vegetatiezones.
Zie figuur B 3624 van de bijlage.

In het Andesgebergte in Colombia vind je verschillende vegetatiezones. Van laag naar hoog: tropisch bos, bergbos, struikpáramo (een zone met voornamelijk struikgewas) en ten slotte páramo (een soort alpenweide zonder bomen en struiken). Daarboven is geen vegetatie meer, maar bevindt zich eeuwige sneeuw (zie de afbeelding).

Abiotische milieufactoren zijn water, licht, bodem, temperatuur, wind en lucht.

Welke abiotische factor is vooral verantwoordelijk voor het opschuiven van de verschillende vegetatiezones in de Andes?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Vegetatiezones.
Zie figuur B 3624 van de bijlage.

Onder biodiversiteit wordt hier verstaan het aantal verschillende soorten in een ecosysteem. In bovenstaande afbeelding zijn vier zones aangegeven met de letters P, Q, R en S.

In welke zone is de biodiversiteit het kleinst?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/4 Vegetatiezones.

Bogotá ligt op een hoogvlakte op 2550 meter boven zeeniveau. Vroeger was deze hoogvlakte de bodem van een meer tussen twee bergruggen; 30.000 jaar geleden viel dit meer droog.
Op de hoogvlakte zijn stuifmeelkorrels te vinden van planten die vroeger rond het meer stonden en van planten die op de berghellingen stonden. Iedere plantensoort heeft zijn eigen type stuifmeelkorrels (pollenkorrels). Door pollenanalyse wordt bepaald wat het aandeel is van de verschillende typen stuifmeelkorrels in de lagen die op de bodem van het meer zijn afgezet.

Onder welke omstandigheden blijven stuifmeelkorrels het best bewaard?

Ecologie

4/4 Vegetatiezones.

De vegetatie rond het meer veranderde toen het meer droogviel. Sommige plantensoorten werden verdrongen door andere soorten (I); sommige soorten veranderden geleidelijk en uit deze soorten ontwikkelden zich weer nieuwe soorten (II).

Kan een verschil in tolerantie een oorzaak zijn van proces I?
Kan een verandering in tolerantie een gevolg zijn van proces II?

afbeeldingafbeelding

Ecologie en evolutie

1/3 Poema op de Veluwe.

Enkele jaren geleden kwam in het nieuws dat er een poema op de Veluwe zou zijn gesignaleerd. Het zou gaan om een ontsnapt of een in het wild uitgezet dier. Na een zoekactie van enkele weken bleek het een groot formaat verwilderde huiskat te zijn.
De poema is een katachtige, die vrijwel in heel Amerika voorkomt. Het dier voelt zich zowel thuis in de bergen, op de prairie, in moerassige streken als in het bos.
Het leefgebied van de poema bestrijkt verschillende klimaatzones. De poema heeft een uitgebreid voedselpakket, variërend van insecten tot grote hoefdieren.
Volgens de eerste berichten over de poema op de Veluwe zou dit roofdier al een aantal jaren in ons land verblijven. Nederland is echter niet het natuurlijke leefgebied van de poema. Sinds 1890 zijn de wolf en de lynx hier officieel uitgestorven verklaard.
Sindsdien zijn er op de Veluwe geen grote predatoren meer die de omvang van de populatie grote herbivoren (herten, reeën en moeflons) op peil houden. Een poema zou misschien hun plaats kunnen innemen.

In onderstaande tabel worden enkele factoren vergeleken van het natuurlijke leefgebied van de poema met die van de Veluwe.
afbeeldingafbeelding
Over de overlevingskansen van de poema op de Veluwe worden de volgende beweringen gedaan:

Bewering 1: De gegevens van de abiotische factor op de Veluwe vallen binnen de tolerantiegrenzen van de poema.
Bewering 2: De gegevens van de biotische factor op de Veluwe geven aan dat de poema er niet kan leven.

Welk van deze beweringen is of welke zijn juist?

Ecologie en evolutie

2/3 Poema op de Veluwe.
Zie figuur C 391 van de bijlage.

De afbeelding geeft de evolutionaire stamboom van zowel een aantal uitgestorven als van nu nog levende katachtigen weer. Niet alle voorouders zijn aangegeven in deze stamboom.
Sommige mensen beweren dat de sabeltandtijger (Smilodon populator) een voorouder is van de huidige katachtigen.

Leg uit of deze bewering op grond van de gegevens in de afbeelding juist of onjuist is.

afbeeldingafbeelding

Ecologie en evolutie

3/3 Poema op de Veluwe.
Zie figuur C 391 van de bijlage.

Welke nu nog levende katachtige is volgens deze stamboom het meest verwant aan de Poema?

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

1/7 Aalscholvers.

Bij vertegenwoordigers van de familie van de aalscholvers (Phalacrocoracidae) komen diverse verschijningsvormen voor. De aalscholvers van het noordelijk halfrond zijn over het algemeen zwart. De aalscholvers van het zuidelijk halfrond hebben tijdens het broedseizoen lichte vlekken. In het totaal zijn er 29 soorten aalscholvers. De aalscholvers die in Nederland voorkomen, worden in drie groepen ingedeeld. Deze drie groepen worden met hun wetenschappelijke naam als volgt aangeduid:

- Phalacrocorax carbo var. carbo,
- Phalacrocorax carbo var. sinensis,
- Phalacrocorax aristotelis
.
De afkorting var. betekent variëteit.

Behoren deze drie groepen tot verschillende soorten?
Noem de soort of de soorten.

Ecologie en gedrag

2/7 Aalscholvers.
Zie figuur B 2277 van de bijlage.

Aalscholvers zijn viseters die bij het jagen op vis afhankelijk zijn van een flinke kijkdiepte in helder water. In het IJsselmeer, waar veel aalscholvers hun voedsel zoeken, is alleen de bovenste laag water van 1 - 1,5 meter helder. De aalscholvers uit de kolonies rond het IJsselmeer hebben hun vismethode daarbij aangepast.

Zie figuur B 2277 van de bijlage.

Zij vissen niet meer individueel, maar in groepsverband. De vismethode is weergegeven in de afbeelding.

Welke leerprocessen hebben een rol gespeeld bij het totstandkomen van de vismethode van de aalscholvers die in de afbeelding is weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

3/7 Aalscholvers.

Vroeger was het water van het IJsselmeer helder tot een diepte van 4 meter.

Noem twee mogelijke veranderingen in biotische factoren waardoor het water van het IJsselmeer nu niet meer zo helder is.

Ecologie en gedrag

4/7 Aalscholvers.

Door milieumaatregelen wordt de waterkwaliteit van de rivieren die op het IJsselmeer lozen, en van het IJsselmeer verbeterd. Hierdoor wordt het water van het IJsselmeer helderder. De aalscholvers zullen waarschijnlijk hun vistechniek opnieuw aanpassen als het IJsselmeerwater helderder wordt. De meningen over het effect van de milieumaatregelen op het aantal aalscholvers zijn echter verdeeld.

Geef een argument voor de opvatting dat het aantal aalscholvers zal toenemen en een argument voor de opvatting dat het aantal zal afnemen. Ontleen je argumenten aan de invloed van de milieumaatregelen op de voedselketen.

Ecologie en gedrag

5/7 Aalscholvers.
Zie figuur B 2278 van de bijlage.

De vissers van het IJsselmeer vangen minder paling (= aal) dan vroeger. Zij menen dat dit komt doordat de aalscholvers te veel aal wegvangen. Aalscholvers hebben hun naam immers te danken aan de veronderstelling dat zij vooral aal eten. In het voedselweb in de afbeelding zijn vogels, waaronder aalscholvers, weergegeven.
Er wordt gesteld dat de hoeveelheden vis, die in de afbeelding zijn weergegeven voor vogels, in dezelfde verhouding door aalscholvers worden gegeten.

Maak met behulp van een berekening van het percentage aal in het voedsel van de aalscholver duidelijk of de mening van de vissers terecht of onterecht is.

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

6/7 Aalscholvers.

Een visser beweert dat de palingvangst 20% hoger zou zijn als er geen aalscholvers zouden zijn.

Maak met behulp van een berekening duidelijk of deze bewering terecht of onterecht is.

Ecologie en gedrag

7/7 Aalscholvers.
Zie figuur B 2278 van de bijlage.

Voor welke twee vissoorten in de afbeelding zijn vogels de grootste concurrenten van de vissers (bijvangst en overige vis niet meegerekend)?

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

1/3 Berberapen in Algiers.

In een tijdschrift staat de volgende tekst:

Tekst:
Berberapen leven in groepen in Noord-Afrika, op 1000 tot 2000 meter hoogte waar het in de winter zeer koud is. Deze zoogdieren eten gras, vruchten en andere planten, maar ook wel insecten en spinnen. Bij berberapen krijgt een vrouwtje meestal één jong per jaar. De baby's zijn in de groep erg belangrijk. Al vrij snel na de geboorte in het voorjaar nemen de volwassen mannetjes de baby's regelmatig van de vrouwtjes over, dragen ze op hun rug en beschermen ze. Een mannetje neemt een baby soms ook mee bij het benaderen van een ander mannetje. Het lijkt erop dat daardoor het andere mannetje minder agressief is.

Is de aanpassing een gevolg van een abiotische factor?
En van een biotische factor?

Ecologie en gedrag

2/3 Berberapen in Algiers.

Bij de berberapen worden de meeste jongen in het voorjaar geboren. Dat heeft voordelen.

Noem twee van deze voordelen.

Ecologie en gedrag

3/3 Berberapen in Algiers.

Wat is volgens de tekst de mogelijke uitwendige prikkel voor het onderdrukken van de agressie bij de mannetjesapen van deze soort?

Ecologie en gedrag

1/5 Broedende vogels.
Zie figuur B 2731 van de bijlage.

In Noord-Holland bevindt zich de ruïne Nuwendoorn. De in 1960 teruggevonden resten van deze oude burcht uit de tijd van Floris V bestaan uit de contouren van een kasteel, een slotgracht en een waterput. In de jaren tachtig is er een heemtuin aangelegd. Een heemtuin is een tuin waarin wilde planten uit de omgeving zijn samengebracht. Het gebied is ongeveer 1 ha groot. Zie de afbeelding.
In het hele terrein Nuwendoorn heeft de mens ingegrepen en komen dus geen natuurlijke ecosystemen voor. Indien men het beheer van het terrein zou stoppen zou in de verschillende kunstmatige ecosystemen een climaxvegetatie kunnen ontstaan.

Welk ecosysteem op het terrein van Nuwendoorn moet de langste successiereeks ondergaan om zich tot een climaxvegetatie te ontwikkelen?

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

2/5 Broedende vogels.

In de periode maart-juni 1997 werd het gebied door Mary Markx geïnventariseerd op de aanwezigheid van broedvogels. De inventarisatie werd uitgevoerd door het aantal zingende vogels van elke soort te bepalen. Dit aantal is een maat voor het aantal nesten.
In de tabel hieronder staan de resultaten van de inventarisatie.

afbeeldingafbeelding

Leid uit de tabel af hoeveel vogelpopulaties er minimaal in dit gebied vertegenwoordigd zijn. [invulveld] populaties
Uit hoeveel vogelgeslachten (genera) behoren deze populaties? [invulveld] geslachten

Ecologie en gedrag

3/5 Broedende vogels.
Zie figuur B 2732 van de bijlage.

Twee van de beschreven broedvogels, de kleine karekiet en de heggenmus, worden geparasiteerd door de koekoek (zie de afbeelding). Het koekoeksvrouwtje legt haar ei in een nest van de genoemde vogels, waarbij het koekoeksjong door de pleegouders wordt verzorgd.
Andere jongen zijn er niet want het koekoeksjong verwijdert alle andere eieren of jongen uit het nest. Opvallend is dat de nakomeling later weer een nest van dezelfde pleegoudersoort opzoekt.
In veel schoolboeken wordt de opengesperde bek van het koekoeksjong die aan de binnenkant rood is gekleurd, beschreven als een voorbeeld van een supranormale prikkel voor de pleegouder.

Leg uit dat alleen veldwaarnemingen niet voldoende zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat de open rode bek van het koekoeksjong een supranormale prikkel voor de ouders is.

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

4/5 Broedende vogels.

Nicholas Davies en Michael Brooke voerden een aantal experimenten uit waarbij ze steeds twee karekietnesten aan elkaar vastmaakten, een met een karekietenjong en een met een koekoeksjong. Er was steeds slechts een karekietenouderpaar dat de zorg voor beide jongen op zich kon nemen. Het paar bleek beide jonge vogeltjes evenveel voedsel aan te bieden. De presentatie in de schoolboeken is dus op grond van de resultaten van de experimenten van Davies en Brooke onjuist.

Hoe zou de presentatie die in de schoolboeken is opgenomen, voor de experimenten van Davies en Brooke, eigenlijk genoemd moeten worden?

Ecologie en gedrag

5/5 Broedende vogels.

Opvallend is dat koekoeken die hun eieren leggen in het nest van een karekiet, eieren produceren die heel erg veel lijken op die van de karekiet. Bij koekoeken die hun eieren leggen in het nest van een heggenmus lijken de eieren niet op die van een heggenmus.
Davies en Brooke ontdekten met behulp van experimenten dat heggenmussen, in tegenstelling tot karekieten, weinig neiging vertonen 'vreemde eieren' uit het nest te verwijderen. Ook vonden zij dat slechts 2% van de heggenmusnesten door koekoeken wordt bezocht tegen 16% van de karekietnesten. Zij opperden dat de relatie tussen heggenmus en koekoek pas veel later in de evolutie tot stand gekomen is dan die tussen karekiet en koekoek.
Deze mening is gebaseerd op feiten uit de tekst hierboven.

Noem drie feiten uit deze tekst die deze mening ondersteunen.

Ecologie en gedrag

1/4 Forel in Nieuw-Zeeland.

Vanwege de uitdaging die hij vormt voor sportvissers, werd in 1867 de beekforel (Salmo trutta) vanuit Engeland in de Nieuw-Zeelandse viswateren geïntroduceerd. Deze beekforel heeft zich op eigen kracht verspreid over een aantal beken, rivieren en meren.
Daarbij verdwenen inheemse vissen van het genus Galaxias. Om te bepalen wat de invloed van deze introductie op Nieuw-Zeelandse ongewervelden is, werd een ecologisch onderzoek gedaan in beken met beekforel en in beken met de inheemse Galaxias. Zowel de beekforel als Galaxias eten nymfen (larven) van eendagsvliegen van het genus Deleatidium. Deze nymfen begrazen microscopisch kleine algen op de stenen bedding van de beek, maar kunnen zich tussen de keien verschuilen.
In drie proefopstellingen werden de grazende nymfen geteld op een bedding met keien in respectievelijk stromend water zonder vis (1), stromend water met Galaxias-vissen (2) en stromend water met beekforellen (3). Het aantal Deleatidium-nymfen was bij aanvang in alle drie proefopstellingen gelijk en de vissen konden niet bij de nymfen komen.

Zie volgende scherm

Ecologie en gedrag

2/4 Forel in Nieuw-Zeeland.
Zie figuur B 3922 van de bijlage.

In het diagram van de afbeelding zijn de resultaten van dit experiment weergegeven.

Welke twee conclusies kun je trekken uit de resultaten van het hierboven beschreven experiment?

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

3/4 Forel in Nieuw-Zeeland.

In de Taieri-rivier (Nieuw-Zeeland) werden 198 plaatsen uitgezocht en in vier typen ingedeeld op grond van de aan- of afwezigheid van de beide vissoorten:
Het voorkomen van de beekforel en van Galaxias op bepaalde plaatsen (zie de tabel hieronder) wijst op een verschil in het gedrag van deze vissen.

afbeeldingafbeelding

Welk verschil in het gedrag van de beekforel en dat van Galaxias heeft als gevolg dat ze op verschillende plaatsen voorkomen?

Ecologie en gedrag

4/4 Forel in Nieuw-Zeeland.
Zie figuur A 899 van de bijlage.

Nader onderzoek werd gedaan naar indirecte effecten van de beekforel op het ecosysteem in de Nieuw-Zeelandse wateren. Daartoe werden twee gebieden in de Taieri-rivier met fysisch-chemisch gelijke omstandigheden bestudeerd. In het ene gebied leefde als enige vis Galaxias, in het andere gebied als enige vis de beekforel.
De netto productie aan algen, ongewervelden (zoals Deleatidium nymfen) en vis werd bepaald. Ook werd bepaald de hoeveelheid biomassa aan algen en ongewervelden die door het volgende trofische niveau werd geconsumeerd. De resultaten zijn in de staafdiagrammen van de afbeelding weergegeven.

Hoe groot is de consumptie aan ongewervelden in water met beekforel (per m2 per jaar) en hoe groot is daar de netto productie (per m2 per jaar) aan beekforel? Geef een verklaring voor het verschil.

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

1/2 Opgepast, hermelijnen!
Zie figuur B 6823 van de bijlage.

Tekst:
De Nieuw-Zeelandse vliegenvanger is een vogelsoort die voorkomt in Nieuw-Zeeland en op enkele eilanden in de buurt van Nieuw-Zeeland. Zo'n 120 jaar geleden werd de hermelijn, een Europese roofdiersoort, in Nieuw-Zeeland ingevoerd. Er vielen aanvankelijk veel slachtoffers onder de vogels. Tegenwoordig zijn de vogels in Nieuw-Zeeland zeer waakzaam. Kort geleden belandden er ook hermelijnen op het dichtbij Nieuw-Zeeland gelegen eiland Motuara.
Om te voorkomen dat de vrij kleine populatie van de vliegenvanger op dit eiland uitsterft, geeft een groep biologen de vogels een 'survival training': nagemaakte hermelijnen met een dode vliegenvanger in hun bek worden aan een touw over de grond getrokken. Daarbij wordt de alarmkreet van de vogels ten gehore gebracht. Deze biologen gaan er blijkbaar vanuit dat waakzaamheid ontwikkeld kan worden door een leerproces.

bron: Vogels, mei 1996, p. 6

Van welk leerproces bij vliegenvangers proberen deze biologen gebruik te maken?

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

2/2 Opgepast, hermelijnen!

In Nieuw-Zeeland heeft de populatie vliegenvangers zelf waakzaamheid ontwikkeld.

Leg uit hoe in Nieuw-Zeeland een blijvende waakzame populatie kon ontstaan na de verspreiding van de hermelijnen uit Europa.
Hoe wordt het proces, waardoor zo'n waakzame populatie ontstaat, genoemd?

Ecologie en gedrag

1/5 De naakte molrat.

Tekst:
De naakte molrat komt alleen voor in de savanne van Oost-Afrika. Daar leven deze kleine knaagdiertjes in kolonies onder de door de zon geblakerde grond. Gemiddeld tellen hun leefgemeenschappen zo'n 100 individuen.
Een kolonie bezit slechts één vrouwtje dat zich voortplant: de 'koningin'. De koningin is agressief, voortdurend actief en dominant aanwezig. Onderzoekers denken dat ze door dit gedrag duidelijk maakt dat ze een goed functionerende koningin is.
Zij paart slechts met enkele van de (volwassen) mannetjes, ook al vormen alle mannetjes sperma. Een vergelijking van het erfelijk materiaal van kolonieleden laat zien dat dit verbazingwekkend uniform is. Naakte molratten van verschillende kolonies in hetzelfde gebied vertonen iets grotere verschillen, maar de overeenkomsten zijn toch opmerkelijk groot.
Doordat er weinig genetische variatie is, zijn de naakte molratten van een kolonie allemaal even goed aangepast aan hun milieu.
Naast de koningin en de mannetjes leven er in een kolonie ook werksters. Dit zijn vrouwtjes die zich niet voortplanten, maar zich uitsluitend bezig houden met het verzamelen van voedsel of het vegen van de gangen. Als ze klaar zijn met hun werk, gaan ze naar de centrale ruimte in de kolonie en 'ploffen' op de soezende leden van de kolonie. Door hun naakte huid houden de dieren elkaar warm.
In de kolonie bevindt zich een speciale 'toiletruimte' waar alle leden van de kolonie hun ontlasting deponeren. De koningin laat na een bezoek aan de toiletruimte een bepaalde roep horen waardoor andere leden van de kolonie worden aangelokt. Deze wentelen zich door de
uitwerpselen/urine, waarmee voorkomen wordt dat andere vrouwtjes dan de koningin zich gaan voortplanten.

bewerkt naar: Roes, Frans: De naakte molrat, blz. 20 e.v., Prometheus 1993

Zie volgende scherm

Ecologie en gedrag

2/5 De naakte molrat.
Zie figuur B 6824 van de bijlage.

Noem een nadeel van de geringe genetische variatie in een kolonie.

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

3/5 De naakte molrat.

Geef een mogelijke verklaring voor de grote mate van overeenkomst in genetisch materiaal tussen de naakte molratten van verschillende kolonies in eenzelfde gebied.

Ecologie en gedrag

4/5 De naakte molrat.

Tussen de individuen van de verschillende kolonies zijn de genetische verschillen gemiddeld genomen groter dan de genetische verschillen tussen de individuen binnen een kolonie.
Hiervoor worden de volgende verklaringen gegeven:

1. Een koningin paart een aantel malen met verschillende mannetjes.
2. De koningin van de ene kolonie is genetisch niet identiek aan de koningin van de andere kolonie.
3. De kans op genetisch verschillende mannetjes is in de ene kolonie groter dan in de andere kolonie.

Welke verklaring is of welke verklaringen zijn juist?

Ecologie en gedrag

5/5 De naakte molrat.

Citeer uit de tekst een sleutelprikkel en vermeld de reactie die daarop volgt.

Ecologie en gedrag

1/4 Bij een sloot.
Zie figuur C 136 van de bijlage.

Aan de rand van een sloot komen onder andere de volgende organismen voor: blauwe reigers, groene kikkers, muggen, struiken en wantsen.
Deze organismen vormen samen een voedselweb. Zie de afbeelding; de organismen zijn niet allemaal op dezelfde schaal getekend.
Door een ziekte neemt het aantal blauwe reigers af. Korte tijd later vermindert ook het aantal van een van de andere organismen die hierboven genoemd zijn.

Welke organismen zijn dat? Licht je antwoord toe.

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

2/4 Bij een sloot.
Zie de figuren C 136 en B 2277 van de bijlage.

Een blauwe reiger (zie de afbeelding C 136) staat op zijn lange poten aan de rand van de sloot langdurig onbeweeglijk naar het water te kijken. Plotseling flitst zijn kop naar voren in de richting van een rimpeling van het water. De kop komt weer uit het water te voorschijn en de reiger slokt een kikker naar binnen.

Zie figuur B 2268 van de bijlage.
In het ecosysteem rond de sloot komt ook een buizerd voor. Deze vliegt hoog en zoekt al zwevend zijn prooi (zie de afbeelding B 2268).
Bij beide dieren past de lichaamsbouw bij hun voedselzoekgedrag.

Noem van een blauwe reiger twee kenmerken van de lichaamsbouw die duidelijk verschillen van die van de buizerd. Licht bij elk kenmerk toe welk voordeel de reiger ervan heeft bij het zoeken naar voedsel. Schrijf je antwoord in een schema zoals hieronder.
Kenmerk 1: ......
Toelichting bij kenmerk 1 van de blauwe reiger: ......
Kenmerk 2: ......
Toelichting bij kenmerk 2 van de blauwe reiger: ......

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

3/4 Bij een sloot.

In de tekst over het voedselzoekgedrag van de reiger zijn een uitwendige prikkel en de respons hierop genoemd.

Neem onderstaande zinnen over op je antwoordblad en maak ze daar af.
De prikkel voor de reiger is: ......
De respons hierop van de reiger is: ......

Ecologie en gedrag

4/4 Bij een sloot.

In een onderzoek wil men nagaan welke biotische factoren van invloed zijn op de grootte van de populatie reigers in het waterrijke gebied waartoe de sloot behoort.

Welke van de volgende gegevens hoeft men niet te gebruiken?

Ecologie en gedrag

1/4 Het leven van kleine waterdieren.
Zie figuur B 4362 van de bijlage.

Kleine waterdieren, zoals watervlooien (zie de afbeelding) kunnen zich vrij door het water bewegen. Soms is dit een willekeurige, soms een gerichte beweging. Ecologen willen onderzoeken waardoor kleine waterdieren zich met een bepaalde gerichte beweging verplaatsen.
Als de zuurstofconcentratie te laag wordt, gaan watervlooien op zoek naar een plek met meer zuurstof.
Gebleken is dat, als er zuurstofgebrek optreedt, de dieren niet in staat zijn zich te richten naar een plek met een hogere zuurstofconcentratie, maar naar een gebied zwemmen met een hogere lichtintensiteit, het wateroppervlak. Hier is de zuurstofconcentratie meestal hoger.

Met welke term uit de ethologie zou je het gedrag van de watervlooien kunnen omschrijven als zij op willekeurige wijze op zoek zouden gaan naar plekken met een hogere zuurstofconcentratie?

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

2/4 Het leven van kleine waterdieren.

Leg uit waardoor er vlak onder het wateroppervlak meestal meer zuurstof aanwezig is dan in de diepere lagen van het water.

Ecologie en gedrag

3/4 Het leven van kleine waterdieren.
Zie figuur A 990 van de bijlage.

De watertemperatuur is een abiotische factor. Die beïnvloedt in hoge mate de groeisnelheid van de populatie watervlooien.
In de afbeelding zijn twee optimumcurven getekend.
Curve A geeft de relatie aan tussen de watertemperatuur en het aantal dagen dat de volwassen vrouwtjes nakomelingen produceren.
Curve B geeft de relatie aan tussen de watertemperatuur en het gemiddeld aantal jongen dat een volwassen vrouwtje, gedurende het aantal dagen dat het vrouwtje jongen krijgt, per dag produceert.

Bepaal met behulp van een berekening welke van de twee optimumtemperaturen van bovenstaande curven het gunstigst is voor het voortbestaan van de populatie.

afbeeldingafbeelding

Ecologie en gedrag

4/4 Het leven van kleine waterdieren.
Zie figuur B 4363 van de bijlage.

Behalve watervlooien werden ook vlokreeften, Gammariden, uitvoerig onderzocht. Vlokreeften (zie de afbeelding) zien er allemaal vrijwel hetzelfde uit. Alleen specialisten kunnen de verschillende soorten van elkaar onderscheiden. Maar in hun aanpassing aan verschillende milieuomstandigheden zijn er grote onderlinge verschillen tussen de vlokreeften. Sommige zijn aangepast aan de omstandigheden in zee en hebben een hoge interne osmotische waarde, andere zijn aangepast aan brak water, en weer andere aan zoet water. Die aanpassingen betreffen vooral de water- en zouthuishouding van deze dieren.
Een vlokreeft die in zout water leeft, wordt naar zoet water gebracht.

Wat zal deze vlokreeft doen om zijn osmotische waarde op peil te houden?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/3 Algen in zee.
Zie figuur B 2113 van de bijlage.

In de bovenste 100 m van de Noordzee varieert het gehalte aan algen met de seizoenen. Dit is weergegeven in het diagram van de afbeelding. In hetzelfde diagram is de concentratie nitraationen ( NO3 - ) in dat zeewater weergegeven. Nitraationen zijn voor algen onder normale omstandigheden niet giftig.
In de eerste helft van de lente gaat toename van het gehalte aan algen gepaard met afname van de concentratie nitraationen.

Leg uit door welke verandering in de lente het gehalte aan algen in zee toeneemt waardoor dit leidt tot een afname van de concentratie nitraationen.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Algen in zee.
Zie figuur B 2113 van de bijlage.

Leg met behulp van de gegevens in het diagram van de afbeelding uit dat de concentratie nitraationen in de winter zeer waarschijnlijk geen beperkende factor is voor de groei van algen.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/3 Algen in zee.
Zie figuur B 2113 van de bijlage.

In een experiment wordt de invloed van verschillende factoren op het gehalte aan algen onderzocht. Twee bakken worden in de winter op tijdstip P (zie de afbeelding) gevuld met water uit de Noordzee. Het water in bak 1 wordt gesteriliseerd en dat in bak 2 niet. Aan het water in beide bakken wordt een kleine en gelijke hoeveelheid algen toegevoegd. Beide bakken staan buiten naast elkaar. In de daaropvolgende lente wordt op tijdstip 0 het gehalte aan algen in beide bakken bepaald. In bak 1 blijkt het gehalte aan algen hoger dan in bak 2.

Geef hiervoor een verklaring.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/4 Vissterfte.

Bij winterse kou kan soms extreme vissterfte optreden. Zo ging in een aantal vijvers in Castricum in de vorstperiode december 1995 - januari 1996 een groot deel van de visstand verloren door zuurstofgebrek. Dit zuurstofgebrek treedt op als een ijslaag zuurstofopname vanuit de lucht in het water onmogelijk maakt. Bij metingen op 31 december 1995 bleek het zuurstofgehalte in de helft van de vijvers onder een kritische grens van 3.5 mg per liter te liggen. Als oorzaken van dit zeer lage gehalte werden genoemd: ondiepte van de vijvers en uitwerpselen van een groot aantal ganzen. De vijvers waren niet tot op de bodem bevroren.

Leg voor de genoemde oorzaken uit waardoor deze het dalen van het zuurstofgehalte in het water bevorderen.

Ecologie

2/4 Vissterfte.

Het maken van wakken is een nuttige maatregel als je het zuurstofgehalte in het water wilt verhogen.

Hoe heet het proces waardoor dan het zuurstofgehalte hoger wordt?
dit proces heet [invulveld]

Ecologie

3/4 Vissterfte.
Zie figuur B 3636 van de bijlage.

Bij bepaling van de sterftepercentages per soort bleken die niet voor alle vissoorten hetzelfde te zijn.
In de afbeelding zie je de tolerantiekrommen van vier vissoorten voor de factor zuurstofgehalte.

Welke van de vier soorten heeft in de boven beschreven situatie het hoogste sterftepercentage?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Vissterfte.

Strenge vorst in maart is voor de visstand veel minder rampzalig dan strenge vorst in december.

Wat is daarvan de oorzaak?

Ecologie

1/3 Teveel fosfaat in het zeewater.

Het overheidsbeleid is erop gericht de lozing van fosfaatzouten, afkomstig uit mest en wasmiddelen, op rivieren en daardoor op de Noordzee te beperken. Volgens onderzoekers moet de hoeveelheid fosfaat in de kustwateren worden verminderd, omdat anders uiteindelijk massale vissterfte zal optreden. In het voorjaar neemt in de Noordzee regelmatig de hoeveelheid algen sterk toe: waterbloei. Vervolgens sterft een groot deel van de algen. Het stromingspatroon in de Noordzee zorgt ervoor dat veel van dit dode materiaal in de Duitse kustwateren terechtkomt. Daar zinkt het naar de bodem. Er ontstaat zuurstofgebrek vlak boven en in de bodem waardoor veel zeebodembewoners sterven.

Welke van de volgende beweringen over het sterven van de zeebodembewoners is of zijn juist?

1. De zeebodembewoners sterven aan zuurstofgebrek doordat de reducenten veel zuurstof verbruiken bij het afbreken van het bezonken materiaal in de kustwateren.
2. Biotische factoren hebben invloed op het sterven van de zeebodembewoners, abiotische hebben hier geen invloed op.

Ecologie

2/3 Teveel fosfaat in het zeewater.

Geef de biologische naam van het proces van verrijking van het oppervlaktewater met voedingszouten zoals hier verrijking met fosfaat.

Ecologie

3/3 Teveel fosfaat in het zeewater.

Volgens een onderzoeker van het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek kan ernstig terugdringen van de hoeveelheid fosfaat in de Noordzee de visvangst echter ook verminderen.

Beschrijf hoe de invloed van fosfaatvermindering op de hoeveelheid algen de oorzaak van de geringere visvangst kan zijn.

Ecologie

Waddenzee.
Zie figuur B 5146 van de bijlage.

Hiernaast een voedselweb uit de Waddenzee.

Als we alle organismen per trofisch niveau zouden wegen, wat blijkt dan?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Milieuproblemen.

Justine doet in een gesprek met Kim over milieuproblemen een aantal uitspraken. Kim kan zich in de meeste daarvan niet vinden, want zij en Justine houden er totaal verschillende opvattingen op na. Echter, één bewering van Justine vindt Kim ook vanuit natuurwetenschappelijk oogpunt onacceptabel.

Welke uitspraak is dat?

Ecologie

3/3 Een harige rups.

In de sojaplantages blijkt de oogst al na enkele jaren dramatisch tegen te vallen.

Geef daarvoor een verklaring.

Ecologie

2/5 Suikerriet wereldwijd.

Van suikerriet bestaan verschillende rassen. Deze rassen zijn voornamelijk door veredeling ontstaan. Elk ras verschilt steeds net iets van een ander: bijvoorbeeld grotere bladen, meer huidmondjes, beter bestand tegen insectenvraat.

Leg op moleculair niveau uit hoe de verschillen tussen suikerrietrassen zijn ontstaan.

Ecologie

3/5 Suikerriet wereldwijd.

Beschrijf de rol van de boeren bij de veredeling van de verschillende suikerrietrassen.

Ecologie

5/5 Suikerriet wereldwijd.
Zie figuur B 5198 van de bijlage.

Om de suikerrietkever te bestrijden werd de reuzenpad (Bufo marinus) uitgezet. In Zuid-Amerika eet dit dier voornamelijk rietsuikerkevers.
Het uitzetten van de pad in Australië bleek een enorme ecologische ramp te zijn. In plaats van de rietsuikerkevers te eten, schakelde de pad over op inheemse insecten, kikkers en kleine vogels. Slangen en krokodillen legden het loodje na het eten van de zeer giftige pad. De pad is nauwelijks te bestrijden en verspreidt zich steeds verder over het land. Ecologen houden de ontwikkelingen van de groeiende paddenpopulatie en de gevolgen nauwkeurig bij.
De onderzoekers ontdekten dat in gebieden waar de pad voorkomt de Australische zwarte slang een kleinere bek heeft dan in gebieden waar de pad (nog) niet voorkomt. De reuzenpad is te groot voor de kleingebekte slangen.

Hoe kunnen de onderzoekers testen of de slangen met een kleine bek tot een andere soort behoren dan de slangen met een grote bek?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

8/13 De leuke tegen de leukste.

Leg uit dat de toename van het aantal konijnen op IJsland niet alleen de papegaaiduikers beïnvloedt, maar ook een algemene afname van de biodiversiteit (= aantal verschillende soorten) in het betreffende ecosysteem kan veroorzaken.

Ecologie

9/13 De leuke tegen de leukste.

Op welk organisatieniveau spelen de argumenten van Ingvar Sigurdsson?
En die van Sigridur Asgeirdottir?
En die van Freydis Vigfusdottir?
Kies steeds uit organisme, populatie en ecosysteem en geef een korte toelichting bij je keuze.

Ecologie

11/13 De leuke tegen de leukste.

Welke invloed heeft het op de discussie die in de tekst op het informatiescherm aan de orde is, dat de argumenten niet allemaal op hetzelfde organisatieniveau spelen?

Ecologie

1/3 Ecologie.

Wat omschrijft het beste het begrip ecologie?

Ecologie

3/3 Wisteria.

De bloemen van Wisteria zijn meestal blauwpaars, maar soms ook rose of wit.
Dat heeft te maken met de aanwezigheid van anthocyaan in de bloemen.
Een bepaald gen heeft twee allelen, A en a. A zorgt voor anthocyaan, planten met aa hebben deze kleurstof niet.
Een ander gen heeft ook twee allelen, B en b. B zorgt voor een basische pH, waardoor anthocyaan blauwpaars wordt. Planten met bb hebben een zure pH, dan is anthocyaan rose.

Een Wisteria met het genotype AABB wordt gekruist met een plant met het genotype aabb.
Na onderlinge kruising van de F1 ontstaat een groot aantal F2 -planten.

Geef de fenotypen en de verhoudingen daarvan in de F2 . Laat zien hoe je aan die verhoudingen komt.

Ecologie

Vleermuizen.

In Nederland overwinterende vleermuizen houden een winterslaap. Vleermuizen in de tropen gaan niet in winterslaap.

Door welke biotische milieufactor kunnen vleermuizen in de tropen overleven zonder winterslaap?

Ecologie

Het vrouwtje van Bakkum.
Zie figuur C 310 van de bijlage.

Van 1980 tot 1993 werd in de duinen bij Bakkum een zwarte specht (Dryocopus martius) gevolgd. Dit was een vrouwtje, het 'vrouwtje van Bakkum'. Het onderzoek leverde veel kennis op over het leven van deze vogelsoort. Zwarte spechten bezetten in oude bossen een territorium van minimaal 5 km2 . Ze leven van insecten die ze uit de spleten in de bast van de dennen halen. Ze slapen in abelen (zilverpopulieren). In de vrij zachte stam van zo'n abeel wordt een gat uitgehakt, dat als slaap- en nestholte dient.
Over de grootte van het territorium van de zwarte specht worden drie beweringen gedaan:

Bewering 1: de zwarte specht heeft zo'n groot territorium om aan voldoende voedsel te komen;
Bewering 2: de zwarte specht heeft zo'n groot territorium nodig omdat hij zeldzaam is in de duinen;
Bewering 3: sterke vogels bezitten altijd grote territoria.

Welke bewering is juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 De Magot in Europa.

De apen worden tegenwoordig zo goed beschermd door de Engelsen dat er soms zelfs sprake is van een plaag. In dat geval worden dieren gevangen en naar dierentuinen overgebracht.

Behalve bescherming door de mens zijn er nog meer biotische factoren die een plaag kunnen veroorzaken.

Geef twee van zulke factoren.

Ecologie

Kikkers.

Kikkereieren worden zowel door vissen (vanuit het water) als door vogels (vanuit de lucht) als voedsel gebruikt. Deze eieren vallen niet al te zeer op in hun milieu: sloten met een vaak modderige bodem.

Leid uit deze informatie af door welke schutkleur of schutkleuren de eieren van kikkers zo min mogelijk opvallen?