Oefentoets Biologie: Ademhaling | HAVO 4/HAVO 5 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ademhaling

3/3 Rokershoest.

Rokers kunnen hoeststillende middelen gebruiken. Sommige van deze medicijnen hebben een verdovende werking waardoor de roker niet voelt dat de luchtwegen zijn geprikkeld. De roker hoeft dan niet te hoesten.
Deze middelen werken echter verslavend.

Op welke cellen heeft zo'n hoeststillend middel vooral invloed?

Ademhaling

1/2 Roken.
Zie figuur A 280 van de bijlage.

In de afbeelding zijn twee foto's van longweefsel weergegeven. Foto 1 toont het longweefsel van een zware roker en foto 2 dat van iemand die nooit heeft gerookt. Duidelijk is te zien dat de longblaasjes van de roker zijn aangetast.
Enkele andere effecten van roken zijn:

1. stillegging van de trilhaarwerking in de luchtwegen,
2. vernauwing en soms verstopping van slagadertjes,
3. binding van koolstofmonoxide in het bloed.

Wat is het gevolg van de verminderde trilhaarwerking?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

2/2 Roken.

Baby's van moeders die tijdens de zwangerschap hebben gerookt, hebben gemiddeld een lager geboortegewicht dan baby's van moeders die dat niet deden.

Beschrijf de processen die leiden tot dit lagere geboortegewicht.

Ademhaling

1/5 Snurken.

Tekst:
Snurken ontstaat doordat er lucht tijdens de slaap wordt aangezogen via een sterk verslapte luchtweg. Daarbij 'klapperen' de zachte delen in de mond- en keelholte (gehemelte, tongbasis), waardoor het zagende geluid ontstaat.
Bij sommige hevige snurkers kunnen de ademhalingswegen zelfs even geblokkeerd raken. Het duurt vaak meer dan tien seconden voordat de ademhalingsweg, door herstel van de spierspanning, weer opengaat. De snurker wordt hierbij vaak bijna wakker, zuigt weer lucht in zijn longen en herstelt zijn slaap- en snurkritme tot de volgende ademhalingsstop.
Vooral bij snurkers bij wie de ademhaling telkens even geblokkeerd raakt, lijkt er een verband te bestaan tussen snurken en hoge bloeddruk. Zowel hoge bloeddruk als snurken komen veel voor bij mensen met overgewicht.
Een apparaatje dat het snurken mogelijk vermindert, is de zogenoemde 'snoozer'. De snoozer wordt onder het hoofdkussen geplaatst en produceert, na drie opeenvolgende snurkgeluiden, trillingen, die door de huid worden waargenomen en die ongeveer twee seconden aanhouden. Zij sporen de snurker aan om van houding te veranderen. Een zijligging vermindert de kans op snurken.

bron: Van functies, fractals en fobieën, PTW Wetenschapslijn

Zie volgende scherm

Ademhaling

2/5 Snurken.

Op de regulatie van de adembewegingen hebben zowel het CO2 -gehalte als het O2 -gehalte van het bloed invloed. Na blokkering van de ademhalingswegen vinden processen plaats waardoor het ademritme weer hersteld wordt.
Hieronder staat een aantal zinnen over dit herstel:

1. Vanuit de hersenstam gaan impulsen via motorische zenuwen naar de buikwandspieren die zich vervolgens samentrekken.
2. Impulsen bereiken het ademcentrum in de hersenstam.
3. Zintuigjes worden geprikkeld, zodat impulsen in sensorische zenuwen ontstaan.
4. Door blokkering van de luchtwegen neemt het CO2 -gehalte van het bloed toe, waardoor het bloed zuurder wordt.
5. Impulsen arriveren in de grote hersenen en worden van daaruit doorgegeven aan de hersenstam.
6. Vanuit de hersenstam gaan impulsen via motorische zenuwen naar de middenrifspieren die zich vervolgens samentrekken.

Welke van de gebeurtenissen, beschreven in bovenstaande zinnen, vinden plaats bij het herstellen van het ademritme bij snurkenden en in welke volgorde gebeurt dat?

Ademhaling

3/5 Snurken.

Een student meet de bloeddruk van tien personen met overgewicht. Zeven personen hebben een te hoge bloeddruk. De student vervolgt zijn onderzoek met deze zeven personen. Ze blijken allemaal 's nachts regelmatig te snurken. Hij concludeert uit deze gegevens dat er een verband bestaat tussen hoge bloeddruk en snurken. Deze conclusie is voorbarig.

Noem twee redenen waarom de conclusie van deze student voorbarig is.

Ademhaling

4/5 Snurken.

Bij hoge bloeddruk kan de binnenbekleding van de wand van bloedvaten beschadigd raken. Deze binnenbekleding bestaat uit een dunne laag cellen: het endotheel. Na beschadiging kan kalk en vet afgezet worden in het endotheel.

Noem een specifieke eigenschap van slagaders die door verkalking en vetafzetting verandert.

Ademhaling

5/5 Snurken.

Delen van het zenuwstelsel zijn: grote hersenen, motorische en sensorische zenuwbanen en ruggenmerg.

Welke van de genoemde delen zijn, samen met de kleine hersenen, betrokken bij het van houding veranderen van de snurker tengevolge van de trillingen van de snoozer?

Ademhaling

1/7 Taaislijmziekte.

Tekst:
Taaislijmziekte (cystische fibrose of CF) is een erfelijke aandoening die gekenmerkt wordt door o.a. luchtweginfecties. Deze zijn het gevolg van abnormale taaiheid van het slijm in de luchtwegen. Door deze taaiheid blijft het slijm vaak achter in de luchtwegen, waardoor infecties kunnen ontstaan.
De ziekte wordt veroorzaakt door een recessief, niet-X-chromosomaal gen. Twee willekeurige mensen die geen CF hebben, hebben een kans van 1 op 900 om een kind te krijgen met CF.

bron: Intermediair, oktober 1993

Waardoor bevordert de aanwezigheid van taai slijm het ontstaan van infecties van de longen en luchtwegen?

Ademhaling

2/7 Taaislijmziekte.

Bepaalde infecties behandelt men met een flinke dosis van een antibioticum, maar op den duur raken de ziekteverwekkers daartegen resistent.
Er zijn ook groepen ziekteverwekkers die niet met antibiotica kunnen worden bestreden.

Geef de naam van zo'n groep.

Ademhaling

3/7 Taaislijmziekte.
Zie figuur B 2699 van de bijlage.

In de afbeelding is een stamboom weergegeven. De personen II3 en II4 hebben twee kinderen. Hun oudste zoon (III1) heeft CF.

Hoe groot is de kans dat hun jongste zoon (III2) CF heeft?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

4/7 Taaislijmziekte.
Zie figuur B 2699 van de bijlage.

Persoon 1 van generatie II wil weten of hij een verhoogde kans heeft om een kind te krijgen met de aandoening CF. Hij wil erfelijkheidsonderzoek laten doen.
Erfelijkheidsonderzoek wordt alleen gedaan bij personen bij wie de kans dat ze drager zijn van CF, groter is dan bij een willekeurige persoon.

Kan op grond van de stamboom geconcludeerd worden dat hij in aanmerking komt voor een erfelijkheidsonderzoek? Verklaar je antwoord.

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

5/7 Taaislijmziekte.
Zie figuur B 1571 van de bijlage.

Het CF-gen is gelokaliseerd in de lange arm van chromosoom 7. In de afbeelding is chromosomenpaar nummer 7 weergegeven, zoals dit zichtbaar is in een karyogram. De lange armen van de chromosomen zijn genummerd 1 t/m 4.

In welke van de delen 1 t/m 4 is bij iemand met taaislijmziekte de code in het DNA afwijkend?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

6/7 Taaislijmziekte.

Tekst:
In een ziekenhuis in Londen probeert men met gentherapie CF-patiënten te genezen. Men brengt erfelijke informatie verpakt in vetbolletjes in de longen van CF-patiënten. Deze methode van gentherapie heeft gunstige resultaten bij muizen met CF.

Stel dat de 'vetbolletjestherapie' succesvol is bij CF-patiënten. Een ex-patiënt wil met een 'willekeurige' partner een kind.

Is de kans op een kind met CF dan kleiner, even groot of groter dan 1 op 900? Verklaar je antwoord.

Ademhaling

7/7 Taaislijmziekte.

De aanwezigheid van een CF-gen heeft niet alleen nadelen, maar ook een voordeel. Dragers van het CF-gen zijn beschermd tegen cholera.
Het CF-gen blijkt veel meer voor te komen in gebieden waar al vele generaties lang regelmatig cholera heerst, dan in choleravrije gebieden.

Noem de naam van het proces dat er toe heeft geleid dat het CF-gen in choleragebieden veel voorkomt.

Ademhaling

Temperatuur en ademhaling.

De temperatuur van de omgeving van een mens verandert snel van 30°C naar 10°C.

Hoe veranderen de ademhalingsfrequentie en de hartslagfrequentie?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Ademhalingsproblemen.

Bij een bepaalde persoon is de luchtpijp ten gevolge van overmatige slijmvorming vernauwd. De gaswisseling in de longblaasjes is daardoor slecht. Ook in rust krijgt hij het hierdoor benauwd en gaat hij hijgen. Men heeft de keus uit drie gasmengsels die deze persoon kan inademen om zijn gaswisseling te verbeteren.
Na inademing van het juiste gasmengsel wordt zijn ademhaling rustiger en komt hij zelf tot kalmte.

Is de frequentie van zijn hartslag nu lager dan, gelijk aan of hoger dan de frequentie van zijn hartslag toen hij het benauwd had?

Ademhaling

Ademhalingsspieren.

Bij de mens spelen bij de ademhaling de volgende spieren een rol:

- spieren tussen de ribben,
- spieren van het middenrif
- spieren van de buikwand.

Welke van deze spieren trekt zich samen bij een zeer krachtige uitademing?

Ademhaling

Uitademing.

Bij de ademhaling spelen onder andere een rol:

1. de luchtdruk in de longen als deze hoger is dan buiten het lichaam.
2. het samentrekken van de spieren van het middenrif.
3. het uitrekken van de wand van de longblaasjes.

Welke van deze verschijnselen treedt op bij uitademing?

Ademhaling

Inademing.

Bij de ademhaling spelen onder andere een rol:

1. de luchtdruk in de longen, als deze hoger is dan buiten het lichaam,
2. het samentrekken van de spieren van het middenrif,
3. het uitrekken van de wand van de longblaasjes.

Welke van deze verschijnselen treden op bij inademing?