Oefentoets Biologie: Assimilatie-dissimilatie - Algemeen | HAVO 4/HAVO 5 | variant 1

Deze oefentoets bevat 18 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

18

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Assimilatie_dissimilatie

Bij twee bosplanten P en Q.
Zie figuur B 495 van de bijlage.

Bij twee bosplanten P en Q werd het verband bepaald tussen de verlichtingssterkte en de zuurstofafgifte of zuurstofopname. De temperatuur werd tijdens het experiment constant gehouden. De resultaten zijn weergegeven in het diagram.
Aangenomen wordt dat de hoeveelheid zuurstof die per tijdseenheid voor dissimilatie wordt verbruikt, onafhankelijk is van de verlichtingssterkte.

Bij welke van de aangegeven verlichtingssterkten (1, 2, 3 en 4) produceert plant P bij de fotosynthese meer zuurstof dan plant Q?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Zetmeelvorming in een groenblad.

Een groen blad dat zonlicht, kooldioxide en water krijgt, vormt zetmeel in de bladgroen bevattende cellen. Een groen blad van dezelfde plant dat in het donker drijft op een glucose-oplossing, vormt ook zetmeel dat vooral in cellen langs de nerven te vinden is.

Welke van onderstaande hypothesen wordt door bovenstaand experiment bevestigd?

Assimilatie_dissimilatie

1/2 Assimilatie en dissimilatie.
Zie figuur A 597 van de bijlage.

Bij een plant wordt de afgifte of de opname van CO2 door bladeren bepaald bij temperaturen tussen 5°C en 40°C. De eerste bepalingen worden gedaan bij een optimaal CO2 -gehalte van de lucht en bij een lage (1) en een hoge (2) verlichtingssterkte. Vervolgens worden ook bepalingen gedaan bij een normaal CO2 -gehalte van de lucht bij hoge verlichtingssterkte (2).
In het diagram (afbeelding 4) zijn de resultaten van de metingen weergegeven.

Welke van de volgende uitspraken over de stofwisseling van de plant bij verlichtingssterkte 1 en 33°C is juist?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

2/2 Assimilatie en dissimilatie.

Welke abiotische factor is in elk geval beperkend voor de groei van deze plant wanneer deze staat bij verlichtingssterkte 2, een temperatuur van 30°C en een normaal CO2 -gehalte van de lucht?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

1/3 Bonte kamerplanten.
Zie figuur B 2706 van de bijlage.

afbeeldingafbeelding

Er zijn veel kamerplanten waarvan de bladeren niet geheel groen zijn. Dergelijke planten worden bontbladig genoemd. Twee voorbeelden van planten met bonte bladeren zijn de bontbladige geranium en de siernetel. Bij de bontbladige geranium zijn de randen van de bladeren wit. Bij de siernetel zijn allerlei kleurencombinaties mogelijk zoals: de binnenste delen rood, de buitenste delen wit en de zone daartussenin donkergroen (zie de afbeelding). De kleuren van de siernetel komen tot stand door de aan- of afwezigheid van bladgroen en de kleur van het vacuolevocht.
Uit verschillende delen van het blad van de bontbladige geranium en het blad van de siernetel, zoals die zijn weergegeven in de afbeelding, zijn cellen geïsoleerd.

Zie volgende scherm.

Assimilatie_dissimilatie

2/3 Bonte kamerplanten.
Zie figuur B 2707 van de bijlage.

In de afbeelding zijn schematisch drie van deze cellen, P Q en R weergegeven. De cellen P, Q en R zijn van drie verschillende delen afkomstig. Vijf delen in het blad van de bontbladige geranium en van de siernetel zijn:

S : in het groene deel van het blad van de geranium;
T : in het witte deel van het blad van de geranium;
U : in het donkergroene deel van het blad van de siernetel;
W : in het rode deel van het blad van de siernetel;
X : in het witte deel van het blad van de siernetel.

Is cel P afkomstig van deel S, T, U, W of X?
En cel Q en cel R? Schrijf je antwoord in de vorm van een tabel zoals hieronder is weergegeven.

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

3/3 Bonte kamerplanten.

Een kweker kan, door toevoeging van bepaalde stoffen aan het zaad, plantjes kweken met witte stelen en witte bladeren. In een onderzoek werd een week na het ontkiemen het drooggewicht van witte en van even oude groene kiemplantjes bepaald. De gevonden waarden werden vergeleken met het drooggewicht van het zaad. Van alle witte kiemplantjes was het drooggewicht lager dan dat van het zaad, bij de groene kiemplantjes was het drooggewicht gelijk aan of zelfs hoger dan dat van het zaad. Het drooggewicht is het gewicht van een plant waaruit al het water is verdampt.

Verklaar waardoor het drooggewicht van de witte kiemplantjes lager is dan dat van de groene kiemplantjes en ook lager dan dat van het zaad.

Assimilatie_dissimilatie

1/4 Een onderzoek naar de groeisnelheid van gist.
Zie figuur A 838 van de bijlage.

Leerlingen willen de invloed van zuurstof op de groeisnelheid van gist bestuderen. Zij ontwerpen hiervoor twee opstellingen (zie de afbeelding). Deze opstellingen bestaan uit een glazen cilinder waarin zich een geschikte voedingsoplossing voor gistcellen bevindt. Aan beide cilinders worden evenveel gistcellen toegevoegd.
Door opstelling 1 wordt lucht geleid; door opstelling 2 wordt stikstofgas geleid. Twee uur na het begin van het onderzoek blijkt er in de tweede opstelling geen zuurstof meer aanwezig te zijn.
Drie dagen na de start van het experiment wordt bij beide opstellingen het aantal levende gistcellen per milliliter bepaald. In de eerste opstelling is dit aantal sterk toegenomen. In de tweede opstelling is het aantal levende gistcellen gelijk gebleven.
Een leerling trekt uit deze gegevens de conclusie dat gistcellen zich uitsluitend onder aërobe omstandigheden delen.

Leg uit dat deze conclusie op grond van deze resultaten onjuist is.

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

2/4 Een onderzoek naar de groeisnelheid van gist.
Zie figuur A 838 van de bijlage.

Na deze drie dagen blijkt in opstelling 1 in de cilinder nog voedsel aanwezig te zijn. Een week na de start is het voedsel op. Het onderzoek duurt tien dagen.

Zie figuur A 425 van de bijlage.

Schets in een diagram op de bijlage de grafieklijn die weergeeft hoe in opstelling 1, naar schatting, het aantal gistcellen verandert gedurende de 10 dagen van het onderzoek. Benoem de assen.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

3/4 Een onderzoek naar de groeisnelheid van gist.
Zie figuur A 838 van de bijlage.

In beide opstellingen wordt tijdens het experiment voortdurend de temperatuur gemeten.

Stijgt in opstelling 1 de temperatuur de eerste drie dagen van het experiment?
En in opstelling 2?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

4/4 Een onderzoek naar de groeisnelheid van gist.

Na toevoeging van het sap van uitgeperste gistcellen aan een glucose-oplossing blijkt de gisting van glucose niet zo goed te verlopen als na toevoeging van levende gistcellen. Gisting met het sap van gistcellen wordt 'celvrije gisting' genoemd.

Welke stoffen uit dit sap zorgen voor het optreden van de celvrije gisting?

Assimilatie_dissimilatie

1/2 Koolstofdioxide in een sparrenbos.
Zie figuur C 139 van de bijlage.

In een sparrenbos van ongeveer 30 meter hoogte is gedurende een zonnige dag in augustus de CO2 -concentratie bepaald op verschillende hoogten boven de grond. Deze gegevens zijn weergegeven in het diagram van de afbeelding.
De lijnen in dit diagram verbinden de hoogten boven de grond waar de CO2 -concentratie op bepaalde tijdstippen gelijk is. De concentratie is uitgedrukt in deeltjes per miljoen (ppm).
Bijvoorbeeld om 6 uur 's ochtends ligt de CO2 -concentratie 10 meter boven de grond tussen de 370 en 380 ppm.
Met behulp van het diagram kan worden bepaald op welke hoogte boven de grond en op welke uren van de dag de fotosynthese-activiteit het grootst is.
In het diagram zijn met de letters P, Q, R en S vier combinaties van hoogte en tijd aangegeven.

Bij welke combinatie van hoogte en tijd is er sprake van de grootste fotosynthese-activiteit?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

2/2 Koolstofdioxide in een sparrenbos.

Vlak boven de grond is de CO2 -concentratie gemiddeld het grootst. Dit komt mede doordat organismen of delen van organismen in de bodem CO2 produceren. Organismen kunnen worden ingedeeld in drie groepen: consumenten, producenten en reducenten.

Tot welke van deze groepen behoren de organismen die in de bodem CO2 produceren?

Assimilatie_dissimilatie

1/2 Zonnebladeren en schaduwbladeren.

Bij bepaalde bomen zijn zogeheten zonnebladeren en schaduwbladeren te onderscheiden. Zonnebladeren hebben zich ontwikkeld uit knoppen waarop veel licht viel en schaduwbladeren hebben zich ontwikkeld uit knoppen die zich in de schaduw bevonden.

Zie figuur B 1394 van de bijlage.

In een experiment wordt bij deze twee typen bladeren van een loofboom het verband bepaald tussen de verlichtingssterkte en de opname van koolstofdioxide uit de lucht of de afgifte van koolstofdioxide aan de lucht. De resultaten zijn weergegeven in de afbeelding. Aangenomen mag worden dat de intensiteit van de dissimilatie onafhankelijk is van de verlichtingssterkte.

Is een verlichtingssterkte van 10 mW/cm2 een beperkende factor voor, de fotosynthese-activiteit in zonnebladeren?
En in schaduwbladeren?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

2/2 Zonnebladeren en schaduwbladeren.

Is bij verlichtingssterkte P de fotosynthese-activiteit in zonnebladeren kleiner dan, gelijk aan of groter dan die in de schaduwbladeren?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie en dissimilatie

Korstmossen.
Zie figuur B 3003 van de bijlage.

Tekst:
Op bomen, stenen en op droge zandgrond groeien korstmossen. Vroeger kregen ze die naam omdat ze op mossen lijken en men ze toen nog niet microscopisch onderzocht had. Later bleken korstmossen geen mossen te zijn. Ze bestaan uit wieren en schimmels.
In afbeelding A zijn drie verschillende korstmossen getekend. In afbeelding B is een doorsnede van een korstmos weergegeven.

De wieren bevinden zich in het korstmos aan de bovenzijde.

Zie figuur C 308 van de bijlage.
Zie figuur B 3003 van de bijlage.

Tekst:
Op bomen, stenen en op droge zandgrond groeien korstmossen. Vroeger kregen ze die naam omdat ze op mossen lijken en men ze toen nog niet microscopisch onderzocht had. Later bleken korstmossen geen mossen te zijn. Ze bestaan uit wieren en schimmels.
In afbeelding A zijn drie verschillende korstmossen getekend. In afbeelding B is een doorsnede van een korstmos weergegeven.

De wieren bevinden zich in het korstmos aan de bovenzijde.
Periode 1: 20.00-24.00 uur
Periode 2: 24.00- 5.00 uur
Periode 3: 5.00- 6.00 uur
Periode 4: 6.00- 9.00 uur
Periode 5: 9.00-19.00 uur
Periode 6:19.00-20.00 uur

In welke van de hierboven genoemde perioden (in de gehele periode of in een deel ervan) vindt er zowel fotosynthese als dissimilatie plaats?

In de periode [invulveld] en periode [invulveld]

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Dissimilatie

1/4 Zwemmen gevaarlijk.
ZWEMMEN NA HET ETEN IS GEVAARLIJK.

Zwemmen direct na het eten is ongezond en gevaarlijk. Je kunt maagkramp krijgen of steken in je zij en misschien wel verdrinken. In "Old wives' tales" van Peter Engel en Merrit Malloy (In vertaling: 'Van spinazie word je sterk', uitgeverij BZZToH) wordt dan ook geadviseerd na het eten een uur te wachten alvorens een duik te nemen in het water.

In het vorig jaar bij Bert Bakker verschenen 'Lexicon van hardnekkige misverstanden' van Walter Krämer en Götz Trenkler wordt het advies een sprookje genoemd. "Het verhaal werd vijftig jaar geleden op de wereld gezet door het Amerikaanse Rode Kruis. In een brochure over zwemmen en gezondheid werd afgeraden te water te gaan na het eten, omdat je daarvan maagkramp kon krijgen en mogelijkerwijs zelfs kon verdrinken."
De Amerikaanse sportarts Arthur Steinhaus vroeg begin jaren zestig zwemmers en zwemsters naar eetgewoonten en training. Hij ontdekte dat veel sport- en hobbyzwemmers regelmatig flink aten om daarna baantjes te trekken. Niemand kreeg last van maagkramp en niemand verdronk, aldus Steinhaus. In recentere brochures van het Rode Kruis staat de waarschuwing niet meer, aldus Krämer en Trenkler.
Maar Engel en Malloy zitten iets dichter bij de waarheid dan Krämer en Trenkler. "Als er voedsel in je maag zit", staat in 'Old wives' tales', krijg je vlugger maagkrampen. Dat zit zo: om de spijsvertering te bevorderen, pompt het hart een grote hoeveelheid bloed naar de maag. Tijdens lichaamsbeweging pompt het hart bloed naar de spieren en neemt de bloedstroom naar de maag aanzienlijk af. Zonder bloedtoevoer krijgen de maagspieren een gebrek aan zuurstof en verkrampen ze, zoals elke spier die niet voldoende zuurstof krijgt. De spijsvertering en de lichaamsbeweging zijn verwikkeld in een gevecht om hulp van het lichaam."
En dat is nog maar de helft van de waarheid. Maagkrampen zijn nog tot daaraan toe, een hartstilstand is ernstiger. "Het hart is in staat slechts een bepaalde hoeveelheid bloed uit te pompen", zegt dr. G. van de Bos, arts/fysioloog aan de Vrije Universiteit Amsterdam. "In rust is dat 5 liter bloed per minuut, maar bij topsport kan dat oplopen tot 25 of zelfs 30 liter per minuut.
"Om het voedsel te verteren, hebben de darmen bloed nodig. Daarin worden immers de voedingsstoffen opgenomen. Als de darmen en de spieren tegelijkertijd van het hart bloed willen hebben, moet het hart kiezen. In het uiterste geval kan het hart het dan opgeven. Nu zullen de risico's niet al te groot zijn bij een kleine en lichte maaltijd, maar een royale lunch met behoorlijk wat vet en direct daarop zware lichamelijke inspanning - sauna, flink stuk fietsen, zwemmen - kan fataal worden. Vooral ouderen die te zwaar zijn, moeten uitkijken", zegt Van de Bos.
Engel en Malloy adviseren een uur te wachten alvorens in het water te duiken. Van de Bos zegt dat het ongeveer twee uur duurt voordat het voedsel is verteerd en het spijsverteringssysteem weer leeg is. Maar zo lang hoeft er niet te worden gewacht. "Je voelt het zelf ook wel", zegt hij. "Het is een kwestie van je gezond verstand gebruiken. Ik kwam vroeger nog wel eens bij boeren. Tussen de middag aten die toen nog warm. Na de maaltijd gingen ze altijd even achter de pet, zoals dat heette. Ze zaten dan een tijdje te soezen voordat ze weer aan het werk gingen op het land. Heel verstandig."

(De Volkskrant, 10 maart 1998).

(Stepnet, proef 2, 18 november 1998).

Zie volgende scherm

Assimilatie_Dissimilatie

Leven van radioactieve straling.

Sommige schimmels groeien opvallend goed in een radioactief besmet gebied. Niet zo gek, want deze schimmels blijken straling als energiebron te gebruiken.
Onderzoekers ontdekten dat in het zeer radioactieve gebied rondom de in 1986 ontplofte kernreactor van Tsjernobyl opvallend veel zwarte schimmels voorkomen. Dat sommige schimmels niet doodgaan in een radioactieve omgeving was al bekend. Maar nu blijkt dat ze de stralingsenergie kunnen omzetten in energie om te groeien, is dat groot nieuws. Volgens de onderzoekers maken de zwarte schimmels hierbij gebruik van melanine. Zij vergeleken schimmels zonder melanine en schimmels met melanine terwijl ze bestraald werden door een radioactieve bron. De schimmels met melanine groeiden onder deze condities sneller dan de schimmels zonder dit pigment.
Melanine is ook het pigment in de huid waardoor we bruin kunnen worden in de zon. Van de stof is bekend dat het een beschermende werking heeft tegen UV, röntgen en radioactieve straling. Maar blijkbaar doet het in deze zwarte schimmels nog meer. Het blijkt dat dit pigment van structuur verandert wanneer het door radioactieve straling wordt getroffen en dat het de energie kan overdragen op andere stoffen in de cel. De zo verkregen energie wordt gebruikt voor de aanmaak van organische stoffen en voor allerlei andere celprocessen.
Dit mechanisme doet denken aan de wijze waarop planten chlorofyl inzetten om energie te verkrijgen uit licht.
De zwarte schimmels uit het onderzoek maken met behulp van de energie uit radioactieve straling zelf organische stoffen.

Hoe noem je de voedingswijze van normale schimmels en hoe zou je de verkregen voedingswijze van de zwarte schimmels bij Tsjernobyl noemen?

afbeeldingafbeelding