Oefentoets Biologie: Voortplanting | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 10

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voortplanting

Een eik met mannelijke en vrouwelijke bloemen.
Zie figuur B 2030 van de bijlage.

De afbeelding geeft een takje van een eik met mannelijke en vrouwelijke bloemen weer. De bloemen hebben in de lente dezelfde kleur als het jonge blad. Bij deze eik zijn de vrouwelijke bloemen pas rijp als de meeldraden in alle mannelijke bloemen van die boom zijn leeggestoven.

Welke vorm van bestuiving vindt bij deze eik plaats?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Bestuiving.

Onder bestuiving wordt verstaan

Voortplanting

Meeldraden & stampers.

Bij sommige bloemen zijn de meeldraden eerder rijp dan de stampers.

Wat kan hierdoor worden voorkomen?

Voortplanting

Kruisbestuiving.

Kruisbestuiving is het overbrengen van stuifmeel op een stamper van

Voortplanting

Bloemen met alllen stampers of alleen meeldraden.

Bij plant 1 hebben sommige bloemen alleen stampers, alle andere bloemen hebben alleen meeldraden.
Bij plant 2 hebben alle bloemen stampers, maar geen meeldraden.

Kan in plant 1 zelfbestuiving voorkomen?
En in plant 2?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Vier beweringen over de bestuiving.
Zie figuur B 1799 van de bijlage.

In het schema staan gegevens over meeldraden en stampers in twee bloemen (P en Q) van twee verschillende planten van dezelfde soort. Deze gegevens zijn opgenomen van 18 tot en met 25 juli.

e = de perioden waarin eicellen in stampers van P of Q bevrucht kunnen worden.
f = de perioden waarin stuifmeel uit de meeldraden van P of Q beschikbaar is voor bevruchting.

Vier beweringen over de bestuiving bij deze bloemen zijn:

1. in bloem P kan door zelfbestuiving bevruchting optreden;
2. bloem P kan door bestuiving met stuifmeel van bloem Q bevrucht worden;
3. in bloem Q kan door zelfbestuiving bevruchting optreden,
4. bloem Q kan door bestuiving met stuifmeel van bloem P bevrucht worden.

Welke bewering is juist?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Beweringen over de bestuiving.
Zie figuur B 1821 van de bijlage.

De tekening geeft twee bloemen weer van dezelfde plantensoort. De pijl geeft de weg van stuifmeel aan.
Hieronder volgen beweringen over de bestuiving:

1. Er is sprake van zelfbestuiving als beide bloemen op dezelfde plant staan;
2. Er is sprake van zelfbestuiving als de bloemen op verschillende planten staan;
3. Er is sprake van kruisbestuiving als beide bloemen op dezelfde plant staan;
4. Er is sprake van kruisbestuiving als de bloemen op verschillende planten staan.

Welke beweringen zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Planten met alleen mannelijke bloemen of met alleen vrouwelijke bloemen.

Bij een bepaalde plantensoort komen planten voor met alleen mannelijke bloemen en planten met alleen vrouwelijke bloemen.

Welk proces kan niet plaatsvinden?

Voortplanting

Ontwikkeling van een zaadbeginsel.

Bij zaadplanten begint de ontwikkeling van een zaadbeginsel (tot zaad) direct nadat

Voortplanting

Veranderingen in de stamper.

Welke van onderstaande veranderingen treedt in de stamper op, nadat een eicel bevrucht is?

Voortplanting

Ontwikkeling van een kiempje.
Zie figuur B 754 van de bijlage.

De tekening stelt een doorsnede van een stamper voor.

In welk van de aangegeven delen kan zich een kiempje ontwikkelen?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Kernen uit stuifmeel en eicel.

Direct nadat bij een zaadplant kernen uit stuifmeel en eicel met elkaar zijn versmolten, begint de ontwikkeling van

Voortplanting

Een aardappel, een komkommer, een krop sla en een ui.

Vier voedingsmiddelen van de mens zijn: een aardappel, een komkommer, een krop sla en een ui.

Welk van deze voedingsmiddelen is rechtstreeks ontstaan uit een vruchtbeginsel?

Voortplanting

Bolvorming, knopvorming en zaadvorming.

Enkele manieren waarop organismen zich kunnen voortplanten zijn:

1. door bolvorming bij bolgewassen,
2. door knopvorming bij holtedieren,
3. door zaadvorming bij zaadplanten.

Voor welke van deze manieren is bevruchting noodzakelijk?

Voortplanting

Bloemdiagrammen.
Zie figuur B 3424 van de bijlage.

Een bloemdiagram is een schematische dwarse doorsnede door een bloem. Het aantal bloemonderdelen en hun plaats in de bloem zijn hierin aangegeven.
In de afbeelding zijn drie bloemdiagrammen getekend.

In welke bloemen die zijn weergegeven met de bloemdiagrammen 1, 2 en 3 kunnen zaden gevormd worden?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

De bevruchting bij een zaadplant.

De bevruchting bij een zaadplant is voltooid als

Voortplanting

De vorming van een stuifmeelbuis.
Zie figuur B 783 van de bijlage.

De afbeelding stelt een doorsnede van een bloem voor.
Er vindt bestuiving plaats.

In welk deel begint daarna de vorming van een stuifmeelbuis?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Ontwikkeling van een vrucht.

Uit welk van onderstaande delen van een bloem kan zich een vrucht ontwikkelen?

Voortplanting

De bloem en de vrucht van een erwtenplant.
Zie figuur B 2029 van de bijlage.

In de afbeelding geeft tekening 1 een vrucht van een erwtenplant weer.
Tekening 2 geeft de bloem weer waaruit deze vrucht zich heeft ontwikkeld.

Uit welk van de in de tekening 2 aangegeven bloemdelen heeft deel P zich ontwikkeld?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Bevruchting bij een zaadplant.

Bevruchting vindt bij een zaadplant plaats op het ogenblik dat