Oefentoets Biologie: Voortplanting - mens_embryonale ontwikkeling | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 16 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

16

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voortplanting

Vorming van een eicel.
Zie figuur B 371 van de bijlage.

Drie processen die zich bij de vorming van voortplantingscellen kunnen afspelen, zijn:

1. meiose I;
2. meiose II;
3. mitose.

De linker afbeelding geeft een cel P weer in een follikel in een ovarium van een vrouw.
De rechter afbeelding geeft schematisch de chromosomen uit de kern van cel P weer. Cel P zal zich ontwikkelen tot een eicel.

Welk of welke van de genoemde processen zal cel P nog geheel of gedeeltelijk doormaken voordat de vorming tot eicel is voltooid?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

De ontwikkeling van een eicel bij de mens.
Zie figuur B 1484 van de bijlage.

In de afbeelding geven de tekeningen schematisch drie opeenvolgende stadia weer van de ontwikkeling van een eicel bij de mens. Een aantal kernen is met de cijfers 1, 2, 3 en 4 aangegeven.

Welke van de aangegeven kernen is of welke zijn haploïd?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Testis en ovarium.

Een testis van een volwassen man wordt vergeleken met een ovarium van een volwassen vrouw. Beide organen nemen uit het bloed stoffen op die nodig zijn voor de vorming van celkernmateriaal.

Welk van beide organen zal per dag per gram weefsel het meeste van deze stoffen opnemen?
Worden deze stoffen gebruikt voor de vorming van celkernen die ontstaan bij meiose?
En voor celkernen die ontstaan bij mitose?

Voortplanting

1/2 Weefsels uit geslachtsorganen.

Vier organen zijn:

1. een ovarium van een niet-zwangere vrouw van 30 jaar,
2. de baarmoeder van een niet-zwangere vrouw van 30 jaar,
3. de prostaat van een man van 30 jaar,
4. een testis van een man van 30 jaar.

Een onderzoekster bestudeert weefsels die afkomstig zijn van deze organen.

In welk of in welke van deze weefsels kan zij zowel stadia van meiose als stadia van mitose aantreffen?

Voortplanting

2/2 Weefsels uit geslachtsorganen.

Gedurende een etmaal wordt de concentratie van geslachtshormonen bepaald in het bloed van de aders en van de slagaders van deze vier organen.

Bij welk of bij welke van deze organen zal de concentratie van geslachtshormonen in het bloed van de ader hoger zijn dan die in het bloed van de slagader?

Voortplanting

1/7 Voor en na een zwangerschap.
Zie figuur B 1642 van de bijlage.

In de afbeelding is een menstruatiecyclus weergegeven die 28 dagen duurt. De letters P, Q, R en S geven bepaalde perioden in deze cyclus aan. In het binnenste deel van de afbeelding is schematisch de verandering van het baarmoederslijmvlies getekend.

In welke van de perioden P, Q, R en S is per 24 uur de groei van de follikel, die in deze cyclus zal openbarsten, het sterkst?

In periode [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

2/7 Voor en na een zwangerschap.

In de tabel hieronder zijn de veranderingen in hoeveelheid en samenstelling van het bloed van een vrouw tijdens de zwangerschap weergegeven in ml en in ml per kg lichaamsgewicht. Er wordt gesteld dat de hoeveelheid hemoglobine per rode bloedcel gedurende de zwangerschap niet verandert en dat de bloeddruk gelijk blijft of enigszins stijgt.
afbeeldingafbeelding

De volgende beweringen worden gedaan:
1. de totale hoeveelheid O2 die door het bloed van een vrouw in de veertigste week van de zwangerschap kan worden gebonden, is groter dan bij een niet-zwangere vrouw;
2. de hoeveelheid O2 die per ml bloed kan worden vervoerd, neemt tijdens de zwangerschap af;
3. tijdens de zwangerschap neemt het hartminuutvolume toe. Het hartminuutvolume is de hoeveelheid bloed die per minuut de linker kamer van het hart verlaat.

Leg aan de hand van de gegevens in de tabel van elke van deze beweringen uit of die juist of onjuist is.

Voortplanting

3/7 Voor en na een zwangerschap.
Zie figuur A 330 van de bijlage.

Tijdens haar zwangerschap wordt van een vrouw P de bloedgroep bepaald. In het celmembraan van haar rode bloedcellen komen antigenen B voor en geen antigenen A. Na haar bevalling heeft zij een bloedtransfusie met een halve liter bloed nodig. Eerst wordt ter controle een zogenaamde kruisproef gedaan: rode bloedcellen van de donor worden gemengd met bloedserum van vrouw P. Als er klontering van de rode bloedcellen optreedt, is het donorbloed ongeschikt voor vrouw P. Alleen de bloedgroepen van het ABO-systeem worden in beschouwing genomen.

Leg van de bloedgroepen AB en O uit of vrouw P daarmee een bloedtransfusie kan krijgen en waardoor dat al dan niet mogelijk is.

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

4/7 Voor en na een zwangerschap.
Zie figuur C 110 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch een stadium in de ontwikkeling van de placenta getekend. Een aantal delen en weefsels is met cijfers aangegeven. Sommige antistoffen kunnen van het bloed van de moeder in het bloed van het ongeboren kind komen.

Door welke van de aangegeven weefsels gaat een antistofmolecuul achtereenvolgens heen op de kortste weg van het bloed van de moeder naar het bloed van het ongeboren kind?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

5/7 Voor en na een zwangerschap.
Zie figuur A 350 van de bijlage.

In de placenta gaat O2 uit het bloed van de moeder naar het bloed van het ongeboren kind. Ten einde meer inzicht te krijgen in de zuurstofuitwisseling tussen twee vloeistoffen is het volgende experiment gedaan.
Er worden drie modelsystemen gebouwd, elk bestaande uit twee buizen die elk gevuld zijn met vloeistof. Door de wand van de buizen is diffusie van zuurstof mogelijk. De totale uitwisselingsoppervlakken in de drie systemen zijn gelijk. De hoeveelheid vloeistof die per tijdseenheid elke buis binnenstroomt, is in de drie systemen gelijk en ook andere omstandigheden worden gelijk gehouden. De drie systemen zijn weergegeven in de afbeelding.
De stroomrichting is met pijlen aangegeven.

In elk systeem stroomt bij P vloeistof binnen die met O2 is verzadigd, terwijl bij Q vloeistof binnenstroomt die geen O2 bevat.

In welk van deze systemen bevat de vloeistof die bij R uitstroomt, de minste O2 ?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

6/7 Voor en na een zwangerschap.
Zie figuur B 1644 van de bijlage.

In de afbeelding is de concentratie antistoffen in het lichaam van een kind vóór en na de geboorte weergegeven. Antistoffen kunnen worden gevormd door de moeder èn door het kind.

Welke van de grafieken 1, 2, 3 en 4 geeft of welke geven de concentratie van antistoffen weer die door cellen in het lichaam van het kind worden gevormd?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

7/7 Voor en na een zwangerschap.

Na de geboorte komt de baby in contact met antigenen die voor de baby lichaamsvreemd zijn. Bescherming tegen deze antigenen kan worden geboden door stoffen in de moedermelk.

Noem twee structuren van het lichaam van de baby die na de geboorte een rol spelen bij bescherming van de baby tegen het binnendringen van lichaamsvreemde antigenen in het interne milieu.

Voortplanting-evolutie

2/5 Virus onmisbaar bij de placentavorming.

In placentaweefsel van de mens kan het enzym reverse transcriptase worden aangetoond. Dat kan een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van ERV-genen in de cellen.

Leg dit uit aan de hand van de functie van reverse transcriptase.

Voortplanting-evolutie

3/5 Virus onmisbaar bij de placentavorming.
Zie figuur A 998 van de bijlage.

Een van de ERV-genen bevat de erfelijke informatie voor het eiwit syncytine. Dit eiwit vervult een sleutelrol bij de placentavorming. Vlak voor de innesteling is het jonge embryo omhuld door trofoblastcellen, die syncytine vormen. Syncytine laat deze cellen fuseren. Hieruit ontstaat de syncytiotrofoblast-laag die zich in het baarmoederslijmvlies nestelt. In de placenta die zich vervolgens ontwikkelt, vormt de syncytiotrofoblast-laag de grenslaag tussen weefsel van moeder en kind.
In de afbeelding is schematisch het baarmoederslijmvlies met een embryo van 12 dagen oud weergegeven. Enkele delen zijn met een cijfer aangegeven.

Met welk cijfer wordt de syncytiotrofoblast-laag aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting-evolutie

4/5 Virus onmisbaar bij de placentavorming.

Waarschijnlijk is een ERV-genproduct betrokken bij de vorming van het hormoon HCG. Bij 1 procent van de mensen komt een mutatie in dit ERV-gen voor. De mutatie betreft de vervanging van de code voor arginine door een stopcodon. Toch leidt deze mutatie, zelfs bij een foetus die homozygoot is voor het mutantgen, niet tot afwijkingen bij de embryonale ontwikkeling. Een verklaring hiervoor is, dat bij de transcriptie soms over een stopcodon wordt doorgelezen.

Geef nog een andere mogelijke verklaring.

Voortplanting-evolutie

5/5 Virus onmisbaar bij de placentavorming.

De trofoblast maakt het hormoon HCG dat van belang is voor het instandhouden van de zwangerschap. Na de achtste week van de zwangerschap neemt de concentratie van het hormoon HCG in het bloed af.

Hoe wordt door HCG instandhouding van de zwangerschap geregeld? Leg uit waarom dit na de achtste week niet meer nodig is.