Oefentoets Biologie: Ecologie - algemeen | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4

Deze oefentoets bevat 35 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

35

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

Het milieu

Twee beweringen over het milieu zijn:

I. Het milieu is de leefomgeving van plant, dier of mens.
II. Het milieu is alleen te vinden in natuurgebieden.

Ecologie

Bladgroen.

Komt bladgroen voor bij autotrofe organismen?
En bij heterotrofe organismen?

Ecologie

Voeding.

Sommige organismen hebben andere organismen nodig voor hun voedsel.

Geldt dit voor autotrofe organismen?
En voor heterotrofe organismen?

Ecologie

Het milieu.

Twee beweringen over het milieu zijn:

I. het milieu is de leefomgeving van een organisme;
II. het milieu is alleen te vinden in natuurgebieden.

Ecologie

Milieu-aantasting.

Is het aantal soorten planten in Nederland de laatste eeuw toegenomen?
Is het wegverkeer een van de veroorzakers van zure regen?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Het milieu.

Wordt oppervlaktewater door vermesting voedselarmer?
Bij composteren van afval kan rechtstreeks energie worden teruggewonnen.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Biologisch evenwicht.

In een bepaald ecosysteem heerst een biologisch evenwicht.

Betekent dit dat elke populatie even groot is als in het voorgaande jaar?
Betekent dit dat geboorte en sterfte even groot zijn?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Mens en milieu.

De mens is van het milieu afhankelijk, onder andere doordat het milieu grondstoffen en zuurstof levert.

Noem nog vier andere manieren waarop de mens afhankelijk is van het milieu.

Ecologie

Mens en milieu.

De mens is van het milieu afhankelijk, onder andere doordat het milieu energie en water levert.

Noem nog vier andere manieren waarop de mens afhankelijk is van het milieu.

Ecologie

Meer planten in de bermen.

Bij het onderhoud van wegen werkt men tegenwoordig zo dat er meer soorten planten in de bermen komen. De mensen vinden dat mooier in de zomer. Meer soorten planten heeft nog een voordeel. Daardoor komen er ook meer soorten dieren voor, bijvoorbeeld meer soorten vlinders.

Geef twee verklaringen voor het feit dat meer soorten planten ook leidt tot meer soorten dieren.

Ecologie

Juist of onjuist.

1. In een levensgemeenschap komen verschillende populaties voor. [invulveld]

2. Een pionier-ecosysteem is rijker aan soorten dan een climax-ecosysteem. [invulveld]

3. Een ecosysteem blijft alleen bestaan als er voortdurend nieuwe energie van buiten het ecosysteem wordt opgenomen. [invulveld]

4. Als in een ecosysteem een biologisch evenwicht heerst, is elke populatie even groot als het jaar daarvoor. [invulveld]

5. Alleen bij autotrofe organismen komt bladgroen voor. [invulveld]

6. Autotrofe organismen nemen organische stoffen op uit hun milieu. [invulveld]

7. Heterotrofe organismen nemen anorganische stoffen op uit hun milieu. [invulveld]

Ecologie

Juist of onjuist.

1. In Nederland is het aantal soorten planten de laatste eeuw toegenomen. [invulveld]

2. Met de recombinant-DNA-techniek kunnen de erfelijke eigenschappen van voedingsgewassen worden beïnvloed. [invulveld]

3. Onder veredeling verstaan we het verbeteren van de bodem door bewerking met machines. [invulveld]

4. Producten van de biologische landbouw zijn meestal goedkoper dan producten van de gangbare landbouwmethoden. [invulveld]

5. Veel veeteelt vindt in Nederland plaats in intensieve veehouderijen, omdat er dan veel dieren op weinig grond kunnen worden gehouden. [invulveld]

6. Een van de gevolgen van zure regen is dat planten minder weerstand hebben tegen schimmels. [invulveld]

7. Ozon kan de groei van planten remmen. [invulveld]

8. Zuurstof is een belangrijk broeikasgas. [invulveld]

9. Platbranden van tropisch regenwoud kan het broeikaseffect versterken. [invulveld]

10. Versterking van het broeikaseffect kan tot gevolg hebben dat een deel van het poolijs smelt. [invulveld]

11. Vermesting kan leiden tot verandering van de soortensamenstelling in een sloot. [invulveld]

Ecologie

Juist of onjuist.

1. We spreken van horizonvervuiling als de lucht door smog zo is vervuild, dat je de horizon niet meer kunt zien. [invulveld]

2. Bij veredeling wordt in het DNA van een organisme nieuwe erfelijke informatie aangebracht. [invulveld]

3. Door in de veeteelt te voeren met mengvoer, wordt de productie van voedsel verhoogd. [invulveld]

4. De biologische landbouw is milieuvriendelijker dan de gangbare landbouwmethoden. [invulveld]

5. Veel tuinbouw vindt in Neder1and in kassen plaats, onder andere omdat er dan producten het hele jaar door zijn te oogsten. [invulveld]

6. Zure regen bevordert de fotosynthese. [invulveld]

7. Koolwaterstoffen en koolstofmonoxide in uitlaatgassen dragen bij aan de vorming van ozon. [invulveld]

8. Een van de veroorzakers van versterking van het broeikaseffect is de bio-industrie. [invulveld]

9. Versterking van het broeikaseffect kan woestijnvorming tot gevolg hebben. [invulveld]

10. Door versterking van het broeikaseffect lopen laag gelegen gebieden het gevaar onder water te verdwijnen. [invulveld]

11. Door lozing van koelwater stijgt het zuurstofgehalte van het water. [invulveld]

Ecologie

Juist of onjuist.

1. Een roofdier is een biotische factor. [invulveld]

2. Nachtvorst is een abiotische factor. [invulveld]

3. Alleen bij autotrofe organismen komt fotosynthese voor. [invulveld]

4. Heterotrofe organismen kunnen organische stoffen maken uit alleen anorganische stoffen. [invulveld]

5. In een ecosysteem komen meerdere populaties voor. [invulveld]

6. Een ecosysteem blijft alleen bestaan als er voortdurend nieuwe energie van buiten het ecosysteem wordt opgenomen. [invulveld]

7. Bij landdieren kunnen meer dieren met een gestroomlijnde lichaamsvorm worden aangetroffen dan bij waterdieren. [invulveld]

8. Bij landdieren kunnen meer aanpassingen worden aangetroffen om een zwaar lichaam te kunnen dragen dan bij waterdieren. [invulveld]

9. De laag slijm op de huid bij vissen gaat uitdroging tegen. [invulveld]

10. Een ecosysteem omvat biotische en abiotische factoren. [invulveld]

Ecologie

Vetblad.
Zie figuur B 3462 van de bijlage.

Vetblad (zie de afbeelding) is een zeldzame plantensoort, die op vochtige, voedselarme veengrond groeit. Vetblad heeft groene, behaarde bladeren. De haren op de bladeren scheiden vocht af, waaraan kleine insecten blijven kleven. Andere delen van de bladeren scheiden een stof af waardoor de insecten worden verteerd. De bladeren nemen stoffen op die uit de insecten vrijkomen. Op de bladeren zijn schimmels aanwezig, die van de resten van de insecten leven. De meeste soorten planten kunnen niet groeien op voedselarme grond.

1. Bewering: Deze planten hebben op voedselarme grond vooral gebrek aan bepaalde mineralen. [invulveld]

2. Bewering: Deze planten hebben op voedselarme grond vooral gebrek aan koolhydraten. [invulveld]

3. Bewering: Deze planten hebben op voedselarme grond vooral gebrek aan koolstofdioxide. [invulveld]

4. Bewering: De schimmels op de bladeren van vetblad nemen organische stoffen op uit de resten van de insecten.
[invulveld]

5. Bewering: De schimmels op de bladeren van vetblad zetten de resten van de insecten om in anorganische
stoffen. [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/2 Milieubeleid van de overheid.

De overheid vraagt veehouders in Oost-Nederland niet teveel mest te verspreiden over hun weilanden. Teveel mest geeft ongewenste effecten voor mens en dier.

Welk ongewenst effect is dat vooral?

Door veel mest te verspreiden

Ecologie

2/2 Milieubeleid van de overheid.

De overheid wil het bouwen van moderne windmolenparken bevorderen. Door de windmolens in die parken wordt elektriciteit opgewekt.

Wat wil de overheid vooral bereiken door het stimuleren van de windmolenparken?

Ecologie

1/2 Cadmium in rivierwater.

In het afvalwater van sommige fabrieken komt cadmium voor. Cadmium is een giftige stof waar vissen last van hebben. Door teveel cadmium in rivierwater kunnen vissen kalk, een belangrijke bouwstof, minder goed opnemen uit het water. Ook veroorzaakt het cadmium een vermindering van het aantal rode bloedcellen in de vissen.

Noem een orgaan van een vis, waarvoor kalk een belangrijke bouwstof is.

Ecologie

2/2 Cadmium in rivierwater.

Veel cadmium in rivierwater heeft invloed op de verbranding in de spieren van vissen.

Leg die invloed op de verbranding uit.

Ecologie

1/4 De pestvogel.
Zie figuur B 2861 van de bijlage.

De vogel van de afbeelding heeft de naam pestvogel gekregen, omdat men hem vroeger als voorbode van de gevreesde ziekte de pest aanzag. Toch heeft de vogel niets met deze ziekte te maken. Pestvogels broeden in Noord-Europa. In sommige jaren trekken ze vanaf november naar het zuiden. Ze worden dan ook in Nederland gezien. Vogeltellers helpen dan mee het aantal vogels te bepalen. In het diagram van de afbeelding zijn de aantallen pestvogels in Nederland in de jaren 1978 tot en met 1983 weergegeven. In het najaar en de winter eet de vogel veel bessen, vooral van de lijsterbes. In de andere seizoenen eet de pestvogel vooral insecten.

Leg uit waardoor de pestvogels in november van het eten van insecten moeten overschakelen op het eten van bessen.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 De pestvogel.
Zie figuur B 2861 van de bijlage.

Lees uit het diagram van de afbeelding af in welk jaar er te weinig bessen aan de bomen kwamen in Noord-Europa.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/4 De pestvogel.

De pestvogels eten de bessen in hun geheel op. De pitten worden later op een andere plaats weer uitgepoept. Het eten van de bessen door de vogels is niet nadelig voor de bomen van de lijsterbes, maar levert juist voordelen voor de plantensoort op.

Noem zo'n voordeel.

Ecologie

4/4 De pestvogel.

De pestvogel is een vogel met een opvallend kleurenpatroon op de veren. In de voortplantingstijd toont het mannetje om een vrouwtje te lokken zijn mooi gekleurde vleugels. Dit opvallen door de mannetjes heeft echter ook een nadeel.

Leg uit welk nadeel het opvallen voor de mannetjes heeft.

Ecologie

1/4 Een aardappelplant.
Zie figuur B 1396 van de bijlage.

De afbeelding geeft een aardappelplant weer.
Een aardappelplant kan niet goed groeien op een zeer voedselarme grond.

Heeft een aardappelplant op die grond vooral gebrek aan koolstofdioxide, aan water of aan bepaalde zouten?

Hij heeft vooral gebrek aan:

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Een aardappelplant.

Aardappelmoeheid is een ziekte bij aardappelplanten die veroorzaakt wordt door nematoden. Nematoden zijn kleine wormpjes die gangen vreten in groeiende aardappelen.

Zijn deze aaltjes consumenten, producenten of reducenten?

Ecologie

3/4 Een aardappelplant.

In een veld met aardappelplanten komen bacteriën in de bodem voor.

Twee beweringen over de activiteiten van bacteriën in dat ecosysteem zijn:

1. bacteriën zetten stoffen waaruit aardappelplanten zijn opgebouwd, om in zouten die door de aardappelplanten opgenomen kunnen worden;
2. bacteriën zetten stoffen uit de lucht en de bodem om in stoffen die door aardappelplanten opgenomen kunnen worden.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Een aardappelplant.

Bestrijdingsmiddelen die bij de aardappelteelt gebruikt worden, kunnen het oppervlaktewater vervuilen. Het vervuilde oppervlaktewater is minder geschikt voor gebruik door mensen.

Noem twee vormen van watergebruik, waarvoor mensen dit vervuilde water beter niet kunnen gebruiken.

Ecologie

1/2 Kabeljauw.
Zie figuur B 4560 van de bijlage.

Kabeljauw is een vissoort die veel door mensen wordt gegeten. In de Atlantische Oceaan worden veel kabeljauwen gevangen. Zij leven van vissen zoals haringen. Haringen eten onder andere plantaardig plankton, dat in het zeewater zweeft. Kabeljauwen paren vooral rond april. Als na een maand de eieren uitkomen, groeien de jongen snel. Eerst leven zij nog van plankton daarna gaan zij over op het eten van vissen.
Kabeljauwen kunnen wel anderhalve meter lang worden.

Wat is de volledige voedselketen, waarvan volwassen kabeljauwen volgens de tekst deel uitmaken?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Kabeljauw.

Zijn kabeljauwen consumenten, producenten of reducenten?

Ecologie

1/4 Surinaamse kringloop.
Zie figuur B 5306 van de bijlage.

Hiernaast zie je een schema van een Surinaamse kringloop.

Welk organisme is of welke organismen zijn een producent?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Surinaamse kringloop.
Zie figuur B 5306 van de bijlage.

De gadotjo is een consument.

Van welke orde?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/4 Surinaamse kringloop.
Zie figuur B 5306 van de bijlage.

Welk organisme is of welke organismen zijn afvaleters?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Agapornissen.

Er is veel onderzoek gedaan naar agapornissen. Zo heeft men in Zambia onderzocht, wat de oorzaak was van de sterke afname van een populatie zwartwang agapornissen.
Uit het onderzoek bleek dat er voldoende voedsel en nestgelegenheid was. Ook was er geen sprake van een besmettelijke ziekte.
De onderzoekers ontdekten dat de zwartwang agapornis minstens tweemaal per dag moet drinken. In de periode voorafgaand aan het onderzoek was minder regen gevallen dan normaal. Dit had uitdroging van het gebied tot gevolg gehad.

In de informatie staat dat er onderzoek is gedaan naar mogelijke oorzaken voor de afname van een populatie agapornissen. Er worden enkele factoren genoemd die als oorzaak uitgesloten kunnen worden.

Noem een biotische factor uit de informatie die als oorzaak uitgesloten kan worden.

Ecologie

Vleermuizen.

Vleermuizen in Nederland houden een winterslaap om ongunstige omstandigheden te kunnen overleven.

Noem een biotische factor uit de informatie die bepalend is voor die ongunstige omstandigheden.

Ecologie

Een aardappelplant.

In het ecosysteem van een veld met aardappelplanten komen bacteriën in de bodem voor.
Twee beweringen over de activiteiten van bacteriën in dat ecosysteem zijn:

I. bacteriën zetten organische stoffen om in eiwitten die door aardappelplanten opgenomen worden,
II. bacteriën zetten organische stoffen om in anorganische stoffen die door aardappelplanten opgenomen kunnen worden.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?